De filosofische zin van de eerste wereldoorlog in het werk van Ernst Jünger

door: Dr. Vincent Blok

I*

Als geen ander heeft Hermann Hesse in zijn roman Demian de navelstreng van de Kriegsbegeisterung in Duitsland blootgelegd. De bevrijding die voor de Duitse jeugd in het uitbreken van de eerste wereldoorlog gelegen was beschrijft Hesse vanuit de ervaring dat ‘het noodlot en het avontuur ons riepen en dat weldra de wereld ons nodig had, zich om te wentelen’[1]. Deze omwenteling van de wereld betrof niet zozeer de geografische herdefiniëring van Europa, doch is het paradoxale vermoeden dat zich in de oorlog een nieuwe toekomst, een nieuwe menselijkheid zou aandienen[2]. De oorlog werd algemeen begroet als bevrijdende uitweg uit de zinloosheid van het burgerlijk bestaan, waarin werd afgerekend met de verlichtingsidealen van de Franse revolutie uit 1789 en ‘de geboorte van een nieuw Duitsland’ werd ingeluid[3].

Een dergelijke oorlogsideologie was niet voorbehouden aan de Duitsers. Ze valt evenzeer af te lezen van de duizenden Franse en Engelse gezichten die, op volgepakte treinen en schepen afscheid namen van hun familie om zich op te offeren in de strijd van ‘de civilisatie tegen de barbarij’ (Henri Bergson), tegen ‘een wereld vol duivels’ (Paul Natorp), ‘the war to end all wars’ (H.G. Wells) of, meer algemeen, ‘de bevrijding van de wereld’.

Nu is reeds veel historisch onderzoek gedaan naar de zogenaamde Kriegsbegeisterung van 1914 en de daarmee samenhangende Kriegsideologie die de gemoederen bij alle deelnemende volkeren deden oplaaien. Sommige historici, zoals Wolfgang Kruse en Jeffrey Verhey hebben op overtuigende wijze laten zien dat beide begrippen in feite het product zijn van oorlogspropaganda[4]. Zo laat Verhey op grond van een statistische analyse van uitingen in de pers zien, dat de Kriegsbegeisterung een geconstrueerde mythe is[5] die werd geproduceerd door de oorlogspolitiek. Kruse merkt hierover op:

‘Het begin van de oorlog, lang tevoren gestileerd tot een ondergang van de wereld, werd nu als wereldgericht geïnterpreteerd en tegelijk als begin van een allesomvattende vernieuwing van de wereld, die het hernieuwde ‘uitverkoren’ volk in de oorlog te voltrekken heeft”[6].

Anderen, zoals Reinhard Rürup erkennen weliswaar de rol van de propaganda maar wijzen op het feit dat de ideologisering van de oorlog beantwoordde aan een in Duitsland wijdverbreide behoefte hieraan en derhalve niet tot loutere ‘constructie’ gereduceerd mag worden[7]. De ‘geest van 1914’ zou wel eens op een diepgaande maatschappelijke crisis kunnen duiden, die uiteindelijk de opmaat werd voor het nationaal-socialisme in Duitsland[8].

In verband met bovenstaande stel ik twee vragen.

De eerste is: ‘welke bijdrage denkt een filosoof aan deze discussie te kunnen leveren?’

De tweede is: ‘Wat is het eigenzinnige aan Ernst Jünger dat juist zíjn werk in dit verband geconsulteerd zou moeten worden’.

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: De Kriegsbegeisterung wordt hier niet gethematiseerd om bij te dragen aan de historische vraag naar de ingrediënten, oorzaken en gevolgen van de eerste wereldoorlog. Ik vraag daarentegen naar de zin van de eerste wereldoorlog en vermoed dat deze ontologisch is, dat wil zeggen het wezen van mensen en dingen betreft. Dit wezenvan de dingen is van oudsher thema van de filosofie. Terwijl de historische wetenschappen vragen naar de oorzaken van de Kriegsbegeisterung, blijft de filosofie bij de ontologische zin van de eerste wereldoorlog zelf. Daarbij wordt overigens de correctheid van het historisch onderzoek geenszins aangevochten[9]. Hoewel de oorlogsromans van Ernst Jünger naast de beroemde boeken van bijvoorbeeld Henri Barbusse en Erich Maria Remarque staan, is zijn werk toch hemelsbreed onderscheiden hiervan. Zoals zal blijken ervaart Jünger, als geen ander, de ontologische zin van de eerste wereldoorlog; de frontsoldaat is het voorbeeld voor een nieuw mensenras - het type van de arbeider - dat thuis is in de wereld van de techniek[10].

Dit artikel is opgebouwd uit de volgende etappes. Eerst zal worden stilgestaan bij Jüngers ervaring van de eerste wereldoorlog (II). Hij ervaart de ondergang van de verlichtingsidealen van de mens als het animal rationale en de volstrekt zinloze wereld van het nihilisme die daarmee achterblijft. In III blijkt het ongelijksoortige van de eerste wereldoorlog; de werkelijkheid en de menselijke omgang daarmee verschijnen nu totaal gemobiliseerd. Jünger noemt onze totaal gemobiliseerde wereldzinloosen vraagt naar de verborgen zin van de miljoenen slachtoffers in de eerste wereldoorlog (IV). Deze zinvindt hij in wat hij noemt, de gestalte van de arbeider. De voorboden daarvan ziet hij aan het nieuwe krijgerslag dat optreedt in deze oorlog en dat zich thuis weet in de wereld van de techniek. In V wordt gevraagd welke aanleiding Jünger eigenlijk heeft een gestalte te introduceren. Deze vindt hij in de slag bij Langemark, waar hij een zogenaamde gestalt-switch ervaart. In VI is de vraag wat een gestalte eigenlijk is. Daar zal blijken dat de gestalte de ontologisch differente eenheid of maatstaf is die zin geeft aan de dingen. De gestalte van de arbeider is de zin van de eerste wereldoorlog. In Der Arbeiter maakt Jünger duidelijk dat de gestalte van de arbeider in onze totaal gemobiliseerde wereld niet is. Wij moeten allereerst leren zien dat de totale mobilisatie op geheel andersoortige wijze een door de gestalte gestempelde orde is (VII). Dat noopt ons tot de vraag hoe het er met ons voorstaat, een kleine eeuw na de eerste wereldoorlog. Niet het type van de frontsoldaat maar het animal rationale lijkt na de eerste wereldoorlog voort te bestaan. Met Jünger duiden we het voortbestaan van het animal rationale als zwak nihilisme (VIII), dat als zodanig doortrokken is van het arbeidskarakter (IX). Ten slotte zal dit artikel worden afgesloten met enkele vragen (X).

II

Zoals zo vele anderen uit zijn tijd, stortte ook de schrijver Ernst Jünger (1895-1998) zich vol overgave in de eerste wereldoorlog.

„We hadden collegezalen, klaslokalen en werkbanken verlaten en waren tijdens de korte opleidingsweken aaneengesmeed tot een grote, geestdriftige eenheid. Opgegroeid in een tijd van veiligheid, hunkerden we allen naar het ongewone, het grote gevaar. En de oorlog was over ons gekomen als een roes. In een regen van bloemen waren we vertrokken, in een dronkenschap van rozen en bloed. De oorlog zou het ons immers allemaal brengen - grootsheid, kracht, waardigheid. Het leek ons een mannelijke onderneming, een vrolijke schuttersstrijd op bloemrijke, bloedbedauwde velden. ‘Geen schoner dood ter wereld…’. Ach, vooral niet thuisblijven, vooral mee mogen doen!”[11]

In zijn romans en essays - waarvan Im Stahlgewittern (1920) en Der Arbeiter (1932) het hoogtepunt vormen - komt een ervaring naar voren, die de historische gebeurtenis van deze oorlog verre overtreft.

Hij bespreekt deze ervaring in termen van een Erschütterung der Weltordnung. Deze dooreenschudding van de wereldorde ziet Jünger in haar meest geconcentreerde vorm aan de slag bij Langemark. In deze historische slag in de winter van 1914 - later de Kindermord van Langemark genoemd - vonden zo’n 3.000 studentenvrijwilligers de dood, studenten die net de collegebanken hadden verlaten en juichend dienst hadden genomen om te strijden voor de Duitse cultuur

‘We zien hier een klassieke aanval bezwijken, ongeacht de kracht van de wil tot macht die de individuen bezielt en ongeacht de morele en geestelijke waarden, waardoor deze individuen gekenmerkt zijn. Vrije wil, vorming, enthousiasme en de roes van de doodsverachting zijn ontoereikend om de zwaartekracht te overwinnen van die paar honderd meter, waarop het magische van de mechanische dood regeert. Wat in wezen aan de gebeurtenis bij Langemark ten grondslag ligt, is de intrede van een kosmische tegenstelling, die zich telkens herhaalt wanneer de wereldorde aan het wankelen is gebracht (erschüttert) en die hier tot uitdrukking komt in de symbolen van een technisch tijdperk’[12].

Dat het hier niet gaat om de feitelijke vernietiging van de Duitse troepen door het Engelse geschut maar om de ervaring van het nihilismeblijkt daaruit, dat de Erschütterung de wereldordebetreft. De aard van deze dooreenschudding kan blijken door allereerst te vragen binnen welke maatof eenheid de werkelijkheid ordelijkverschijnt.

De metafysische traditie vindt deze maat in de ontologischebepaling van het wezenvan de dingen; de transcendente horizon van de Platoonse idea. In de metafysische traditie is de ideaof categorie de vaste maat waarbinnen de dingen hun orde en betekenis hebben. In het licht van bijvoorbeeld de idea mens verschijnen de verschillende mensen alsmens en kunnen wij deze verschillende mensenals zodanig onderkennen. De ideamens is dus niet zelf een mens maar betreft de gegeven maat waarbinnen de veelheid aan verschillende mensen als eenheidverschijnt. In de metafysica bestaat zodoende een wezenlijk onderscheid tussen de ideaof categorie en de dingen die dankzij deze aanblik als zichzelfkunnen verschijnen.

Het animal rationale noemen we die mens, die zichzelf en de wereld begrijpt in het licht van dit transcendente wezen van de dingen. Hoewel Jünger spreekt van de burger, doelt hij hiermee op de wezensbepaling van de mens als het animal rationale, voor wie de verlichtingsidealen van de rede en de humaniteit, de moraliteit en de individuele vrijheid centraal staan. In het licht van deze categorieën verschijnt elke oorlog als dwalingdie kan worden voorkomen en worden genezen door opvoeding, resoluties en politionele acties en verlichting, Aufklärung, waarvan de uitkomst de verenigde naties van een even goede als redelijke mensheid zal zijn. (zie verder VII). Zo verschijnt de eerste wereldoorlog voor het animal rationale als een verdedigingsoorlog die definitief moet afrekenen met de barbaren die tegen de redelijkheid en moraliteit zijn gekant.

Jünger daarentegen ervaart dat de eerste wereldoorlog doortrokken is van een ‘uiterste aan activiteit in combinatie met een minimum aan zin’, dat wil zeggen dat hij niet langer als dwaling of politionele actie begrepen kan worden[13]. De Erschütterung van de wereldorde laat zien dat deze oorlog niet langer kan worden begrepen binnende categorieën ofwel de verlichtingsidealen van het animal rationale. De Engelse soldaten waren niet beter geëquipeerd of anderszins superieur in de oorlogvoering. Individueel enthousiasme, doodsverachting en ridderlijke moed zijn categorieën waarvoor in die oorlog überhaupt geen plaats meer bleek te zijn. Dat de inzet van het ‘individu’ of een ‘massa van individuen’ niet langer ter zake doet blijkt daaruit, dat ‘drie ervaren krijgers achter een intact machinegeweer zich niet laten verontrusten door de aankondiging dat een heel bataljon in aantocht is’[14].

Dat grondbegrippen zoals individualiteit, moed, ridderlijkheid en redelijkheid ongepast zijn in de eerste wereldoorlog, wijst op de vernietiging van de categorieën van het animal rationale. ‘Wie dat werkelijk heeft beleefd, is niet langer in twijfel dat hier niet alleen een of andere staat of systeem maar een wereldbeschouwing ineenstortte, de zedelijke grondhouding van een heel cultureel tijdperk’[15]. De Erschütterung van de wereldorde zet dan ook een streep onder het tijdperk van het animal rationale. Wat met de ondergang van het animal rationale blijft is een leegte of woestenij, namelijk het nihil van een gegeven maat voor de dingen. Dit is de ervaring van het nihilisme.

Jünger noemt het nihilisme een nieuw vreeswekkend principe’[16], omdat het elk houvast aan vaste categorieën of idealen ontkent en vernietigt. Onze ontologisch indifferentewereld is ongelijksoortig, dat wil zeggen onvergelijkbaar met de van de ontologische differentiedoortrokken wereld van het animal rationale. In die zin spreekt Jünger van de ‘verlatenheid van de mens in een nieuwe, niet doorgronde wereldwaarvan de stalen wet als zinloosverschijnt’.

De aard van deze ongelijksoortigheid wordt concreet in het voorbeeld van de oorlog. ‘Zo leidt de toepassing van buskruit tot een veranderd beeld van de oorlog, van waaruit zich evenwel niet laat zeggen dat het aan het beeld van de ridderlijke krijgskunst qua rang superieur is. Nochtans is het vanaf dit ogenblik waanzin zonder kanonnen het veld in te trekken’[17]. De onvergelijkbaarheidtoont zich in het voorbeeld van Jünger, aangezien niet eens meer te zeggen is of een kanon effectieveris dan het zwaard. Waar niet langer man tegen man gevochten wordt op een beperkt strijdtoneel maar steden vol burgers zich moeten hoeden tegen vijandelijke aanvallen van lange afstand, is niet meer te zeggen welke strijdmethode superieur is.

De eerste betekenis van de Erschütterung van de wereldorde is de ervaring van het nihilisme, de zinloze wereld die achterblijft met de ondergang van het animal rationale. Hij ervaart daarmee in een ongehoorde Weltwende te staan[18].

III

Wat is volgens Jünger precies veranderd, dat de oorlog niet langer binnen de categorieën van het animal rationalekan worden begrepen maar als het volstrekt zinlozeverschijnt? In Die totale Mobilmachung uit 1930, dat als voorstudie op Der Arbeiter kan worden beschouwd, gaat Jünger in op de mobilisatie ten tijde van de eerste wereldoorlog. Deze mobilisatie is nietsontzienden zet alle voorhanden middelen en krachten in voor de oorlog. Als voorbeeld hiervan noemt Jünger verschillende maatregelen die direct bij het uitbreken van die oorlog werden getroffen: de onmiddellijke inzet van vrijwilligers en reservisten, de censuur en de uitvoerverboden.

Toch ligt het totalitaire karakter van de mobilisatie niet in de inzet van allevoorhanden zijnde middelen en krachten voor de oorlog. De totale mobilisatie zou zich dan alleen gradueelonderscheiden van de partiële mobilisatie ten tijde van de monarchie. Jünger wijst daarentegen op het ongelijksoortig karakter van de totale mobilisatie. De mobilisatie ten tijde van de monarchie is onvergelijkbaar daarmee, omdat ze gedeeltelijkblijft; alleen soldaten werden naar het slagveld gestuurd en de kosten voor de oorlog betekenden geen grenzelozeuitgave van de voorhanden zijnde middelen en krachten. Waarin bestaat het ongelijksoortige van de totale mobilisatie in de eerste wereldoorlog?

Jünger spreekt van ‘een groeiende omzetting van leven in energie ten gunste van de mobiliteit van de vluchtig wordende bindingen’[19]. Deze omzetting duidt niet op een afbraak van de maar van de Platoonse horizon van het transcendente wezenvan de dingen waaraan het animal rationale zich gebonden wist. De werkelijkheid ontleent haar betekenis niet langer aan een vaste waarde of grootheid, maar is potentiële energie die haar waarde ontleent aan de mate waarin ze vruchten afwerpt in verschillende situaties.

De techniek kan volgens Jünger bijvoorbeeld niet binnen een vaste waarde of grootheid zoals de vooruitgang of de humaniteit worden begrepen, waaraan ze haar zinontleent . De uitvinding van de motor en de locomotief ter wille van de vooruitgang hebben hun keerzijde daarin, dat ze ook gebruikt kunnen worden om tanks voort te bewegen en troepen snel te verplaatsen. Net zo kan de chemische industrie landbouwgiffen produceren of parfum, maar ook gifgassen die in de strijd kunnen worden ingezet. Dit dubbele gezicht van de techniek laat juist zien dat de trein of de chemische industrie potentiële energieis die haar waarde ontleent aan de mate waarin ze functioneert ofwel vruchten afwerpt in verschillende situaties. Deze functie kan zowel in de productie van parfum alsook in de productie van gifgassen gelegen zijn.

Deze omzetting van leven inenergie ‘verleent een steeds ingrijpender karakter aan de mobilisatie in de eerste wereldoorlog’. De klassenstaat verdwijnt en wordt vervangen door de maatschappij die op gelijkheid berust. Hiermee correspondeert het verdwijnen van het beroepsleger. Met de invoering van de algemene dienstplicht is de oorlog een zaak geworden van iedereen die in staat is wapens te dragen. Deze omzetting van leven in energie maakt het mogelijk om alle middelen en kredieten voor de oorlog in te zetten:

‘Zo maakt de ongehoorde vermeerdering van de kosten het onmogelijk, de oorlogvoering uit een vaststaand oorlogsbudget te bekostigen; veeleer is de inzet van alle kredieten, de beschikking over zelfs de laatste spaarcenten noodzakelijk, om de machinerie op gang te houden. Zo stroomt ook het beeld van de oorlog als een gewapende handeling steeds meer binnen in het zich verder uitstrekkende beeld van een gigantisch arbeidsproces. Naast de legers die elkaar ontmoeten op de slagvelden, ontstaan de nieuwe legers van het verkeer, de voeding, de wapenindustrie - het leger van de arbeid überhaupt. In de laatste, reeds tegen het einde van de oorlog naar voren komende fase, geschiedt geen beweging meer - en ook al is het die van een thuiswerkster aan haar naaimachine - waarin niet een op zijn minst indirect militaire verrichting aanwezig is. In deze absolute aanwending van de potentiële energie, die de oorlogvoerende industriestaten verandert in vulkanische smidsewerkplaatsen, geeft het aanbreken van het arbeidstijdperk zich misschien het duidelijkst waarneembaar te kennen- zij maakt de wereldoorlog tot een historisch verschijnsel, dat qua betekenis de Franse revolutie overtreft. Om energieën van een dergelijke omvang te ontplooien, is het niet langer afdoende de arm die het zwaard draagt uit te rusten - hier is een uitrusting tot in de binnenste kern, tot in de fijnste levensader vereist’[20].

De totale mobilisering heeft dus primair een ontologisch indifferentiërende werking, doordat elk houvast aan het transcendente wezen van de dingen wordt vernietigd ten gunste van de dynamisering van de potentiële energie. Het beeldvan de oorlog is veranderd wanneer de werkelijkheid en daarmee ook de oorlog alsfunctie of - in termen van die totale Mobilmachung - alsarbeid verschijnt. Onze ontologisch indifferente wereld waarin mens en wereld als functie verschijnt en begrepen wordt, is onvergelijkbaar met de ontologisch differente wereld van het animal rationale, die nog werd beheerst door de vaste idealen van de redelijkheid en de moraliteit.

Omdat de totale mobilisering het beeld van de oorlog en dus de verschijningswijzevan de werkelijkheid alsarbeid betreft, bestaat volgens Jünger geen tegenspraak meer tussen arbeid en vrije tijd of cultuurbeleving. Vrije tijd is een welkome afwisseling van de arbeidsdag en behoort hem zo toe. Het arbeidskarakter noemt Jünger een totaler Zug de arbeidsruimte is onbegrensd zoals de arbeidsdag 24 uren telt, dat wil zeggen dat er niets is dat nietals arbeid begrepen wordt. Wat Jünger in de eerste wereldoorlog signaleert tekent ook onze dagen nog. Daarbij gaat het niet om voorbeelden zoals het volledig functioneel afgetrainde sportlichaam, niet om het verdwenen onderscheid tussen amateur en professional in de tot specialismen verworden hobby’s van het wijnproeven, de kookkunst en de muziekbeoefening, noch om het beroepsmatig specialistisch karakter van de hedendaagse vroeggepensioneerde hobbyverzamelaar. De groeiende omzetting van ´leven in energie die zich uitstrekt tot de fijnste levensaders’ en waarbinnen mens en wereld als functie, als arbeid verschijnt, dat is wat Jünger ´totale mobilisatie´ noemt en wat heden ten dage nog onze wereldwerkelijkheid uitmaakt. Dat de verschijningswijze van de werkelijkheid - het beeld van de oorlog - in de eerste wereldoorlog veranderd is, is de tweede betekenis van Erschütterung der Weltordnung die Jünger ervaren heeft.

IV

Omdat mensen en dingen in onze arbeidswereld hun betekenis ontlenen aan de mate waarin ze functioneren en niet aan een vaste eenheid of maat zoals de idea, noemt Jünger onze ontologisch indifferente wereld zinloos. Hij vraagt naar de verborgen zinachter de totale mobilisatie voor de eerste wereldoorlog. Het is volgens Jünger de heilige plicht tegenover de gevallenen, de oorlog zinte geven[21]. Dat is de eigenlijke zorg van Jünger na de eerste wereldoorlog. Zijn de miljoenen slachtoffers het gevolg van een relatief toevallige kortsluiting binnen de Europese verhoudingen en daarmee zinloos, of horen de verschrikkingen van de eerste wereldoorlog thuis in een zinvolle ordening, waarvan de eenheid ons ontgaat[22]? Is er zo’n verborgen zinachter de Materialschlachten in de eerste wereldoorlog, dan zou het sterven van miljoenen soldaten - en uiteindelijk de vernietiging van de categorieën van het animal rationale - niet zinloos maargerechtvaardigdzijn als offer.De arbeidswereld wacht en hoopt op haar zingeving.

Wat bedoelt Jünger met zin? In de metafysische traditie is de ideaof categorie de vaste maat waarbinnen de dingen hun orde en betekenis, hunzinhebben. Hoewel een dergelijke zin niet te vinden is binnen de totale mobilisering, is Jünger ervan overtuigd dat de arbeidswereld niettemin een verborgen zinheeft. Het belangrijkste argument voor zijn geloof hierin, is de van oorsprong natuurkundige wet van behoud van energie, die Jünger metafysisch begrijpt. Omdat het volgens Jünger onmogelijk is dat de totale hoeveelheid energie geringer wordt, is hij ervan overtuigd dat elke ‘verlaten ruimte’ - het nihilisme als onze Normalzustand waarin elkeideavernietigd is - ‘door nieuwe krachten wordt opgevuld’[23]. Zoals in de volgende paragraaf zal blijken vindt Jünger deze zin in wat hij noemt, de gestalte van de arbeider. De miljoenen slachtoffers zouden dan niet voor niets gevallen zijn, maar in de totale mobilisering geofferd zijn voor de opkomst van deze gestalte. Deze gestalte is bron van de zingeving en stempelt een zinvolle ordening[24]. Welke aanleiding heeft Jünger om zo’n gestalte te introduceren (V) en wat is eigenlijk een gestalte (VI)?

V

Een aanwijzing naar de gestalte ziet Jünger in de slag bij Langemark. Te midden van de totale mobilisatie vermoedt Jünger een gestalt-switch, een omslag van de tekening waarbinnen de werkelijkheid en de menselijke beantwoording daaraan als eenheid in het geding is. De Erschütterung van de wereldorde duidt namelijk niet alleen op de omslag van de verschijningswijze van de dingen in de eerste wereldoorlog, wanneer de wereld totaal gemobiliseerd verschijnt. Het zienvan de totale mobilisering is nog betrokken in deze omslag, waarbij Jünger zichzelf plotseling alsfunctionaris binnen de mobilisering, alsarbeider ziet[25]. De totale mobilisering vernietigt niet alleen de categorieën van het animal rationale. Tegelijkertijd ziet Jünger dat er - doorheen deze vernietiging in de eerste wereldoorlog - een slag van krijgers opstaat dat volledig is aangepast aan de eisen van de moderne oorlogvoering[26]. Dit nieuwe krijgerslag beantwoordtaan de totaal gemobiliseerde werkelijkheid.

Dit andere krijgerslag bedient zich niet van de categorieën van het animal rationale. De frontsoldaat zoekt niet langer naar de mogelijkheid om, tegen elke prijs, de strijd te staken en verder te onderhandelen, maar is bereid te strijden. Hierin zietJünger een andermensenslag naar voren komen. De veranderde betrekking van de krijger tot de dood maakt het verschil met het animal rationale duidelijk. De gevechtskracht van de enkeling heeft niet langer een individuele, maar een functionelewaarde. Het nieuwe krijgerslag kent namelijk niet langer de hang naar het individueel zelfbehoud maar weet het eigen lichaam voorbij dit zelfbehoud als instrumentte behandelen. De krijgers vallen niet langer in de strijd maar vallen uit zoals een technisch apparaat dat zijn functie verliest. Hier treedt volgens Jünger een ander mensenslag op dat zich beroept op de totaal gemobiliseerde werkelijkheid en als functionaris of arbeider hieraan beantwoordt.

De aanleiding om van een gestalte te spreken is dat de Erschütterung’ van de wereldorde niet alleen op een omslag van de verschijningswijze van de werkelijkheid duidt, maar tegelijkertijd het ‘a priori van een veranderd denken’ behelst[27]. Wanneer immers de verschijningswijze van de werkelijkheid en de menselijke beantwoording daaraan in één keer omslaat, dan is deze omslag niet langer te begrijpen als een andere wereldbeschouwing. De omslag betreft niet primair het denkenmaar de categorieën waarbinnen de werkelijkheid ende menselijke beantwoording daaraan verschijnen; een omslag van zijn en denken ineen. Hier wordt het zinvol van een gestalte te spreken; niet de mens maar de gestalte mobiliseert de wereld waaraan het nieuwe krijgerslag beantwoordt. Dat wil zeggen dat de mobilisatie van de wereld door de gestalte parallel loopt met de mobilisatie van het krijgerslag door diezelfde gestalte. Deze gestalt-switchziet Jünger aan de slag bij Langemark en is de eigenlijke betekenis van de Erschütterung van de wereldorde.

VI

Met de ervaring van de gestalt-switch stuiten we in het werk van Ernst Jünger op de filosofische zin van de eerste wereldoorlog. Te midden van de totaal gemobiliseerde zinloze wereld doet ze hem een nieuwe toewending van het ‘zijn’ vermoeden - de gestalte van de arbeider - die een ‘nieuwe zekerheid en rangorde van het leven waarborgt’[28]. Wat is een gestalte?

In Der Arbeiter zegt Jünger dat we een tijdperk binnentreden, waarin de stempeling van de tijd, de ruimte en de mens daarbinnen op de ‘gestalte van de arbeider’ terug te voeren is. De gestalte noemt hij een samenvattende eenheid of maat, waarbinnen de werkelijkheid ordelijk verschijnt. In het geval van de gestalte van de arbeiderzou de samenvatting in de arbeidmoeten worden gezocht, dat wil zeggen in de aanblik van de werkelijkheid alsarbeid. Deze arbeid is niet te identificeren met het arbeidskarakter van onze totaal gemobiliseerde wereld. Zoals ik heb laten zien kent onze ontologische indifferente arbeidswereld juist geen vaste eenheid of maat voor de orde. In de epoche van de arbeider zou ‘arbeid’ daarentegen de ontologisch differente eenheid of maatstaf zijn, in het licht waarvan de werkelijkheid ordelijk verschijnt en de mens zijn bestemming vindt. Arbeid zou daar het wezenvan mensen en de dingen uitmaken.

Hoewel Jünger van de gestalte van de arbeideren niet van de arbeidspreekt, is de eenheid van de gestalte niet voorbehouden aan de mens. De eenheid van de gestalte betreft de tekening van de verschijningswijze van de werkelijkheid ende menselijke beantwoording daaraan, zoals in het voorgaande duidelijk werd met het voorbeeld van de totaal gemobiliseerde werkelijkheid waaraan het nieuwe krijgerslag beantwoordt:

‘De gelijktijdigheid van bepaalde middelen met een bepaald mensdom hangt niet van het toeval af, maar ligt vervat in een kader dat van een hogere noodzakelijkheid is. De eenheid van de mens met zijn middelen is daarom de uitdrukking van een eenheidvan hogere komaf’[29].

De eenheid van de gestalte ligt in de van zijn en denken door de stempeling van de verschijningswijze van onze technische werkelijkheid als technische ruimte en de menselijke beantwoording daaraan door het mensenslag van de arbeider. Aangezien een nadere analyse van deze afstemming buiten het bestek van dit artikel valt, laat ik het hier bij de eerder gegeven karakterisering van de eenheid van het nieuwe krijgerslag met de technische middelen in de eerste wereldoorlog[30].

VII

De hiervoor gegeven voorbeelden en aanwijzingen naar de gestalte mogen niet de indruk wekken dat de gestalte volgens Jünger is.Eerder werd duidelijk dat onze gemobiliseerde werkelijkheid ver verwijderd is van de ‘eenheid die een nieuwe zekerheid en rangorde van het leven waarborgt’[31], dat wil zeggen de door de gestalte getekende verschijningswijze van de werkelijkheid en de menselijke beantwoording daaraan. De vernietiging van het animal rationale wordt niet direct gevolgd door een nieuwe stempeling door de gestalte en juist dit machtsvacuüm heet nihilisme.

Binnen de totale mobilisering valt de gestalte alleen te bevroeden. Het zienvan de totale mobilisering mag dus niet worden verward met het zienvan de gestalt-switch. Wij leven in een toestand waarin we allereerst moeten leren zien dat de totale mobilisering op geheel andersoortigewijze een door de gestalte gestempelde ordeis[32]. Het schrijven van Jünger in Der Arbeiter is overgankelijkvan de totale mobilisering naar een wereld waarin het mensenras van de arbeider de gestalte van de arbeider representeert en op die manier beantwoordt aan de nieuwe toewending van het ‘zijn’.

Deze gestalte is de verborgen zinvan de totale mobilisatie. De grenzeloze uitgaven en miljoenen slachtoffers in de eerste wereldoorlog zijn dan niet voor niets gevallen, maar geofferd in de strijd om de gestalte. Daarmee wordt duidelijk dat de eerste wereldoorlog volgens Jünger niet kan worden gereduceerd tot een oorlog tussen staten. In de schijnbare zinloosheid van de oorlog worden nieuwe krachten geboren die Jünger concreet ervaart in de slag bij Langemark. De gestalt-switch doet hem vermoeden dat de frontsoldaat streed voor een nieuwe vorm van de wereld. Deze vorm vindt hij in de gestalte van de arbeider. Het nieuwe krijgerslag heeft niet voor niets gestreden, maar voor de opkomst van deze gestalte.

Deze strijd is ook niet gestreden met de vrede van Versailles van 28 juni 1919 maar zou volgens Jünger pas door een komend geslacht zijn voleinding krijgen[33]. De gestalte van de arbeider stempelt een zinvolle ordening die bestaat in de afstemming van onze technische wereld alstechnische ruimte en de menselijke beantwoording daaraan door het mensenras van de arbeider. Dit nieuwe mensenras is het komende geslacht dat Jünger op het oog heeft. De afstemming van technische wereld en mensenwezen is de zinvolle ordening die wordt gegarandeerd door de gestalte, en deze gestalte is de filosofische zin van de eerste wereldoorlog[34]. De slachtoffers van de eerste wereldoorlog hebben dan ook een ‘historische betekenis’ voor deze voortdurende strijd om de gestalte. ‘Ze zijn het materiaal dat de gestalte, zonder dat ze het zelf weten, voor haar doelen verbrandt’[35]. De gevallen krijgers zijn geofferd voor deze verborgen zin.

VIII

Hoe staat het er met ons voor? De eerste wereldoorlog ligt een kleine eeuw achter ons en van een gestalte van de arbeider is ons niets bekend. De oorlogen tegen voormalig Joegoslavië en Irak getuigen eerder van de overwinning van het animal rationale, dat in alle redelijkheid en billijkheid de bevrijding van onderdrukte volkeren doorzet. Onze politionele acties tegen de as van het kwaad zijn nodig om barbaarse aanvallen door Al-Qaida en de onderdrukking van de bevolking door fundamentalistische staten tegen te gaan. De Verenigde Staten brengen met hun bondgenoten vrede, vrijheid en democratie in de wereld en garanderen zo een nieuw evenwicht, een nieuwe wereldorde.

Hier wordt het noodzakelijk stil te staan bij het nihilisme als onze Normalzustand. De totale mobilisatie vernietigt elk houvast aan het transcendente wezen van de dingen, in het licht waarvan het animal rationale zichzelf en de wereld begrijpt. Hiermee is de ondergang van het wezenvan de mens als animal rationale in het geding. Deze ondergang van het wezenimpliceert niets over zijn feitelijkevoortbestaan. Ook Jünger ziet dat niet de frontsoldaat maar het animal rationale na de eerste wereldoorlog lijkt voort te bestaan; het animal rationale verschijnt hem als die ‘mens die zich aan de volkomen gevaarlijke wereld poogt te onttrekken door de vlucht in de utopisch geworden zekerheid’[36]. Te midden van de totaal gemobiliseerde, zinlozewereld houdt het animal rationale zichzelf in stand door te vluchten naar de utopisch geworden zekerheid waar zijn verlichtingsidealen gerestaureerd en uiteindelijk behouden blijven. Deze houdingkunnen we in termen van Nietzsche begrijpen als het zwak’ nihilisme[37], dat wordt beheerst door de wil tot zekerheid.

Het animal rationale erkent zijn hoogste waarde in de zekerheid en ziet haar gewaarborgd door de rede. De wiltot zekerheid waarborgt de orde van de wereld overeenkomstig de verlichtingsidealen en garandeert daarmee de mogelijkheid van haar zekerstelling. Deze wil ontwerpt een mens- en wereldbeeld waarbinnen de werkelijkheid overeenkomstig de verlichtingsidealen als een morele en rationele ordening verschijnt.

De aard van deze wil is, volgens Jünger zo, dat ook het niet-redelijke nog binnenhet redelijk ontwerp verschijnt. Hij spreekt in dit verband van de oorlog en de misdaad of meer algemeen over ‘het gevaar’. Binnen het redelijk ontwerp van de werkelijkheid kan het anderevan de rede niet meer als dit andere verschijnen. Dit gebeurt daardoor, dat ‘het gevaarlijke zich in het licht van de rede als het zinloze openbaart en daarmee zijn aanspraak op werkelijkheid verliest. Het gevaarlijke wordt als het zinloze gezien en is op datzelfde moment overwonnen, doordat het in de spiegel van de rede als vergissing verschijnt’[38].

Het voorbeeld van de oorlog kan dit verduidelijken. Met het uitbreken van de eerste wereldoorlog is de totale mobilisatie niet langer over het hoofd te zien: hij verschijnt als ‘een uiterste aan activiteit in combinatie met een minimum aan zin’. Omdat de oorlog niet ontkend kan worden, probeert het animal rationale hem te verontschuldigen of te duiden als vergissing. ‘Dit gebeurt daardoor, dat de vooruitgangsideologie boven de militaire gebeurtenis wordt geplaatst. Daardoor verschijnt het wapengekletter als een betreurenswaardig uitzonderingsgeval, als een middel om de barbaren te beteugelen die tegen de vooruitgang zijn. Alleen de humaniteit, de menselijkheid, komt deze middelen toe en wel alleen in het geval van de verdediging’[39]. De inzet van de wapenen gebeurt alleen ter verdediging van de humaniteit en met het oog op de bevrijding van de volkeren. ‘Herhaling van dergelijke vergissingen is te voorkomen en te genezen door opvoeding en verlichting, Aufklärung, waarvan de uitkomst een door en door goede alsook redelijke en vandaar ook zekergestelde mensheid zal zijn’[40]. Voor het animal rationale verschijnt de werkelijkheid nooit anders dan redelijk, aangezien het anderevan de rede - de oorlog of meer algemeen het ‘gevaar’ - in het licht van de rede alsvergissing verschijnt.

Jüngers beschrijving is uiterst herkenbaar voor ons. Hierbij valt te denken aan onze politionele acties in voormalig Joegoslavië en Irak, maar ook aan de oproep dat het Islamitisch geloof een verlichting moet ondergaan. In het licht van de verlichtingsidealen verschijnt elke oorlog als dwalingdie kan worden voorkomen en kan worden genezen door opvoeding, resoluties en politionele acties, en verlichting, waarvan de uitkomst de Verenigde Naties van een even goede als redelijke mensheid zal zijn. Is een oorlog toch onvermijdelijk - zoals in Afghanistan of Irak - dan streeft het animal rationaleernaar hem te verontschuldigen. Het wapengekletter moest worden ingezet als uitzonderingsgeval om barbaren te beteugelen die tegen de vrijheid en de democratie zijn.

Het mens- en wereldbeeld van het animal rationale toont zich als een wil die de wereld niet wilhebben zoals die is. De verlatenheid van de mens in de zinlozewereld wordt verontschuldigd door de vooruitgangsideologie boven de militaire gebeurtenis te plaatsen. Wat niet voldoet aan het wereldbeeld van het animal rationale - Jünger noemt dit het elementaire - is niet in eigenlijke zin. De werkelijkheid laat zich op vele wijzen doordringen door het ontwerp van wereldbeelden, ‘al naar gelang, met welke middelen en met welke vraagstelling dit geschiedt. Het is zonder twijfel een plaats van de productie, ook van de consumptie, van uitbuiting, van maatschappelijke betrekkingen, van orde, van misdaad of wat men anders nog wil. … Voor de sociologen is het geheel sociologisch, voor de biologen biologisch, voor de economen economisch in elk detail, van de systemen van het denken tot aan de pfennigmunt’[41].

In het ontwerp van het mens- en wereldbeeld ligt de wil om de dingen zo en niet anders te laten verschijnen. De werkelijkheid wordt uitgedaagd zich te tonen alssociologisch, alsbiologisch, etc., dat wil zeggen dat het wereldbeeld bepaalt wat werkelijk mag heten. Het zwak nihilisme van het animal rationale zietin zijn wil tot zekerheid afvan de volkomen gevaarlijke wereld en dit garandeert zijn feitelijkevoortbestaan. De wil om de dingen moreel en rationeel te laten verschijnen is een wil die de wereld van de totale mobilisering niet wil hebben zoals die isen in die zin onempirisch; het animal rationale vluchtnaar de utopisch geworden zekerheid waar zijn categorieën gerestaureerd en behouden blijven[42].

IX

Als de totale mobilisatie de ondergang van het wezenvan de mens als het animal rationale inluidt ondanks zijn feitelijkevoortbestaan tot op de dag van vandaag, dan moet ook het arbeidskarakter van zijn restauratiepogingen zichtbaar kunnen worden.

Het arbeidskarakter van het animal rationale ligt in zijn voorstellingvan een wereldbeeld. In dit voorstellen wordt de werkelijkheid uitgedaagd zich overeenkomstig dit beeld present en beschikbaar te stellen; het wereldbeeld bepaalt wat werkelijk mag heten. Dit voorstellen is een voor zich presentstellen, om het zo gestelde als zodanig zeker te kunnen stellen. Dit zekerstellen is een rekenen, want alleen de berekenbaarheid garandeert de mogelijkheid van zekerheid[43]. Rekening houdend met de gegeven omstandigheden zoals bij de aanslagen van elf september wordt gerekend op het succes van de nieuwe wereldorde, hoewel dit succes in de praktijk zal moeten blijken. Alleen wat zo berekend kan worden, heet werkelijk te zijn, is, in eigenlijke zin.

Het arbeidskarakter van het wereldbeeld van het animal rationale ligt daarin, dat dit ontwerp de beschikbare aanwezigheid van de dingen bewerkt, waarmee en waarop gerekend kan worden in de zorg om de nieuwe wereldorde. Zo bewerkt verschijnen de aanslagen van Al-Qaida en het radicale Islamietendom nooit als het anderevan de rede maar wordt het presentgesteld alsvergissing die te verhelpen is door verlichting en politionele acties. Deze verhouding tussen kosten en baten, dit arbeidskarakter tekent de totale mobilisatie van onze dagen alsook de restauratiepogingen van het animal rationale. Net als elk wereldbeeld zijn ook de verlichtingsidealen potentiële energie, dat wil zeggen arbeidshypothesendie hun succes in de praktijk moeten bewijzen.

In dat opzicht kan ook geen misverstand bestaan over de toekomst van het animal rationale en het radicale islamietendom. De totale mobilisatie is zo weids dat zij zowel de Amerikaanse inmenging in Afghanistan karakteriseert alsook het verzet daartegen door de Taliban en het Al-Qaida netwerk van Osama bin Laden. De heftigheid van de aanslagen geeft slechts aan hoezeer de traditionele levenswijze van de islamistische samenleving wordt bedreigd: uiteindelijk wil ook elke Afghaan een televisie en een koelkast.

X

Hoe staat het er met ons voor? De eerste wereldoorlog heeft onzewereldwerkelijkheid van de totale mobilisering geopend. Jünger heeft niet alleen het arbeidskarakter van onze wereld toegankelijk gemaakt maar affirmeert deze ook zonder alternatieven te zoeken of pogingen te ondernemen om het wereldbeeld van het animal rationale te restaureren. Door de Erschütterung van de wereldorde in de eerste wereldoorlog geraakt het vanzelfsprekende begrip van de mens als het animal rationale aan het wankelen en ontstaat de vraag of wij wel weten wie we zelf zijn. Deze vraag gaat ook ons heden ten dage nog aan. Is het zo vanzelfsprekend dat wij het arbeidende dierzijn dat zich heeft ingericht in de totaal gemobiliseerde wereld? Of is het menselijk bestaan primair blootgesteld aan de gestalt-switch, de tekening die de verschijningswijze van de werkelijkheid en het menselijk bestaan in de wereld haar bestemming geeft?

Hier is niet de plaats om verder in te gaan op deze vraag. De beantwoording daarvan vergt een verreikende voorbereiding. Een eerste vraag is namelijk of het nieuwe mensenras van de arbeider dat zich thuis weet in de technische wereld, zelf ook weer een mens- en wereldbeeld betreft. Hoezeer dan ook de wereld van het animal rationale ongelijksoortig is aan het nieuwe mensenras van de arbeider, zoals Jünger beweert, beide zijn dan gelijksoortig als mens- en wereldbeeld. De voorbereiding van de vraag of wij weten wie we zelf zijn, vergt dan als eerstvolgende halte de vraag naar de tijd van het wereldbeeld.

 

* Ik dank Martijn Pieterse voor zijn commentaar op eerdere versies van dit artikel. Voor vragen, commentaar en meer informatie: www.vincentblok.nl

[1] Hesse, H. Demian (Suhrkamp: Frankfurt aM 1981), blz. 158

[2] ‘Und je starrer die Welt auf Krieg und Heldentum, auf Ehre und andre alte Ideale eingestellt schien, je ferner und unwahrscheinlicher jede Stimme scheinbarer Menschlichkeit klang, dies war alles nur die Oberfläche, ebenso wie die Frage nach den äußeren und politischen Zielen des Krieges nur Oberfläche blieb. In der Tiefe war etwas im Werden. Etwas wie eine neue Menschlichkeit” (idem: 160).

[3] Vgl. Kruse, W., Kriegsbegeisterung? Zur Massenstimmung bei Kriegsbeginn. In: Kruse, W. (ed.), Eine Welt von Feinden. Der große Krieg 1914-1918 (Fischer Verlag: Frankfurt aM 1997), blz. 159-166 (verder: Kruse (1997) 159-166; Rürup, R., Der „Geist von 1914”in Deutschland. Kriegsbegeisterung und Ideologisierung des Krieges im Ersten Weltkrieg. In: Hüppauf, B. (ed.), Ansichten vom Krieg. Vergleichende Studien zum Ersten Weltkrieg in Literatur und Gesellschaft (Verlag Anton Hain Meisenhem: Königstein 1984), blz. 1-30 (verder: Rürup (1984) 1-30).

[4] Kruse, (1997) 160

[5] Verhey, J. The >>Spirit<< of 1914: The Myth of Enthousiasm and the Rhetoric of Unity in World War I Germany (Berkeley 1991)

[6] Kruse (1997) 170; vgl. 165-170

[7] „Das Jahr 1914 war zweifellos ein Wendepunkt der europaïschen Geschichte und der Weltgeschichte. Aber es war nicht der „Geist von 1914”, der seine Bedeutung ausmachte. 1914 brach die bürgerliche Welt des 19. Jahrhunderts zusammen, endete eine geschichtliche Epoche, die 1789 begonnen hatte” (Rürup (1984) 29); vgl. Leed, E.J., No Man’s Land. Combat and identity in World War I (Cambridge 1979), blz. 39-72

[8] Rürup (1984) 29-30.

[9] Hiermee is gezegd dat een filosofisch artikel geenszins de pretentie kan hebben om het historisch onderzoek te ondersteunen of te bekritiseren. Voor de verhouding tussen filosofie en wetenschap verwijs ik naar het eerste deel van mijn proefschrift Rondom de Vloedlijn. Filosofie en kunst in het machinale tijdperk. Een confrontatie tussen Heidegger en Jünger (Uitgeverij Aspekt: Soesterberg 2005)(verder: Blok (2005)).

[10] In dit artikel zal niet verder worden ingegaan op biografische gegevens over Jünger of het intellectueel klimaat in Europa voor WOI en tijdens het interbellum. Aangezien de kern van zijn hoofdwerk Der Arbeiter uit 1932 de conceptie van de gestalte is, laat ik de ‘politieke’, ‘accidentele’ en ‘polemische’ aspecten van dit werk buiten beschouwing. Zie hiertoe onder andere de studie van Schwarz, H.-P., Der konservative Anarchist. Politik und Zeitkritik Ernst Jüngers. (Verlag Rombach: Freiburg im Breisgau 1962). Voor biografische gegevens over Jünger verwijs ik naar Meyer, M., Ernst Jünger (Carl Hanser Verlag: München/Wien 1990) en Ipema, J., In dienst van Leviathan. Ernst Jünger tijd en werk 1895-1932 (uitgeverij Aspekt: Soesterberg 1997).

[11] Jünger, E., In Stahlgewittern. Sämtliche Werke, Band 1 (Klett-Cotta: Stuttgart 1978), blz. 11 (verder: Sta: 11).

[12] Jünger, E., Der Arbeiter. Herrschaft und Gestalt, Sämtliche Werke, Band 8 (Klett Cotta: Stuttgart 1981), blz. 113-114 (verder: Arb: 113-114).

[13] Arb: 115; 167

[14] Arb: 119

[15] Jünger, E., Politische Publizistik 1919 bis 1933 (Klett-Cotta: Stuttgart 2001), blz. 105 (verder: PP: 105)

[16] Arb: 113-114

[17] Arb: 93-94

[18] Ernst Jünger is niet de enige die een radicale omslag in de eerste wereldoorlog ziet. Een ander bekend voorbeeld hiervan is Walter Benjamin die de ‘Erschütterung’ aldus verwoordt: „Eine Generation, die noch mit der Pferdebahn zur Schule gefahren war, stand unter freiem Himmel in einer Landschaft, in der nichts unverändert geblieben war als die Wolken, und in der Mitte, in einem Kraftfeld zerstörender Ströme und Explosionen, der winzige gebrechliche Menschenkörper” (Benjamin, W., Erfahrung und Armut. In: Illuminationen (Suhrkamp Verlag: Frankfurt aM 1977), blz. 291).

[19] Jünger, E., Die totale Mobilmachung. Sämtliche Werke, Band 7 (Klett-Cotta: Stuttgart 1980), blz. 125 (verder: TM: 125).

[20] TM: 125-126; vgl. Arb: 153

[21] PP: 50

[22] Jünger, E., Das Wäldchen 125, Sämtliche Werke, Band 1 (Klett-Cotta: Stuttgart 1978), blz. 349 (verder:W125: 349).

[23] Arb: 98

[24] Arb: 158; 308

[25] In zijn roman Sturm verwoordt Jünger dit samenspel van mens en wereld op de volgende wijze: „In seiner Seele ging eine Wandlung vor, und die Landschaft bekam ein neues Gesicht. Denn hinter allem wirkte der Mensch, nur war diese Wirkung oft so gewaltig, daß er sich selbst nicht mehr erkannte darin. Und doch gaben diese Nächte der Wüste, vom Gezuck der Blitze umfaßt und vom ungewissen Schimmer der Leuchtbälle überstrahlt, von seiner Seele ein treues Spiegelbild. Auch Sturm erkannte, wenn er auf seinem Anstand lag, daß er ein anderer geworden war” (Jünger, E., Sturm. Sämtliche Werke, Band 15 (Klett-Cotta: Stuttgart 1978), blz. 25 (verder: Stu: 25); vgl. Heumakers, A., Oudemans, Th.C.W., De horizon van Buitenveldert. (Boom: Amsterdam 1997), blz. 118.

[26] Hans Verboven ziet in de aanpassing van het nieuwe krijgerslag aan de moderne oorlogsvoering een sociaal darwinistisch perspectief naar voren komen: „Die Auslese oder „Neue Rasse” etsteht aus jener Saat, die ihrer Umgebung (Feuer als Naturvorgang) am besten gewachsen ist” (Verboven, H., Die Metapher als ideologie (Universitätsverlag Winter: Heidelberg 2003), blz. 121). De verhouding tussen Jünger en het Darwinisme is complex, want ondanks de vruchtbare aanwijzingen van Verboven is tegelijkertijd onmiskenbaar dat de gestalte van de arbeider niet overeenkomstig de leer van de „natürliche Zuchtwahl” begrepen kan worden (Arb: 235). Nader onderzoek hiernaar valt buiten het bestek van dit artikel.

[27] Arb: 61, 244. In het bestek van dit artikel kan niet verder worden stilgestaan bij de specifieke aard van dit denken, dat in de wil tot macht gelegen is. Zie hiertoe paragraaf 9 en 10 van mijn boek Rondom de vloedlijn (Blok (2005) 105-131).

[28] Arb: 99

[29] Arb: 244

[30] Zie verder mijn boek Rondom de vloedlijn, §7 en 9 (Blok (2005) 89-98; 104-116)

[31] Arb: 99

[32] Arb: 88

[33] PP: 77

[34] In het bestek van dit artikel kan niet verder worden ingegaan op de aard van deze overgang, die Jünger ziet in de wil tot macht als kunst. Zie hiervoor paragraaf 9 van mijn boek Rondom de vloedlijn (Blok (2005) 105-116)

[35] Jünger, E., Der Kampf als inneres Erlebnis. Sämtliche Werke, Band 7 (Klett-Cotta: Stuttgart 1980), blz. 81. Wat hier en in zijn politieke geschriften nog ‘idee’ heet, noemt hij later de gestalte van de arbeider.

[36] Arb: 61; vgl. 252

[37] „Metaphysik haben Einige noch nöthig; aber auch jenes ungestüme Verlangen nach Gewissheit, welches sich heute in breite Massen wissenschaftlich-positivistisch entladet, das Verlangen, durchaus etwas fest haben zu wollen (während man es wegen der Hitze dieses Verlangens mit der Begründung der Sicherheit leichter und lässlicher nimmt): auch das ist noch das Verlangen nach Halt, Stütze, kurz, jener Instinkt der Schwäche, welcher Religionen, Metaphysiken, Ueberzeugungen aller Art zwart nicht schaft, aber - conservirt” (Nietzsche, F., Die fröhliche Wissenschaft. Kritische Studienausgabe, Band 3 (DTV de Gruyter: Munchen Berlin 1882/1887-1988), blz. 581-582).

[38] Arb: 55

[39] Arb: 167; PP: 335-339

[40] Arb: 56

[41] Arb: 68

[42] Hoewel de bespreking van het onempirisch karakter van het animal rationale de suggestie van een kritiek op zijn categorieën wekt, is dit niet het eigenlijke ‘Anliegen’ van Der Arbeiter. In een late brief erkent Jünger dat in Der Arbeiter kritiek geslopen is op het animal rationale. Deze kritiek heeft volgens Jünger evenwel niets te maken met de zaak van het boek; de conceptie van de gestalte van de arbeider (Jünger, E., Maxima - Minima. Adnoten zum >>Arbeiter<<. Sämtliche Werke, Band 8 (Klett-Cotta: Stuttgart 1981), blz. 390; Arb: 12). Ook mij kan het in dit artikel niet gaan om een cultuurkritiek in het algemeen of een kritiek op het animal rationale in het bijzonder.

[43] Heidegger, M., Die Zeit des Weltbildes. In: Holzwege, Gesamtausgabe Band 5 (Vittorio Klostermann: Frankfurt aM 1977), blz. 108 (verder: ZWB: 108)

overzicht: