Europe's Last Summer. Who started the Great War in 1914

Door J.H.J. Andriessen,
Voorzitter Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog.

 

Dit is een reeks analyses van boeken geschreven door bekende Angelsaksische historici die in de laatste jaren zijn verschenen en waarin  naar mijn mening de werkelijkheid over de Eerste Wereldoorlog, het ontstaan daarvan en de schuldvraagkwestie bewust of onbewust geweld wordt aangedaan.

Naast de stellingen van deze Angelsaksische historici wordt getracht aan de hand van duidelijke documentatie en primair bronnenmateriaal  aan te tonen dat met name hedendaagse vooral ook Britse historici nog steeds een visie onderhouden die op veel punten het gevolg is van generaties lange indoctrinatie waarbij kennis van de werkelijkheid ondergeschikt is gemaakt aan chauvinistische en nationalistische argumenten. Deze Angelsaksische visie is zo dominant en had- en heeft nog steeds zo’n grote invloed op met name ook  Nederlandse historici en binnen Nederlandse onderwijsinstellingen, dat het de vraag is of een realistischer visie wel ooit in dit land zal doordringen.

 

De derde analyse betreft het boek van David Fromkin, Europe’s Last Summer. Who started the Great War in 1914.

 

Europe’s Last Summer. Who started the Great War in 1914.

Auteur: David Fromkin.

Uitgever: Alfred A.Knopf.

New York (2004)

Isbn: 0-37541156-9.

 

Over de auteur:

David Fromkin is professor of History aan de universiteit van Boston en o.a auteur van “In the Time of the Americans”, en de nationale bestseller “Peace to end all Peace” dat door de New York Times verkozen werd tot een van de beste 13 boeken van het jaar 1989.

 

Voorbeschouwing:

Eern interessant boek met vaak goede weergave van sitaties en omstandigheden. Ook Fronkin ontkomt echter niet aan sterk Anglosaksische invloeden en derhalve nemen wij weer een aantal foutieve en onjuiste stellingen waar.

Het is ook nu weer teleurstellend dat een auteur van het formaat van Fromkin, die ook in ons land vaak wordt aangehaald als bron, een boek over de oorzaken en schuldvraag van de Eerste Wereldoorlog schrijft dat uiteindelijk onbetrouwbare en onjuiste informatie geeft en de feiten duidelijk onvoldoende onderbouwt.

 

Stelling:

Fromkin schrijft (p.35)

“Reviewing the Schlieffen memoranda some five years later in 1911, Moltke indicated in his notes that he agreed that France should be invaded through Belgium. The decision exercised a sort of multiplier effect on Germany’s quarrels. In the context of Germany’s post 1890 foreign policy, it created the very encircling coalition Germans professed to fear. It also automatically  transformed a German War into a European war that as a result would become a world war. If Germany attacked Russia, Germany would start by invading Belgium, Luxemburg and France, thereby bringing them too into the war thus also bringing Great Britain into the war, bringing in, in addition, India, Australia, New Zealand, South Africa, Canada and others too, possibly including Britain’s Pacific Ally, Japan”.

 

Voorwaar een interessante theorie maar is ze ook realistisch?

 

Commentaar:

Fromkin vergeet gemakshalve even dat het von Schlieffenplan pas tot z’n definitieve vorm kwam omstreeks 1905 maar dat de ‘encircling’ van Duitsland al intrad na het niet verlengen van het herverzekeringsverdrag met Rusland in 1890

Het Schlieffenplan kon daar toen dus nog geen enkele invloed op uitoefenen.

 

De Frans-Russische militaire conventie die geheel gericht was op oorlog met Duitsland werd al in 1894 getekend waarna beide Grootmachten jaar na jaar hun agressieve oorlogsplannen tegen Duitsland verder uitwerkten en vervolmaakten. Ook toen bestond het von Schlieffenplan nog niet!

Voorts vergeet Fromkin te vermelden dat, zoals hij het noemt” “Germany’s post 1890 foreign policy” mede bepaald werd door de ‘post 1890 foreign policy’ van Frankrijk en Rusland, een policy die zich liet aanzien als Duits onvriendelijk en die tot gevolg had dat Duitsland inderdaad reden kreeg om te gaan geloven aan een ‘encirclement’.

 

Derhalve klopt de theorie van Fromkin niet. Ook hier geldt toch nog altijd ‘oorzaak en gevolg” en derhalve moeten we niet het von Schlieffenplan of Duitsland’s ‘post 1890 foreign policy’ als oorzaak noemen maar de Frans-Russische geheime militaire Conventie die natuurlijk niet zo geheim was als wel de bedoeling is geweest.

De stelling van Fromkin zou dan ook moeten luiden:

 

Reviewing the 1894 Franco-Russian secret military Convention and its contents it is clear that this convention and the decissions they arrived too, exercised a sort of multiplier effect on the world’s quarrels. In the context of the post 1890 foreign policy of France-Russia and Great Britain, it created the very encircling coalition Germans professed to fear. It also automatically  transformed a Franco-Russian,British war into a European war that as a result and due to the alliance system, would become a world war. If one of the allied Powers (France-Russia, England) would mobilize,Germany would be forced to mobilize too and war would be the inevitable result”.

 

Dat was de situatie zoals men dat in Duitsland zag. Fromkin gaat voorbij aan de politieke ontwikkelingen die aan het uitbreken van de oorlog vooraf gingen waaronder de agressieve strekking van de Frans-Russische conventie en de vorming van de allianties die, toen het eenmaal zover was, het praktisch onmogelijk maakten de vrede te bewaren. De stelling van Fromkin is naïef en tegelijk aanwijsbaar onjuist.

 

Stelling Fromkin. (p.36)

“Vested in the kaiser were almost dictatorial powers in the great matters of war and peace; almost but not quite. His was the power to declare war or to make peace- so long as he could obtain the countersignature of his Chancellor”.

 

Commentaar:

Dit is een bijna opzienbarende vaststelling, opzienbarend omdat ik die nog niet eerder in de Anglosaksische geschiedschrijving ben tegengekomen, nl de erkenning dat de Keizer afhankelijk was voor de goedkeuring van zijn beslissingen, door zijn Kanselier. Ik was dan ook blij verrast doch dat duurde niet lang want direct al brengt Fromkin dan een ‘correctie’ aan als hij  verolgt:

 

“But as the Chancellor was appointed by the Kaiser and served at his pleasure, this did not provide much of a check on the monarch’s power”.

 

en daarmede suggereert hij dat Wilhelm de macht had om te doen wat hem goed leek en dat de positie van Rijkskanselier in het Duitse Rijk dé facto die van een slaafs dienaar was die of hij wilde of niet, moest dansen naar de pijpen van zijn monarch.

 

Fromkin- en met hem de meeste Anglosaksische historici- verzuimt dan echter ook maar het geringste bewijs voor die stelling te produceren. Als hij, al was het maar éénmaal, een voorbeeld had genoemd van een geval waarbij de keizer inging tegen de adviezen van zijn kanselier, dan zou hij mogelijk een punt hebben gemaakt maar Fromkin doet dat niet.

 

Inderdaad kon Wilhelm zijn Kanselier ontslaan maar hij deed dat zelden en dan niet zomaar zonder redenen. In het geval van Bismarck had hij een duidelijke zaak. De oude Bismarck stelde zich op als alleenheerser en voerde een politiek die uiteindelijk niet langer houdbaar bleek.  Na Bismarck verschilde Wilhelm wel vaak van mening met zijn kanseliers maar hij ging zelden tegen hun adviezen in. Zo luisterde hij naar het advies van Caprivi die het herverzekeringsverdrag met Rusland niet wilde verlengen, hij luisterde naar von Bülow toen die hem, tegen zijn zin, zijn Marokkopolitiek opdrong, hij luisterde naar von Bethmann Hollweg toen die zich verzette tegen de invoering van de onbeperkte duikbootoorlog en zo zijn er vele voorbeelden te noemen waarin Wilhelm binnen de grenzen van zijn constitutionele plichten bleef al is het volkomen juist dat hij daarbij soms wel trachtte de grenzen daarvan op te zoeken en vooral verbaal nogal eens buiten zijn boekje ging. Maar in  essentiële staatkundige beslissingen hield hij zich meestal nauwgezet aan zijnconstitutionele verplichtingen.

De vier jaar lang durende geallieerde anti-Wilhelm propaganda waarin men hem heeft gedemoniseerd, heeft echter haar uitwerking niet gemist en is van grote invloed geweest op de image van de keizer. Pas de laatste tijd wordt aan die demonisering van Wilhelm hier en daar enig tegenwicht gegeven (bijv, in  het uitstekende boek van Chr.Clark, Kaiser Wilhelm II, Pearson Ed.Ltd,  London 2000, isbn; 0-582-24559-1) en zijn positie en beleid wat meer gerelativeerd.

 

De poging van Fromkin Cs om de staatsrechtelijke verhoudingen in het Duitse Rijk en de positie van de Keizer en zijn Kanselier op uitsluitend negatieve wijze voor het voetlicht te brengen is een veel gebruikte methode die echter meestal niet door de feiten wordt gestaafd en die geen recht doet aan de werkelijkheid.

 

Stelling Fromkin (p.266)

“It has been widely believed for a long time that the political structure of the European world in 1914,in particular an alledgedly overly rigid alliance system, caused the conflict to enlarge and bring in the Great Powers. In retrospect, that seems not to have been true. Italy was bound to Germany and Austria in the Triple Alliance, but nonetheless remained neutral in 1914 and thereafter joined the Allies. Great Britain, on the other hand, had no treaty of alliance with France and Russia but united with them nonetheless. Treaties therefore did not determine which countries decided to fight on which side”.

 

Commentaar:

Een waarlijk onbegrijpelijke stelling die op geen enkele wijze in overeenstemming met de werkelijkheid is.

 

Fromkin gaat voorts geheel voorbij aan het feit dat Gr.Brittannië dan wel geen ondertekend verdrag tot wederzijdse bijstand met Frankrijk had maar wel degelijk een duidelijke afspraak over militaire samenwerking en tot in detail uitgewerkte militaire plannen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Grey, had Engeland moreel reeds lang verplicht tot samenwerking in geval van oorlog. Hij weigerde echter steeds zijn handtekening te zetten omdat hij wist dat zijn mede-ministers een formele alliantie met Frankrijk niet zouden steunen. Engeland had echter wel degelijk de morele verplichting op zich genomen om samen met Frankrijk de oorlog in te gaan en daar is geen enkele twijfel over mogellijk.

Fromkin gaat ook voorbij aan de Britse-Franse marine-afspraak van september 1912 waarbij werd afgesproken dat Engeland haar vloot in de middellandse Zee terugriep en Frankrijk haar Noordzeevloot in de Middellandse Zee stationeerde zodat Engeland haar belofte kon waarmaken in geval van oorlog met Duitsland de Franse Noordzeekust te beschermen. Frankrijk had op 16 juli 1912 ook reeds een marineconventie getekend met Rusland ( Poincaré.R., Les origines de la guerre. Conferences prononcees a la Societé des Conferences en 1921. Churchill.W., The World Crisis (1927) Vol.1,p.111)

Ook gaat hij voorbij aan het feit dat Grey weigerde de door de minister van oorlog, Haldane,gevoerde marinebesprekingen met Duitsland te honoreren omdat hij dat niet in overeenstemming achtte met de met Frankrijk gemaakte afspraken.

Fromkin negeert ook de scherpe nota welke Lord Loreburn, de Lord Chancellor op 14 augustus 1911 aan Grey schreef waarin hij o.a schreef dat hij ontdekt had dat;

 

“Everything had been arranged for the landing of a force of 150.000 man on the French coast, down to the minutest detail of the departure and arrival of the trains and the stations at which they should get refreshments. This had been arranged by members of the imperial Defence Committee”.(Scott diaries)

 

Dat Grey Engeland al had verplicht met Frankrijk in zee te gaan blijkt ook uit de mededeling van de Britse minister-president Asquith die schreef:

 

“France undoubtedly  felt that she could calculate upon our vetoing  any attack by sea upon her coasts and that’s what actually happened. At a critical phase in August 1914, we let the French Government know (without in any way committing ourseves to go to war on the side of France) we should not allow  the German fleet to attack her northern coasts”.

 

Het gaat in het kader van deze boekbespreking te ver om de ontwikkeling van de ententeverhouding tussen Engeland en Frankrijk volledig uit de doeken te doen maar ook- en zeker Fromkin zou moeten weten, dat er dé facto een duidelijke alliantieafspraak was tussen beide landen ook al werd die pas na het uitbreken van de oorlog geformalseerd. Dat wat betreft Engeland en Frankrijk.

 

Over een andere alliantie, die tussen Frankrijk en Rusland, kunnen we kort zijn. Die bestond officieel (Verdrag van 1894) en jaarlijks bereidden de beide generale staven hun militaire samenwerking die zou moeten leiden tot de ‘volledige vernietiging van de Duitse legers’ (notulen Frans-Russische stafbespreking 31 augustus 1911) Niemand, ook Fromkin zelfniet, ontkent het bestaan van deze alliantie.

 

Wat Italië betreft moet worden vastgesteld dat, alhoewel dit land deel uitmaakte van de ‘triple alliance’ het al snel duidelijk werd dat ze een uitermate onbetrouwbare partner was. Dit blijkt niet alleen uit de voortdurende spanningen die er waren tussen Italië en Oostenrijk-Hongarije maar nog duidelijke wordt dit als we constateren dat Frankrijk en Italië reeds in 1902 een zeer geheim verdrag sloten waarbij Italië beloofde neutraal te zullen blijven ingeval Frankrijk in oorlog zou komen, ook als Frankrijk zich gedwongen zou voelen zelf daartoe het initiatief te nemen. (Key-Treaties for the Great Powers 1972, Vol.2, p.735, Brief min.van BtZ van Italië aan M.Barrere, Frans ambassadeur te Rome 1 november 1902 in Doc.Dipl.les accords Franco-Italiens de 1900-1902)

Italië pleegde dus verraad, schond het Triple Alliance verdrag en sloot zich in het geheim min of meer al aan bij Frankrijk in geval van oorlog met Duitsland. Die keuze maakte ze dus al in 1902 en niet pas na het uitbreken van de oorlog. In 1915 besloot ze ook nog daadwerkelijk tot de alliantie toe te treden en haar neutraliteitspolitiek op te geven.

 

Maar ook Gr.Brittannië was weer aan de beurt. Dit land sloot op 31 augustus 1907 een verdrag met Rusland waarbij allerlei geschilpunten werden opgelost. In 1908 bezocht de Britse koning Edwaard VII de Tsaar te Reval waarbij de verhouding tussen beide landen nog inniger werd aangehaald en in augustus 1912 werden ook nog afspraken gemaakt waarbij Engeland beloofde dat in geval van oorlog met Duitsland, de Britse vloot de Oostzeekusten zou gaan beschermen.(Sazonov aan Tsaar, nov.1912, Barnes,p.473)

 

Tenslotte was daar dan natuurlijk nog de alliantie tussen Duitsland,  Oostenrijk-Hongarije en Italië waarvan we weten dat dit laatste land onbetrouwbaar werd geacht en uiteindelijk ook bleek te zijn.

 

In al deze gevallen beloofden de betreffende landen elkaar te steunen indien zo’n  alliantiepartner in oorlog zou komen en was er dus wel degelijk sprake van een stelsel van allianties  waarin de betreffende landen plechtig beloofden elkaar te zullen bijstaan in geval van oorlog. Ook al waren er enkele landen die van paard verwisselden vóór de oorlog uitbrak, ook dan was er weer sprake van een alliantieverdrag, geheim of niet geheim waarin werd vastgelegd “which countries decided to fight on which side”. 

Al deze allianties waren dan wel niet zozeer de oorzaak van het feit dat de oorlog kon ontstaan maar wel dat zo’n oorlog onvermijdelijk werd nadat een der parijen besloten had tot mobilisatie over te gaan en het hele bouwwerk van allianties in werking te stellen. De bewering van Fromkin dat:

 

 

“ an alledgedly overly rigid alliance system, caused the conflict to enlarge and bring in the Great Powers-.maar dat gezien In retrospect, that seems not to have been true”.is in zoverre juist dat dit alliantiestelse dan wel niet de oorzaak was maar wel is het duidelijk dat dit stelsel een Europese- en dus wereldoorlog onvermijdelijk maakte.

 

Stelling Fromkin (p.267)

“The German Government had determined to go to war before Russia mobilized; therfore the German decission could not have been caused by the Russian decission”

 

Commentaar:

Weer een onbegrijpelijk stelling, onbegrijpelijk omdat zelfs Fromkin  die zijn boek in 2004 schreef, nu zo langzamerhand toch zou moeten weten dat het  volslagen onzin is wat hij hier beweert. Onzin omdat alle mobilisatie-data alom bekend zijn en ook de consequenties van zo’n mobilisatie toch eigenlijk door niemand meer worden ontkend. Fromkin zet hier de wereld op z’n kop. Wellicht wordt zijn bewering in Angelsaksiche kringen voor zoete koek geslikt maar hij gaat hier toch wel erg ver.

 

Het begint eentonig te worden. In mijn commentaar op de geschriften van Angelsaksische historici moet ik wel in herhaling vervallen maar het schijnt nu eenmaal een stokpaaddje van hen te zijn om te goochelen met de mobilisatie-problematiek en dan wel zo dat die in het voordeel van hun visie wordt uitgelegd.

Allereerst dan maar de feiten.

 

In de periode vóór 1914 was het onder de naties een bekend axioma dat de grootmacht die het eerst zou mobiliseren, degene was die ook de oorlog ontketende. Mobilisatie was niet zo maar een gebeurtenis, het werd in die tijd beschouwd als een definitieve oorlogsverklaring.
Deze gedachtengang werd nog eens onderschreven door de uitspraak van de Franse generaal Boisdeffre nadat de Russische Tsaar het geheime militaire verdrag met Franktijk had ondertekend. Boisdeffre stelde toen dat:

 

“Mobilisatie is het zelfde als een oorlogsverklaring. Mobiliseert men dan dwingt men de vijand het zelfde te doen. Men kan de vijand niet toestaan 1 miljoen man aan de grenzen te laten mobiliseren zonder dat zelf ook te doen op straffe van de onmogelijkheid zichzelf nog te kunnen verdedigen of het initiatief te nemen. (Doc.Dipl.Francais 1871-1900, vol.9, nr 461, p.672-682).

 

En de Russische generaal Obruchev was nog duidelijker toen hij zijn minister in een memorandum toevoegde:

 

“Succes op het slagveld is afhankelijk van wie het snelst de grootste hoeveelheid manschappen op het slagveld kan brengen. Degene die het eerst de vijand aanvalt maakt de grootste kans op de overwinning. Derhalve kan mobilisatie niet langer gezien worden als een handeling om de vrede te bewaren maar moet ze integendeel worden beschouwd als de meest duidelijke oorlogsdaad. De term mobilisatie moet gezien worden als het begin van de oorlogshandelingen zelf en heeft als gevolg dat zodra tot mobilisatie is besloten, diplomatieke acties uitgesloten worden omdat dit tot vertraging kan leiden hetgeen men zich niet meer kan permitteren.

De minister moet zich dan ook realiseren dat gezien de huidige spanningsvelden in Europa het practisch onmogelijk is een oorlog op het continent nog gelokaliseerd te houden. Zodra een oorlog op het punt van uitbreken staat is er onder politici altijd een tendens waar te nemen om zo’n conflict te lokaliseren en de gevolgen te limiteren maar in de huidige situatie moet Rusland lokalisatie van de oorlog met de uiterste scepsis beoordelen omdat dit de vijand ten voordeel kan zijn” (memorandum gen.Obruchev en brief Min.van oorlog P.S.Vannovski aan minister van BtZ Giers 7/19-05-1892).

 

Mobilisatie betekende dus oorlog en degene die het eerst tot Algemene mobilisatie besloot, besloot tegelijkertijd tot de meest definitieve en beslissende oorlogsdaad. Het ene uur dat Fankrijk eerder dan Duitsland mobiliseerde en volgens Keegan dus geen betekenis zou hebben gehad, was integendeel voor Duitsland de druppel die de ‘’ emmer liet overlopen,  en helemaal niet zo onschuldig als Keegan vergoeielijkend tracht aan te tonen want inmiddels had Rusland al twee dagen eerder het zelfde besluit genomen en men kon van Duitsland moeilijk verwachten zijn lot gelaten af te wachten. Mobilisatie betekende de meest definitieve oorlogsdaad, betekende een oorlogsverklaring en zo vatte Duitsland dat dan ook op.

 

De Nederlandse opperbevelhebber, de generaal Snijders  schreef over dit onderwerp in zijn boek “De mobilisatie bij de Grote Mogendheden in 1914”;

 

“De mobilisatie bij een buurstaat waarmede een ernstige spanning bestaat dwingt tot het onmiddellijk nemen van de zelfde maatregel. Het gevaar te worden aangevallen terwijl de eigen strategische opmars nog niet is voltooid moet op straffe van een bijna zekere nederlaag worden ontgaan. Algemeen heeft het denkbeeld gegolden dat  als de regering van een grote mogendheid de mobilisatie afkondigt, dit ‘oorlog’betekent”.

 

Het is dus duidelijk. De Grootmacht  die als eerste de algemene mobilisatie uitriep, de meest definitieve oorlogsdaad volgens de Russische generaal Obruchev en gelijkstaand aan een oorlogsverklaring volgens de Franse generaal Boisdeffre, die Grootmacht zette het hele stelsel van allianties in werking en verklaarde de oorlog aan zijn tegenstander(s)

 

Welnu, die grootmacht was Rusland en niemand anders!

De volgorde van de mobilisatietijden der Grootmachten laat daarover geen twijfel bestaan:

 

Rusland; Alg.Mobilisatie tegen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije:     30 juni          18.00 uur

Oostenrijk:                      31 juni          12.30 uur

Frankrijk  :                        1 Augustus 15.30 uur

Duitsland :                        1 Augustus 17.00 uur

Engeland :                        4 Augustus 11.00 uur.

 

Rusland mobiliseerde dus als eerste, vóór Oostenrijk-Hongrije en vóór Duitsland en ook Frankrijk mobiliseerde nog vóór Duitsland.

Men kon moeilijk verwachten dat Duitsland, gezien de situatie, rustig zou afwachten tot ze zou worden aangevallen en dat heeft ze dan ook niet gedaan.

 

Fromkin tracht dit feit nu te ondervangen door te beweren dat;

 

“The German Government had determined to go to war before Russia mobilized “.

 

Een onzinnig argument want niet alleen verzuimt Fromkin gemakshalve ook maar het geringste bewijs voor deze bewering te produceren, hij beweert het gewoon, maar zelfs als het zo zou zijn geweest dat Duitsland zo’n beslissing zou hebben genomen, dan nog was het Rusland dat de openingszet deed en daardoor elke mogelijkheid om de beweerde Duitse beslissing nog te doen uitstellen de pas af te snijden.

 

Natuurlijk, de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog waren divers en complex maar het was de Russische algemene mobilisatie die hem deed ontbranden .

Fromkin beweert nu wel (p.268) dat als Rusland niet had gemobiliseerd, Duitsland dan toch Rusland zou hebben aangevallen maar wederom geeft hij daarvoor geen greintje bewijs,  Hij maakt het echter nog bonter als hij stelt dat:

 

“If , as the evidence now shows, the German Government deliberately forced a war on Russia, France and Belgium and began it by launching an unprovoked attack….. 

 

Dan klinkt dat overtuigend ware het niet dat Fromkin ook hier weer verzuimt dat “evidence” dan even naar voren te brengen. Dat doet hij echter niet en dat is ook logisch want zulk bewijs is er eenvoudig niet en als het allemaal zo simpel was dan was elke discussie verder ook volstrekt overbodig.

 

Maar toch verrast Fromkin dan weer met zijn opmerking:

  

“does it mean that Germany and Austria should have been convicted of war guilt?”

 

En hij gaat dan verder met de opvallende mededeling:

 

“No,not in the world of 1914”.

 

De verklaring die hij hiervoor geeft is nog niet eens zo gek waar hij stelt dat

 

“War, until the Great War, was a normal and usual international activity, it was considered, for example by Theodor Roosevelt, as healthy and desirable (p.268).”

 

En we moeten dan maar aannemen dat omdat Roosevelt dat zo vond, het ook zo was?

 

Fromkin heeft ook hier de klok horen luiden maar de klepel niet kunnen vinden. Als hij gezegd had dat het internationale recht uit die tijd oorlog nog niet in alle gevallen veroordeelde dan had hij een beter argument in handen gehad ware het niet dat zulk recht toch al wel  aan voorwaarden onderhevig was, dat er al een Haagse Conventie en een verdrag van Londen was en regels waaraan elk land zich ook toen al te houden had

 

In zijn laatste hoofdstukken doet Fromkin dan toch een poging om de zaken te relativeren en daarmee onderscheidt hij zich van veel andere Angelsakische historici.

Fromkin doet aan het eind van zijn boek een loffelijke poging om via een wat theoretische ‘what-if’ benadering een verklaring te vinden voor de schuldvraag maar de argumenten die hij daarvoor gebruikt zijn niet overal echt overtuigend.

Conclusie: ‘Europe’s Last Summer’ is in sommige opzichten een interessant boek waarin de auteur een poging doet om een ‘ander geluid” te laten horen dan  veel van zijn Angelsaksische mede auteurs. Helaas moet gezegd worden dat hij daarin niet echt geslaagd is omdat veel van zijn beweringen niet kloppen. Een storend element is daarbij  nog dat hij in veel gevallen stellingen poneert zonder zich te bekommeren om de onderbouwing daarvan en zonder voor een dekkende bewijsvoering te zorgen.

overzicht: