Eindconclusie

Er bestaan vele uitgevers van schoolboeken en nog veel meer methoden. Ik heb in het kader van dit essay „slechts” 16 geschiedenismethoden besproken, van oud naar nieuw.

Dat lijkt me voldoende. Andere boeken van uitgevers geven weinig meerwaarde.

Op de basisschool (de vroegere lagere school) wordt er bij het vak geschiedenis - vaak wereldoriëntatie genoemd in samenhang met aardrijkskunde - weinig tot zeer weinig aandacht besteed aan de Grote Oorlog zelf. Ik meen te moeten veronderstellen dat zulks deels het gevolg is van het feit dat Nederland daar niet actief aan meegedaan heeft.

Wel heeft het randgebeuren eromheen vaak de aandacht. Ik denk aan de mobilisatie, de blokkade op zee in verband met de voedselschaarste en de Belgische vluchtelingen.

Op de middelbare scholen zakt de belangstelling voor de Eerste Wereldoorlog in de diverse geschiedenismethoden naarmate de jaren verstrijken nogal af.

De Grote Oorlog is nog nooit aan de beurt geweest op het centraal schriftelijk eindexamen geschiedenis, terwijl bijvoorbeeld China onder Mao Zedong en Nederlands-Indië dat wel waren.

In havo en vwo-geschiedenisboeken komt de Grote Oorlog in de onderbouw meestal beter uit de verf dan in vmbo-leermethoden.

In de methoden die leerlingen van de bovenbouw gebruiken als ze geschiedenis in hun examenprofiel gekozen hebben, is de situatie wat rooskleuriger.

In de geschiedenis van de twintigste eeuw komt de Eerste Wereldoorlog en Versailles meestal behoorlijk aan bod.

Het schoolonderzoek - 50% van het geschiedenisexamen - biedt

kansen; slechts weinig leraren zijn bereid om het onderwerp Eerste Wereldoorlog op te nemen in hun programma toetsing en afsluiting.

De onderwijswereld op het ministerie in Zoetermeer is al jaren constant in beweging, ik schreef het al.

Op 25 oktober 2003 verscheen er in NRC Handelsblad een pagina groot artikel over de op handen zijnde veranderingen met betrekking tot de tweede fase in de rubriek Wetenschap en Onderwijs.²³

Het moet allemaal weer anders. Examen doen in veertien of vijftien vakken in plaats van zes of zeven, bleek in de praktijk te zwaar. Op 6 december 1999 liep op het Malieveld in Den Haag een scholierendemonstratie volledig uit de hand.

Tienduizenden scholieren scholden staatssecretaris Adelmund uit en gooiden hekken en auto’s om. De geschrokken vrouw kondigde prompt voor een inderhaast opgestelde microfoon verlichtingen aan. Het aantal profielwerkstukken zal worden beperkt tot één. Examenregelingen zouden worden versoepeld.

Voor het vak geschiedenis behoeft dit vooralsnog geen negatieve gevolgen te hebben. De profielen economie en maatschappij, cultuur en maatschappij blijven bestaan.

Voorts wil minister Van der Hoeven de basisvorming tien jaar na de invoering ervan ten grave dragen. Haar streven is bepaald niet revolutionair en ik ben het roerend met haar eens. Dezelfde stof in de basisvorming voor leerlingen van vmbo tot en met vwo in het middelbaar onderwijs stond al de jaren van zijn bestaan reeds bloot aan ernstige kritiek. Leerlingen van het vmbo tot en met het vwo hetzelfde lesprogramma te laten volgen in de eerste jaren van het middelbaar onderwijs, dat werkt gewoon niet. We moeten af van het idee dat alle leerlingen gelijke kansen hebben als ze dezelfde lesstof krijgen. De leerlingen van het vmbo vinden de stof te moeilijk, die van het vwo lachen erom.

Moet je dat als gelijkheid beschouwen? Het is een ‘PvdA-speeltje’ onder leiding van mensen als van Kemenade (middenschool), Wallage, Adelmund en Netelenbos (basisvorming en tweede fase). Homogene brugklassen bewerkstelligen het recht van de zwaksten en niet dat van de sterksten.

Je kunt als middelbare school de brugklassen veel beter indelen naar niveau, dat komt iedere leerling ten goede.

Scholen behoeven van de huidige minister in de toekomst niet langer vijftien vakken te geven, waaronder bijvoorbeeld verzorging. De overheid verplicht zeven leergebieden en daarbinnen mogen ze zelf bepalen in welke vakken de lesstof gegoten wordt.

Het woord basisvorming wil de minister niet langer horen.

De verschillende onderwijsorganisaties, de Onderwijsraad en de Onderwijsinspectie zijn het eens met deze gang van zaken.

Wat betekent dit alles voor het geschiedenisonderwijs? Veel zal afhangen van het beleid dat de scholen zelf zullen gaan voeren. Het aantal kerndoelen moet per vak teruggedraaid worden. Het totaal volgens de commissie-Meijerink van 280 naar 60. Ook het vak geschiedenis zal moeten inleveren.

Ik vermoed dat de basisscholen en de toekomstige onderbouw van middelbare scholen steeds minder zullen kunnen kennismaken met het begrip Eerste Wereldoorlog, terwijl de bovenbouw wel voldoende ingelicht zal blijven.

De Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog stelt zich ten doel om achterstand in kennis over de Eerste Wereldoorlog te verkleinen. Dat is een goed en nobel streven.

Echter, ik meen toch te moeten opmerken dat het totale geschiedenisonderwijs veel meer zal kunnen en moeten bijdragen aan kennis over de Eerste Wereldoorlog dan de SSEW ooit zal kunnen bereiken.

Vandaar dit artikel. Een overzicht in de gang van zaken binnen het Nederlandse geschiedenisonderwijs en tevens een oproep aan iedereen die op welke manier dan ook bij het onderwijs betrokken is, om zijn steentje bij te dragen teneinde de kennis over de Grote Oorlog te doen vermeerderen.

 

Paul J. Jongebreur, Zeist.

overzicht: