Einer nur ist Herr in Reich Keinen Ander dulde ich

De politieke positie van keizer Wilhelm II in het Duitse keizerrijk, 1888-1918.

Door: dr. A. Beening

Inleiding

Op 10 november 1918, om zeven uur ‘s morgens, arriveerden vanuit het keizerlijke hoofdkwartier in Spa twee met modder besmeurde auto’s bij het Limburgse Eysden. In een van die auto’s bevond zich de Duitse keizer Wilhelm II, die asiel aanvroeg in Nederland. Na enkele uren wachten, inmiddels was vanuit België ook de keizerlijke trein gearriveerd, kon het gezelschap per trein naar Utrecht reizen. Op de stations werd de keizer uitgescholden en uitgefloten door de bevolking, maar de regering besloot de keizer asiel te geven en voorlopig onder te brengen op het kasteel Amerongen van de familie Bentinck. In 1919 zou Wilhelm het Kasteel Huis Doorn kopen. Daar zou hij in mei 1920 intrekken en de rest van zijn leven slijten.

Er is altijd over gespeculeerd dat Wilhelmina op de hoogte was van de plannen en nauw betrokken was bij de vlucht. Daarbij wijst men onder meer op de aanwezigheid van generaal Van Heutz in het keizerlijke hoofdkwartier in Spa in die cruciale dagen voorafgaand aan de vlucht. Van Heutz was een vertrouweling van de koningin. De koningin heeft elke betrokkenheid in haar autobiografie ontkend en haar biograaf Fasseur gelooft haar op dit punt, maar moet toegeven dat belangrijke documenten over deze kwestie zijn vernietigd in mei 1940, voorafgaand aan de vlucht van Wilhelmina naar Londen. Bovendien was Wilhelmina toen zij haar autobiografie schreef inmiddels fel anti-Duits en anti-Wilhelm II, zodat het niet zeker niet denkbeeldig is dat zij zich niet meer wenste te herinneren dat zij in een eerder stadium haar nek had uitgestoken voor de Duitse keizer. Maar het blijft speculatie en hoogstwaarschijnlijk zal die laatste grotere reis van de keizer altijd met enige geheimzinnigheid omkleed blijven.

De man die dertig jaar voortdurend in de schijnwerpers had gestaan en die bekend was als de ‘Reisekaiser’ zou vanaf zijn aankomst in Amerongen nauwelijks nog in de openbaarheid treden en zelden zijn huis verlaten. Ruim twintig jaar zou hij het bestaan van een landedelman in ruste leiden. Ter introductie zullen we de aandacht richten op die periode dat hij wel in het middelpunt van de belangstelling stond: het tijdvak 1888-1918.

Suprema Lex Regis Voluntas

Dat is niet zonder belang, want veel mensen beschouwden de Duitse keizer Wilhelm II toentertijd als de machtigste man ter wereld. Dat gold niet in het minst voor Wilhelm II zelf. De Hohenzollern hadden, zo betoogde hij publiekelijk, hun troon van god gekregen en waren dus ook alleen aan god verantwoording schuldig. Suprema lex regis voluntas, de wil van de vorst is de hoogste wet, schreef hij bij gelegenheid van zijn bezoek aan Munchen in het gastenboek van het raadhuis. Je vraagt je af wat de Beierse vorsten, de Wittelbachers, daarvan gedacht hebben.

Zijn omgeving versterkte hem voortdurend in het idee dat hij het op alle terreinen voor het zeggen had. Een klein incident moge dat verduidelijken. Bij een bezoek aan de vloot in Kiel ontwaarde de keizer een aantal semafoors op een stortplaats. Hij herinnerde zich dat hij betrokken was bij de introductie, maar dat hij ze recent niet meer had gezien aan boord van de schepen. Tijdens het diner aan boord kwam hij erop terug. Zijn admiraals probeerden hem uit te leggen dat er inmiddels betere communicatiemiddelen waren, maar de keizer was ontstemd en beval herintroductie. Na het eten liepen de admiraals geagiteerd over het dek en overlegden hoe ze de keizer nog van mening konden doen veranderen. Toen Wilhelm dat opmerkte riep hij luid: ‘worden mijn bevelen nog gehoorzaamd in de marine of niet?’ Diezelfde avond nog werd gerapporteerd dat de semafoors weer waren geïnstalleerd aan boord van alle schepen van de vloot.

Ook de Duitse bevolking dichtte hun keizer veel macht toe. De schrijver-politicus Friedrich Naumann noemde Wilhelm II in zijn boek Demokratie und Kaisertum (1900) een keizerlijk dictator en vergeleek hem zonder schroom met Napoleon en Ceasar. Ik citeer Naumann:

‘Wanneer je in een coupé zit en op het naast jou liggende spoor raast de keizerlijke trein voorbij, dan denk je aan Wodan en zijn leger, maar het is geen mythisch spook, maar werkelijkheid: daar rijdt de moderne centrale persoonlijkheid.’

En Naumann was geen reactionaire monarchist, maar een van de meest begaafde links-liberale publicisten van het keizerrijk.

En als de Duitsers al zo tegen hun vorst aankeken, dan is het niet te verwonderen dat men ook in het buitenland van mening was dat Wilhelm II de macht had. Stefan Zweig beschreef in zijn autobiografie een scène in een Franse bioscoop in de provincie aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens het bioscoopjournaal toonde het publiek geen interesse totdat beelden van de Duitse keizer werden getoond. Het publiek barstte uit in boegeroep en gefluit, want de keizer was het symbool van Duitse macht. Je zou kunnen zegen dat hij de George Bush jr. van zijn tijdvak was. Tijdens de oorlog werd de keizer door de geallieerde propaganda afgeschilderd als de schender van de Belgische neutraliteit en de initiatiefnemer van de duikbotenoorlog. Dat culmineerde in het Verdrag van Versailles waarbij in artikel 227 werd gesteld dat de keizer verantwoordelijk was ‘voor vergrijpen tegen internationale gedragscodes en het schenden van verdragen’. Daarom moest de keizer voor een internationaal tribunaal verschijnen. Vanuit historisch oogpunt is het jammer dat het nooit tot dit proces is gekomen, maar de intentie om dit te doen laat zien dat de geallieerden Wilhelm II persoonlijk verantwoordelijk achtten voor de Duitse politiek.

Onbeduidend Figuur

Maar na de roemloze vlucht van de keizer begon de ster van Wilhelm II snel te verbleken. De meeste historici beschouwen de keizer vandaag als een onbeduidende figuur: afhankelijk van raadgevers, impulsief, oppervlakkig en incompetent. In dit artikel zal ik reconstrueren hoe het oordeel over de keizer in de 20e eeuw radicaal is veranderd. Vervolgens zal ik de politieke positie van de keizer schetsen, omdat dat naar mijn mening de sleutel is tot beter begrip voor de rol van de keizer in de Duitse en de Europese politiek aan het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw.

Laat ik eerst beginnen met dat oordeel. Feitelijk begon de neergang van de laatste Duitse keizer al voor de Eerste Wereldoorlog. De Daily Telegraph affaire van 1908 vormde een belangrijke breuk. Het interview met het Britse dagblad de Daily Telegraph was feitelijk niets anders dan een nogal onbeholpen poging van de keizer middels een interview met een Britse krant de relatie met Groot-Brittannië‘ te verbeteren. Maar door de weinig diplomatieke toon bewees hij de zaak geen goede dienst. Het interview maakte in Duitsland en Groot-Brittannië‘ een stortvloed van kritiek los. De keizer trok zich deze kritiek aan en trok zich meer en meer terug in zijn militaire entourage. Hij trad steeds minder naar buiten en leek de verantwoordelijkheid moe. Die tendens zette zich voort tijdens de Eerste Wereldoorlog. Juist toen hij als staatshoofd en opperbevelhebber een leidende en inspirerende rol had moeten spelen liet de keizer het afweten. Zijn bezoeken aan het front, aan hospitalen met gewonde soldaten en in fabrieken maakten een plichtmatige en ongeïnspireerde indruk. Het aureool van militaire leiders dat de Hohenzollern traditioneel had omringd verbleekte. Toen de keizer in november 1918 naar Nederland vluchtte reageerde het Duitse volk koel. Alhoewel veel Duitsers monarchist bleven, was het enthousiasme voor de laatste keizer beperkt. De aanhangers van de monarchie vestigden de hoop op de oudste zoon van de keizer: kroonprins Wilhelm.

Tijdens het interbellum begon een ware stortvloed van autobiografieën van verantwoordelijke Duitse politici, diplomaten en ambtenaren te verschijnen. Al deze mensen hadden natuurlijk de neiging zichzelf te rechtvaardigen en de verantwoordelijkheid voor fouten waar mogelijk bij anderen neer te leggen, maar zelfs als men dat in het achterhoofd houdt, dan blijft het opvallend hoe eensgezind hard de kritiek was op de laatste keizer. Ronduit vernietigend waren de aantekeningen van graaf Robert von Zedlitz-Trytzschler die in 1924 verschenen. Zedlitz-Trytzschler, die van 1903 tot 1910 hofmaarschalk was geweest, beschreef de keizer als een man die niet in staat was om te luisteren, bekrompen, voortdurend indiscreet en lomp tegen zijn ondergeschikten. Deze stroom van publicaties, die tot heel recent is doorgegaan, is bijna eindeloos uit te breiden:

Bernhard von Bulow, Denkwurdigkeiten (1931) (Rijkskanselier)

Friedrich von Holstein, Korrespondenz (1956-1963) (Hoge ambtenaar AA)

Admiral Georg Alexander von Muller, Aufzeichnungen (1965) (Adviseur)

Sigurd von Ilsemann, Amerongen und Doorn (1967) (Adjudant tijdens ballingschap)

Philipp zu Eulenburg, Korrespondenz (1976-1983) (Persoonlijke vriend)

Eind jaren zestig stond voor de historici vast dat de keizer onbekwaam en onverantwoordelijk was geweest. Maar daarmee was feitelijk nog niets gezegd over zijn betekenis. Want de geschiedenis is vol van onbekwame en onverantwoordelijke personen die een grote invloed hebben gehad op de gebeurtenissen en die rampen hebben veroorzaakt. Maar ook dat laatste werd in toenemende mate betwijfeld. De jaren zestig en zeventig waren jaren waarin historici steeds meer aandacht kregen voor structuren en steeds minder voor individuen. In het geval van het keizerrijk ging de aandacht steeds meer uit naar industrialisatie, imperialisme, nationalisme, militarisme en de mechanismen die werkzaam waren in het internationale statensysteem. De keizer was hooguit nog een interessant symptoom maar niet meer de bepalende figuur. De uitzondering is de Engelse historicus John Rohl die met encyclopedische kennis en grote hardnekkigheid blijft betogen dat de keizer als persoon wel degelijk van doorslaggevende betekenis was, maar zijn boeken worden met evenveel hardnekkigheid bestreden door de Duitse historicus Wolfgang Mommsen die blijft betogen dat Wilhelm II een representant was van een systeem en niet de bepalende factor.

Structuur van het Keizerrijk

Laten we, om enige helderheid te kunnen brengen in deze controverse, de aandacht richten op de uiterst complexe constitutionele structuur van het keizerrijk. Ik vrees dat het nu wat technisch en saai wordt, maar aan het eind van de tunnel lonkt inzicht. Dus even op de tanden bijten.

Laten we aan de basis van het schema beginnen. De Duitse bevolking (verdeeld in arbeidersklasse (rood), burgerij (geel) en agrarische bevolking (inclusief adel) (blauw)) had drie manieren om uiting te geven aan zijn politieke wensen. In de eerste plaats kon men lid worden van een van de vele belangen- of pressiegroepen. Op de tweede plaats kon men stemmen voor de Rijksdag en tenslotte kon men ook nog stemmen voor de volksvertegenwoordiging van de deelstaat waarin men woonde. Drie mogelijkheden om uiting te geven aan zijn politieke wensen lijkt indrukwekkend, maar dat was in de praktijk geen versterking van de democratie. In de praktijk gaf dat de politieke elite de mogelijkheid de verschillende groepen tegen elkaar uit te spelen. Terzijde: de misvatting dat een heel scala van vertegenwoordigende lichamen en inspraakmogelijkheden automatisch de democratie versterkt bestaat helaas tot op de dag van vandaag.

Het keizerrijk had goed georganiseerde belangen- en pressiegroepen. De sociaal-democratische vakbond had in 1913 al 2,5 miljoen leden en de Bund der Landwirte 350.000 leden. Een typisch fenomeen van die tijd waren de nationalistische pressiegroepen, waarvan meer dan ½ miljoen mensen lid waren. Via de pers, verkiezingen en rechtstreekse contacten met de regering probeerden zij de regering onder druk te zetten om nog meer geld uit te geven voor bewapening of om een nog imperialistischer koers te gaan varen.

De Rijksdag was het Duitse parlement. Deze Rijksdag heeft een slechte reputatie, maar was beslist geen machteloos instituut. Het had allereerst samen met de Bondsraad (daar komen we later op terug) de wetgevende macht en bovendien moest de Rijksdag het budget van de regering en alle wetten goedkeuren. Op een cruciaal punt was de macht van de Rijksdag echter ingeperkt. De Rijksdag had niet de mogelijkheid de Duitse regering weg te sturen. De Duitse regering werd benoemd en ontslagen door de keizer en was ook aan deze politiek verantwoording schuldig.

De Duitse bevolking kon tenslotte kiezen voor de parlementen van de 25 deelstaten van het keizerrijk. De deelstaten van het keizerrijk waren nog machtiger dan de huidige deelstaten van de Bondsrepubliek Duitsland en hadden bijvoorbeeld bevoegdheden op het gebied van de landstrijdkrachten, politie en justitie, onderwijs, verkeer en infrastructuur. De belangrijkste deelstaat was Pruisen met meer dan 60% van het totale oppervlakte van het keizerrijk en meer dan 60% van de Duitse bevolking. Het belangrijkste industriegebied van Duitsland, het Roergebied, lag in Pruisen. De volksvertegenwoordiging van Pruisen was het Pruisische Huis van Afgevaardigden. Dit had ongeveer dezelfde bevoegdheden als de Rijksdag, maar werd anders gekozen. Het Pruisische Huis van Afgevaardigden werd gekozen door het Drieklassenkiesrecht. Dat was een censuskiesrecht, waardoor de mannen in de hoogste belastingcategorieën, ongeveer 4% van de bevolking, eenderde van de afgevaardigden konden kiezen en de mannen in de middelste belastingcategorieën, ongeveer 16% van de bevolking, ook eenderde van de afgevaardigden kozen. Het gevolg was dat het Pruisische Huis van Afgevaardigden werd gedomineerd door de conservatieve partij. (Let op de kleuren) Tot 1912 had deze partij zelfs een absolute meerderheid. Maar dat betekende niet alleen conservatieve politiek in Pruisen, maar bovendien dat Pruisen conservatieve afgevaardigden stuurde naar de Bondsraad.

Deze Bondsraad met 58 leden fungeerde als een soort Hogerhuis of Eerste Kamer. Het had in theorie wetgevende bevoegdheid, maar in de praktijk had de Rijksdag hier het initiatief naar zich toegetrokken en beperkte de werkzaamheden van de Bondsraad zich tot het controleren van de wetgevende arbeid van de Rijksdag. Maar op dat punt was de positie van de Bondsraad zeer belangrijk want men had een vetorecht en kon dus alle wetgevende arbeid van de Rijksdag teniet doen. Het Pruisische contingent afgevaardigden in de Bondsraad telde 17 afgevaardigden en dat was gezien de omvang van Pruisen eigenlijk niet veel, maar het was voldoende om alle grondwetswijzigingen te blokkeren. Door deze constructie hadden de Pruisische conservatieven de sleutel voor alle politieke hervormingen in handen en dat was een machtspositie die in geen verhouding stond tot hun aantal. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog stemde nog slechts 1/7 van de Duitse en ook de Pruisische kiezers op de conservatieve partijen.

Die conservatieve positie werd nog sterker wanneer we naar het volgende niveau gaan kijken, namelijk het niveau van de uitvoerende macht. In de praktijk waren de Pruisische en de Duitse regering volledig vervlochten. De Pruisische Minister-president was tevens Rijkskanselier, de staatssecretarissen van het Rijk kregen ook de functie van Pruisisch minister zonder Portefeuille. Ook op het ambtelijk niveau waren Pruisen en het Rijk volledig vervlochten. Pruisische ministers hadden zich ontwikkeld tot rijksministeries of zelfs een dubbele functie als Duits en Pruisisch ministerie. De Pruisisch-Duitse regering had een merkwaardige positie. Voor wat betreft budgetten en wetgeving waren ze afhankelijk van de Rijksdag en het Pruisische Huis van Afgevaardigden, maar politiek waren ze afhankelijk van het staatshoofd: dat wil zeggen dat Wilhelm II de rijkskanselier en de Pruisische ministers kon benoemen, hen kon ontbieden en ter verantwoording kon roepen en als het hem niet beviel kon hij ze ontslaan.

Ook bij het staatshoofd zien we dezelfde verstrengeling van Pruisen en het Keizerrijk. Wilhelm II was koning van Pruisen en keizer van Duitsland. Als staatshoofd ondertekende hij alle wetgeving, benoemde op voordracht van zijn eigen adviseurs hoge ambtenaren en diplomaten, bracht staatsbezoeken en ontving buitenlandse gasten, hield redevoeringen en gaf interviews, onderhield een privé-correspondentie met andere vorsten in Europa, ontsloeg en benoemde de rijkskanselier en de Pruisische ministers en was opperbevelhebber van de sterkste strijdkrachten ter wereld.

Met name die laatste positie verdient nog enige toelichting. Wilhelm II benoemde alle hoge officieren waaronder de chef van de generale staf. (Alfred von Schlieffen, Kuno von Moltke jr.) De keizer drukte de benoeming van Alfred von Tirpitz als staatssecretaris van Marine erdoor en geld daardoor terecht als de drijvende kracht achter de Duitse vloot. Aangezien de budgetten voor meerdere jaren vastlagen, had de politiek weinig greep op de strijdkrachten. Ook waren de politici niet geïnformeerd over de oorlogsscenario’s van de strijdkrachten. Zo was het beroemde Schlieffenplan slechts in zeer summiere lijnen bekend aan de politici, wat heeft bijgedragen tot de catastrofe van 1914.

De Duitse grondwet van 1871 was een hybride constructie: deels conservatief met deels moderne elementen zoals het algemeen mannelijk kiesrecht. In een aantal opzichten was deze grondwet vergelijkbaar met grondwetten uit het begin van de 19e eeuw zoals bijvoorbeeld de Nederlandse grondwetten van 1813 en 1815. Dan zou je de keizer dus kunnen vergelijken met koning Willem I. Maar anderzijds vulde Wilhelm, met zijn voortdurende aanwezigheid in het openbare debat, dat heel anders in dan de autoritaire koning-koopman. Dat populistische en moderne politieke element lijkt meer op zijn tijdgenoot Napoleon III van Frankrijk. Wilhelm was zeker niet vergelijkbaar met de Russische tsaren van voor 1905. Dat waren autocraten (zelfheersers) die zonder parlement en zonder grondwet regeerden. Het keizerrijk was een rechtsstaat met een volksvertegenwoordiging die je serieus moest nemen. Wanneer je de keizer zou willen vergelijken met hedendaagse politieke leiders dan moet men bijvoorbeeld denken aan de Amerikaanse of Franse president. Deze vergelijking gaat natuurlijk op een cruciaal punt mank, want de macht van de Amerikaanse en Franse president wordt gelegitimeerd door het volk (verkiezingen) maar wat betreft de reikwijdte en de beperkingen van de macht is deze vergelijking op veel punten verhelderend.

De constitutionele structuur biedt de voorwaarden, waarin de politiek kan opereren. Hoe men dat praktisch uitwerkt is afhankelijk van de ambities en de capaciteiten van de betrokkenen. Keizer Wilhelm I had dezelfde constitutionele positie als zijn kleinzoon, maar hij liet de dagelijkse politieke leiding over aan zijn rijkskanselier Bismarck. Wilhelm II was niet tevreden met zo’n bescheiden positie en ontsloeg Bismarck in 1890. Wilhelm II gebruikte al de bevoegdheden die de grondwet hem gaf en slaagde er zelfs in zijn bevoegdheden nog verder uit te breiden. Zo ging hij zich bemoeien met het benoemen van staatssecretarissen alhoewel dat formeel binnen de competentie van de rijkskanselier viel. Ook correspondeerde hij met andere vorsten in Europa. Aanvankelijk nam hij niet eens de moeite om het ministerie van Buitenlandse Zaken op de hoogte te stellen van deze brieven. Hij beschouwde de brieven aan zijn grootmoeder (koningin Victoria) of zijn neef (tsaar Nicolaas II) als een privé-correspondentie, alhoewel hij daarin wel degelijk politieke onderwerpen aansneed. Maar misschien wel de belangrijkste methode om de politiek te beïnvloeden waren zijn talloze toespraken. Ook bij deze toespraken had hij vaak de gewoonte de inhoud niet af te stemmen met de regering, zodat de regering regelmatig werd geconfronteerd met verrassende politieke stellingnames, die onvermijdelijk tot politieke feiten werden. (Men zou dat kunnen vergelijken met de manier waarop Bolkestein of Fortuyn buiten gevestigde kanalen om het publieke debat en vervolgens de politieke agenda bepaalden.)

Wat dreef daarbij Wilhelm II? Welke doelen streefde hij na? Historici vinden Wilhelm II ambigu. Enerzijds hield hij star vast aan conservatieve tradities, maar anderzijds zette hij zich met grote ijver in voor de modernisering van Duitsland. Maar deze schijnbare paradox laat zich makkelijk oplossen. Alle conservatieve gedragingen van de keizer zijn bij nadere beschouwing ingegeven door de wens om zijn machtspositie te behouden. En al zijn ijveren voor modernisering had als doel de internationale machtspositie van Duitsland te versterken. Dat was noodzakelijk om van Duitsland een Weltmacht te maken. En Duitsland diende een Weltmacht te worden, want het alternatief was een geleidelijk wegzakken naar de positie van een tweederangs mogendheid op het Europese continent. Weltmacht oder Niedergang in de woorden van Tirpitz, Hammer oder Ambuss aldus Bulow in de Rijksdag. Dat laatste was een citaat uit het Koptische lied van Goethe dat als volgt luidt:

Du musst steigen oder sinken
Du musst herrschen und gewinnen
Oder dienen und verlieren
Leiden oder triumphieren
Ambuss oder Hammer sein

Dat was de reden dat de keizer bij voortduring bleef hameren op de bouw van kanalen, de uitbreiding van de overzeese handel, de expansie van de industrie en de noodzaak van de bouw van een grote slagvloot. Naar mijn mening is het optreden van de keizer dus heel consistent en bestond uit twee elementen: behoud van zijn eigen machtspositie en machtsexpansie voor Duitsland. Wanneer je bovendien aanneemt dat de nogal egocentrische Wilhelm II het Duitse belang en zijn eigen belang vaak gelijkstelde dan is de politiek van de keizer zelfs te herleiden tot één motief: meer armslag voor de keizer. (Ik realiseer me dat dat in dit verband misschien wat vreemde beeldspraak is.)

Belang van het Optreden van de Keizer

Is de politiek van het keizerrijk wezenlijk beïnvloed door de keizer? Tenslotte zou ook zonder Wilhelm II het Duitse keizerrijk een grote mogendheid zijn geweest met sterke strijdkrachten en een sterke en dynamische economie. Desondanks is het optreden van de keizer in twee opzichten van belang geweest.

In de allereerste plaats beïnvloedde de keizer het tempo van de moderniseringen. Bismarck had getracht de belangen van de landbouw te verdedigen tegen de opkomende industrie en de handel. Hij had een protectionistische politiek gevoerd, spoorwegtarieven geïntroduceerd die de landbouw moesten beschermen tegen buitenlandse concurrentie en slechts mondjesmaat geïnvesteerd in koloniën. Wilhelm II daarentegen zorgde voor meer liberale handelsverdragen met lagere importheffingen, ijverde voor subsidies aan scheepvaartlijnen, stimuleerde de bouw van kanalen, bepleitte voortdurend de bouw van een grote slagvloot en wilde koloniale expansie. Na een periode van trage economische groei beleefde de Europese economie vanaf 1895 een ongekende bloeiperiode van bijna 20 jaar en Duitsland fungeerde daarbij als de motor van de Europese economie.

In de tweede plaats heeft Wilhelm II invloed gehad op de richting van de modernisering en expansie van Duitsland. De keizer had een sterke belangstelling voor alles wat te maken had met de zee. Dat had hoogstwaarschijnlijk te maken met zijn complexe haat-liefde verhouding met Groot-Brittannië‘. De keizer wilde Groot-Brittannië‘ navolgen en wellicht zelfs in de schaduw stellen. Het is mogelijk tegen te werpen dat Alfred von Tirpitz, de staatssecretaris van Marine, de werkelijke architect was van de vloot. Tirpitz organiseerde met behulp van de Nachrichtenabteilung en de Flottenverein de omvangrijke propaganda die de vloot populair maakte en de rijksdag deed instemmen met de bouwplannen. Tirpitz werkte het bouwprogramma uit en het daaraan ten grondslag liggende strategische concept. De keizer had slechts vage noties: hij heeft het strategische concept van de grote slagvloot nooit doorgrond en de politieke implicaties waarschijnlijk niet eens doordacht. Deze kritiek is echter niet ter zake, omdat het gezien de positie van de keizer ook helemaal zijn taak niet was om de details van de marinepolitiek uit te werken. Wat van belang is, is dat Wilhelm in 1897 Tirpitz heeft benoemd met de uitdrukkelijke opdracht voor Duitsland een grote vloot te bouwen. Tirpitz heeft dat gedaan en daarbij altijd kunnen rekenen op de ruggesteun van de keizer. Dat was de cruciale bijdrage van de keizer.

Gedoemd Systeem?

De laatste vraag die ik in dit artikel aan de orde wil stellen is of het systeem wat ik hier heb behandeld niet gedoemd was om te verdwijnen? Dat is een opvatting die vaak in de literatuur is te vinden. Het keizerrijk zou een anachronisme zijn geweest: een verouderde politieke structuur voor een moderne staat. Om die vraag te beantwoorden wil ik iets nader ingaan op de laatste tien jaar van het keizerrijk. Ik heb al aan het begin van deze lezing al gezegd dat het aureool van de keizer al vanaf 1908 aan het verbleken was. De keizer trok zich steeds meer terug en dacht verschillende keren aan aftreden. Wilhelm II verviel tot passiviteit en was met moeite te bewegen om zijn verplichtingen na te komen. Juist deze periode biedt een uitstekende gelegenheid om het regeringssysteem te analyseren. Met het terugtrekken van de keizer leek de kans gekomen voor de rijksdag en/of de regering om de macht naar zicht toe te trekken. Is dat nu ook gebeurd?

Er was steeds de roep om hervormingen. Er was agitatie voor kiesrechthervormingen, een grote zege voor de SPD bij de Rijksdagverkiezingen van 1912 en druk vanuit de Rijksdag leidde tot het ontslag van rijkskanselier Bulow in 1909. Maar het resultaat van al deze onrust was nihil. Er volgde geen constitutionele hervormingen. Bovendien bleek dat de regering niet bij machte was om politieke controle te krijgen over de strijdkrachten. Zo wilde de regering van rijkskanselier Bethmann Hollweg weliswaar het leger versterken, omdat de internationale situatie zeer gespannen was, maar Bethmann Hollweg had tegelijk graag het bouwtempo van de slagvloot willen temporiseren om zo de relatie met Groot-Brittannië‘ te verbeteren. Maar de keizer en de marine bleven vasthouden aan de verdere expansie van de vloot. Bethmann Hollweg kreeg op dit punt niet zijn zin. Ook bij de Zabern-affaire van 1913 zien we hetzelfde patroon. Er was veel politiek tumult over het feit dat het leger bij onrusten eigenmachtig burgers had gearresteerd in het stadje Zabern in de Elzas, maar toen de keizer het leger steunde, bleek de Rijksdag onmachtig om politieke consequenties te verbinden aan het ongrondwettige optreden van het leger. Juist in deze jaren bleek dat de keizer een cruciale figuur was in het regeringssysteem. Het was onmogelijk om beleid te maken dat tegen zijn opvattingen indruiste.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verergerde de crisis in de top. Maar nu zou het het leger zijn dat het machtsvacuüm vulde. Erich Ludendorff en Paul van Hindenburg trokken vanaf de zomer van 1916 de macht naar zich toe. De belofte van de Rijkskanselier dat het Pruisische kiesstelsel in de toekomst zou worden herzien en de Vredesresolutie van de Rijksdag van 1917 werden in de praktijk door de legerleiding genegeerd. Zelfs vier jaar oorlog met aan Duitse zijde ruim 1.8 miljoen doden, toenemende ontberingen voor de bevolking en een bijna totaal apathische keizer hebben slechts de machtsverhoudingen, maar niet de politieke structuur gewijzigd. Die was formeel nog steeds ongewijzigd in de herfst van 1918. Pas toen de Duitse legerleiding in september 1918 inzag dat een nederlaag onafwendbaar was hebben zij de parlementarisering min of meer afgedwongen. Enkele weken later, toen er overal revolutionaire onlusten waren in Duitsland, was het opnieuw de legerleiding die de keizer tot troonsafstand dwong en tot vlucht bewoog. De keizer verzette zich niet tegen de argumenten van zijn officieren en reisde naar Nederland.

Zonder die uitzonderlijke omstandigheden is het zeer twijfelachtig of Duitsland op korte termijn een parlementaire staat of een republiek zou zijn geworden. En dat mag eigenlijk geen verwondering verwekken. Duitsland was tot 1914 een van de meest stabiele en welvarende landen van Europa. Het is achteraf makkelijk zeggen dat die stabiliteit schijn was en dat er in werkelijkheid sprake was van een dieper liggende crisis. Is dat geen wijsheid achteraf? Rusland had in 1905 een revolutie beleefd, Oostenrijk-Hongarije werd door velen beschouwd als een staat in ontbinding, Groot-Brittannië‘ worstelde met de Ierse kwestie en sociale onrust en Frankrijk kende het ene politieke schandaal na het andere. Voor veel tijdgenoten leek Duitsland een voorbeeld van economische voorspoed en politieke stabiliteit?

Maar hoeveel grote autoritaire keizerrijken zijn er niet verdwenen in de beide eerste decennia van de 20e eeuw? Het Osmaanse Rijk (1909), het Chinese keizerrijk (1911), Rusland (1917) en Oostenrijk-Hongarije en Duitsland (1918). Is dat geen teken dat het tijdvak van de grote autoritaire monarchieën ten einde liep. Ik betwijfel dat want alle staten in dit rijtje waren halfagrarische multinationale imperia die door de meeste tijdgenoten reeds als onstabiel werden beschouwd. Duitsland, als geïndustrialiseerde nationale staat, past eigenlijk niet in dat rijtje. Het lijkt veel meer op het enige autoritaire keizerrijk dat niet in deze serie revoluties ten onder ging, namelijk het keizerrijk Japan dat tot 1945 zijn autoritaire karakter zou behouden.

Tot Slot

Ik kom tot mijn slotopmerkingen. Wilhelm II is van groot belang geweest voor de Duitse geschiedenis. Door zijn optreden is de economische expansie van Duitsland versneld en ging het keizerrijk een maritieme en imperialistische koers varen, de zogenoemde Weltpolitik. Willem II heeft daardoor bijgedragen aan de oplopende internationale spanningen vanaf de eeuwwisseling. Maar Wilhelm II is niet van belang omdat hij een buitengewoon bekwaam vorst zou zijn geweest. Integendeel, de kritiek die op de persoon van de keizer is geuit, is volkomen terecht. Wilhelm II was van betekenis door de politieke en constitutionele structuur waarin hij opereerde. Die structuur, ook wel het monarchale constitutionalisme genoemd, gaf de keizer grote invloed. Deze politieke structuur is in de recente geschiedschrijving nogal eens verwaarloosd, omdat de aandacht zich richt op de economische en sociale ontwikkelingen of op de persoonlijke kwaliteiten van de keizer. De politieke structuren worden slechts als een afgeleide of een voorwaarde gezien. Vanuit de sociaal-economische structuur geredeneerd lijkt de politieke structuur van het keizerrijk hopeloos verouderd en weinig bestendig. Maar het keizerrijk was in 1914 geen anachronisme, maar een staat die ondanks een weinig bekwame vorst een groot succes was.

Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat het keizerrijk in deze vorm nog lang zou hebben bestaan als de Eerste Wereldoorlog niet zou zijn uitgebroken. En dat de Eerste Wereldoorlog onvermijdelijk was is net zo’n wijsheid achteraf als het idee dat het keizerrijk onstabiel was. Daar past de historische analyse zich moeiteloos aan aan de loop van de geschiedenis. Wellicht zou het keizerrijk in de loop der jaren zijn hervormd en misschien zouden er revolutionaire woelingen zijn geweest, maar de kans is groot dat er weinig zou zijn veranderd. Een prikkelende gedachte als men bedenkt dat Wilhelm II tot 1941 heeft geleefd. En bij alle terechte kritiek op de laatste Duitse keizer blijft immers te bedenken dat hij ver was te prefereren boven de man die in 1933 rijkskanselier werd.

overzicht: