Ein Königlicher Preuzischer Offizier bückt sich nicht

Opgetekend in 1987.

Door: Drs. H. Olink. Drs. Hans Olink is publicist en freelance journalist.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het jaarboek nr 4 van de Stichting.


‘Ik kan alles bewijzen. Alles wat ik zeg kan ik staven met documenten.’ Jonkheer Juan Maria Teixeira de Mattos kijkt mij vanonder zijn borstelige wenkbrauwen streng aan. Hij lijkt op voorhand mogelijk wantrouwen te willen ontkrachten. In zijn appartement - in het centrum van Madrid - zitten we in zijn studeerkamer te midden van vergeelde documenten, militaire attributen en gekrulde foto’s.Soms laat de stramme 91-jarige Teixeira zich op zijn knieën vallen om een document onder uit zijn boekenkast te toveren. Met een verbeten gezicht probeert hij overeind te komen. Ik weifel. Zal ik een hand toesteken? Nee, bedenk ik me bijtijds. Hier knielt een militair in hart en nieren. Ik zou hem beledigen. Zonder mijn hulp trekt hij zich aan de kast omhoog. We praten over de Eerste Wereldoorlog.


Vijf jaar lang diende jonkheer Juan Maria Teixeira de Mattos ‘Mitt Gott, für König’ in het 15e huzarenregiment ‘Königin Wilhelmina der Niederlande’. Vier jaar daarvan vocht hij aan het oostfront. Zonder het Nederlandse staatsburgerschap te verliezen. Zoals zoveel mensen van zijn leeftijd kan hij zich het verre verleden beter herinneren dan de recente geschiedenis. Moeiteloos somt hij namen van regimenten, divisies, hun bevelhebbers en hun troepenbewegingen op. Von Hindenburg. Ludendorff, Keizer Wilhelm, Prins Hendrik. Hij heeft ze nog gekend.
Al vijftig jaar woont hij in Madrid met zijn Spaanse vrouw, maar zegt zich nog steeds Nederlander te voelen. Teixeira de Mattos is waarschijnlijk de enige nog levende Nederlandse militair die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de Duitse Keizer vocht. Hij beseft dat ook. ‘Ik ben de laatste van een uitstervend ras. Al mijn kameraden zijn al lang dood.’

Markies

Teixeira de Mattos stamt uit één van de oudste Spaanse markiezengeslachten, dat in 1643 door koning Philips II met de titel San Payo verrijkt werd. Toen nazaten in de 18e eeuw naar Nederland trokken werd hen de titel Jonkheer verleend. ‘Maar nu ik sinds de dertiger jaren weer in Spanje woon, word ik hier baron genoemd. De titel jonkheer kennen ze hier niet. Het maakt me niet uit. Op de Club hier weten ze allemaal dat ik van adel ben.’ Van het bankschandaal dat in de zestiger jaren zoveel stof deed opwaaien heeft hij gehoord. ‘Maar dat staat ver van mij af. Een ver familielid heeft geloof ik ooit een bank gehad die, later, in andere handen is overgegaan.’

Juan Maria Teixeira de Mattos werd op 9 oktober 1896 in Rotterdam geboren. Zijn jeugd bracht hij door in Amersfoort, waar het gezin tegenover een kazerne woonde. Een deel van de kazernepaarden stond in de stal van Teixeiras. Eén van die paarden was de beroemde Mascot, het paard waarop luitenant Godin de Beaufort begin deze eeuw in tien dagen van Amsterdam naar Wenen reed. Een hippische prestatie van formaat, waar de kranten bol van stonden. Het wakkerde zijn voorliefde voor paarden aan en de stap naar het huzarenleven was niet groot meer, zekere niet toen zijn oudste broer 2e luitenant werd bij het 1e Regiment Huzaren.

De 17 jarige Teixeira liet zich keuren voor militaire dienst, maar tot zijn grote teleurstelling werd hij afgekeurd op een zwak rechteroog. Alsof hij dat bijna driekwart eeuw later nog niet kan verkroppen, zegt hij: ‘Toen ik moest schieten, richtte ik met mijn linker oog en dat accepteerden ze niet. Je hoorde dat met je rechter oog te doen.’

Teixeiras vader was, als Johannieter bevriend met Prins Hendrik, die regelmatig bij het gezin over de vloer kwam. ‘Toen de prins hoorde over mijn teleurstelling stelde hij mijn vader voor te knoeien. Ik geloof dat hij de keuringsdienst om wilde kopen. Maar daar ging mijn vader niet op in. En toen zei de prins: mijn vrouw heeft nog een regiment in Duitsland. Het regiment Königin Wilhelmina der Niederlande. Nou, met een aanbeveling van de prins ben ik toen naar Hamburg getogen. De koningin had mij toestemming gegeven. Dat was nodig want ik wilde het Nederlands staatsburgerschap niet verliezen.’

Gehorsamst

Toentertijd waren er meer telgen van Nederlandse adel die in Duitse regimenten dienden. Vreemd was dat niet. De Europese vorstenhuizen waren door huwelijk aan elkaar verwant en om elkaar te behagen verleenden vorsten hun buitenlandse verwanten militaire titels. Dat was de Koningen Willem II en III en Prins Frederik Hendrik ook al overkomen. En zo verging het koningin Wilhelmina toen ze op de dag van haar meerderjarigheid, 31 augustus 1998, door Keizer Wilhelm werd benoemd tot ‘Chef des Régiments’.

In oktober 1913 vertrok Teixeira naar Berlijn, voor een korte opleiding aan de ‘Militärvorbereitungsanstalt Berlin-Groszlichterfelde’, om zich een paar maanden later als ‘Fähnrich Teixeira’ en ‘ganz gehorsamst’ te melden bij het 15e huzarenregiment. Op de degen van zijn commandant Oberleutnant Von Trauwitz Hellwig legde hij de eed af aan ‘Unseren allergnädigsten Herr Seine Majestät’.

Zijn rug recht zich. ‘Het was een hele eer om daarin te dienen. Het neusje van de zalm zat er. Alle officieren waren van adel, en de reserve-officieren kwamen uit het patriciaat van de Hanzesteden Hamburg, Bremen en Lübeck. Ons regiment behoorde tot 1898 aan de broer van Prins Hendrik. Maar de keizer, die wel vaker wispelturig was pakte het hem af en gaf het aan Koningin Wilhelmina.’

Het was in de nadagen van de Belle époque, maar dat wist toen nog niemand. Een heerlijke zomer. De laatste voorlopig, want het rommelde in Europa. De avond van 28 juni 1914 staat nog in zijn geheugen gegrift. ‘Ik zal het nooit vergeten. We hadden een feest ter gelegenheid van de Hamburgse Derby en wij waren gekleed in ons prachtige uitgaanstenu. Ik was in gesprek met een of andere gravin, toen ik plotseling bij de commandant werd ontboden. Hij gaf me opdracht de muziek te laten stoppen. Ik begreep er niets van, maar meldde de commandant even later: ‘Befehl ausgeführt.’ Vlak daarna hoorde ik dat de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand in Serajevo was vermoord.’

De politieke spanning steeg. Teixeiras vader voelde de bui hangen en verscheen onverwachts in Wandsbek. Hij drong er bij Von Trauwitz Hellwig op aan dat zijn zoon de Duitse dienst zou verlaten. Bang als hij was dat deze tegen Nederland moest vechten waar zijn andere zoon die landsgrenzen moest verdedigen. De jonge vaandrig voelde er niet voor zijn huzaren-kameraden in de steek te laten, maar vond de gedachte tegen zijn broer te moeten vechten ook allerminst aantrekkelijk. ‘Gelukkig kwamen we overeen dat ik in geval van oorlog naar het Oostfront gezonden zou worden. Dat vond ik een goede oplossing, want eigenlijk zag ik wel aankomen dat België binnengevallen zou worden. En daar was ik het niet mee eens. Dat land was tenslotte neutraal, en Bismarck had ooit al eens gezegd: val nooit een neutraal land aan, daarmee haal je de hele wereld op je nek. Rijkskanselier Von Bethmann Hollweg had ook al gezegd dat de neutraliteit van België ‘nur ein Fetzen Papier’ was.

Dat de oorlog uiteindelijk uitbrak wijt Teixeira hoofdzakelijk aan ‘die lichtzinnige graven uit Wenen, die een ongehoord ultimatum aan de Serven stelden, maar ook de keizer deed vreselijk stom.’ En op de Russen had hij het al helemaal niet begrepen. Want op 29 juli 1914 schreef hij nog aan zijn vader: ‘Die oorlog kan nog best komen, omdat Rusland zo’n halvegare dronkenmansboeltje is.’

‘Es scheint dass der Krieg sein musz,’ zei Teixeira tegen zijn kameraden. De oorlog kwam er. In de nacht van 2 op 3 augustus meldde hij zich bij de ritmeester der garde-kurassiers, Ritter und edler Herr Von Loessl. ‘Melde gehorsamst Herrn Rittmeister, Leutnant Junker Teixeira zur Stelle.’ Het gezelschap reisde per trein oostwaarts richting Königsberg, terwijl massale troepenverplaatsingen plaatsvonden in westelijke richting. ‘Een huzarenstukje, zoals dat georganiseerd was,’ zegt Teixeira nu.

Van de reis herinnert hij zich nog de volgende anekdote: ‘Von Loessl had bij zijn bagage een mooie leren doos met daarin zijn paradehelm met massief zilveren adelaar zoals die bij zijn regiment gedragen werd. Even voorbij Marienburg haalde hij deze helm tevoorschijn en zei tegen mij: nu zul je eens zien wat er gebeurt. Hij zette de helm op en leunde minzaam uit het couperaam. Toen de trein stopte ontstond grote opschudding op het perron. ‘Oh Gott, der Kaiser ist da,’ gilden de mensen. Ik heb nog nooit iemand zo gauw zijn hoofddeksel zien verwisselen.’

Kolbak

Tot mijn verbazing zit hij ineens met zijn kolbak op, die hij net uit de mottenballen gehaald heeft. Ik kan bijtijds een glimlach onderdrukken. Hij meent het serieus, en kijkt mij triomfantelijk aan. ‘Zu befehl.’ En dan ineens op vriendelijke toon: ‘Zullen we weer gaan werken?’ ‘Maar bent u nog niet moe.’ Probeer ik voorzichtig. ‘Moe? Een huzaar is nooit moe.’ Hij vat het betoog op, waar hij de draad liet liggen. ‘ja natuurlijk was dat schrikken, mijn vuurdoop. Wij stonden met onze 1e Cavaleriedivisie tegenover een overmacht van zes Russische divisies. Dat was bij de Tannenberg. Daar kreeg ik mijn vuurdoop. Bij het horen van de eerste overfluitende granaten wilde ik mij bukken, waarop Von Loesslo mij toesnauwde: „Ein königlicher Preuszicher Offizier bückt sich nie Ik heb daarna niet meer gebukt, maar vond het een hoogst onaangename zaak. Het was de tijd dat een ritmeester nog aan het hoofd van zijn eskadron ten aanval ging en met de sabel de richting aangaf.’

Van toen af aan had hij geen dag rust meer. Gevecht op gevecht vond plaats. Zeker de helft van het officierskorps sneuvelde. Ook Teixeira legde bijna het loodje. Een kozak schoot zijn paard neer en hij raakte er onder beklemd. ‘Gelukkig kwam mijn oppasser-onderofficier aansnellen op mijn hulpgeroep. Ik kon hem nog net waarschuwen, dat die kozak in de boom zat. Nou, die heeft hij er toen uitgeschoten. Het had maar een haartje gescheeld. Ik vond het verschrikkelijk dat ik mijn paard kwijt was. Als officier hadden we recht op een eigen paard en een regimentspaard. Die waren gefokt in een befaamd instituut in Trahkenen, een gebied tussen Dantzig en Königsberg. Daar kwam mijn oppasser ook vandaan. Aardige man was dat, ook voor de paarden. Als ik kaas van mijn moeder opgestuurd kreeg vanuit Holland deelde ik die altijd met hem.’

Niet alleen Duitse officieren, ook de Russische hadden recht op een oppasser. ‘Ik kan me nog herinneren dat we optrokken naar Tannenberg, en dat ik het opengereten lichaam van een Russische kapitein der cavalerie zag liggen. Zijn oppasser stond erbij te jammeren: Papoeschka, vadertje, vadertje. Ik zei toen nog tegen mijn ritmeester: moeten we geen eresalvo geven. Maar hij zei: daar kunnen we niet aan beginnen, kunnen we wel aan de gang blijven. Toen heb ik me omgedraaid. Klaar is Kees.’

De slag bij de Tannenberg verliep zeer gunstig voor de Duitsers. De Russen leden een zware nederlaag met grote verliezen. Volgens Teixeira omdat ze zoveel fouten maakten. ‘Het was onverantwoord om hun cavalerie de bossen in te sturen, die waren veel te drassig. Daardoor verloren ze veel mensen en paarden. Zielig was dat.’

Overplaatsing

Na de oorlog ontmoette Teixeira zijn opperbevelhebbers Von Hindenburg en Ludendorff en toen begreep hij dat de slag een dubbeltje op zijn kant was geweest. Ludendorff zou toen gezegd hebben: ‘als de Russische bevelhebber Von Rennenkampf sneller doorgestoten was, was het een debacle voor ons geweest.’ ‘Russen reageerden over het algemeen te langzaam, in hun hoofdkwartier moesten ze alles nog eens overdenken. En ze dronken te veel. De soldaten waren wel dapper, maar het moreel van de officieren was slecht. Later werd het moreel van de soldaten ook steeds slechter. Maar wat wil je: ze hadden een chronisch gebrek aan munitie.’

De 1e Cavaleriedivisie trok geleidelijk oostwaarts tot ze zich op 5 november terug trokken achter het riviertje de Angerapp. Daar maakte generaal Von Mackensen volgens Teixeira de fout de cavalerie te laten oprukken, zonder steun van de infanterie. Maar het liep redelijk goed af. De zwaarste gevechten zaten er voorlopig op.

Half november 1914 werd bekend dat het 15e huzarenregiment Königin Wilhelmina der Niederlande uit België teruggetrokken zou worden en oostwaarts getransporteerd zou worden. De bewegingsruimte voor de cavalerie was vooral aan het westfront te beperkt.

‘Toen ik dat bericht kreeg heb ik meteen overplaatsing aangevraagd naar mijn oude regiment, dat trouwens behoorlijk gedecimeerd was. Toen ik mijn kameraden op het station van Allenstein stond op te wachten en ze mij zagen, schreeuwden ze onmiddellijk: Der Teixeira is wieder da.’ Met Teixeira als pelotonscommandant trok het regiment verder oostwaarts, Russisch Polen in. Eén van de belangrijkste taken werd het rijden van ‘Fernpatrouilles’, die zeker niet van gevaar ontbloot waren. Tientallen zou Teixeira er rijden, waarbij zijn opdracht steevast luidde: ‘Der Herr Oberleutnant Junker Teixeira meldet sich um 5 Uhr morgens, beim Regimentsadjudanten, und 15 Mann, die er selber aussuchen kann.’

Verschrikkingen

Veel zien, zonder gezien te worden, was het parool tijdens deze ritten, die hem nog bij staan als verschrikkingen. Dagenlang ronddolend in de kou, dichte mistvelden, afgebrande dorpen, met kaarten die niet toereikend waren. En als het even tegenzat kozakken in hinder-lagen of op de hielen gezeten door Russische lansiers of dragonders. Maar Teixeira overleefde steeds en wist als verbindingsofficier generaal Von Mackensen van waardevolle informatie over vijandelijke troepenbewegingen te voorzien.

Met enige tegenzin moest Teixeira ook de loopgraven in. ‘Von Hindenburg had de vuurkracht van de cavalerie overschat. De paarden waren afgejakkerd en kregen te weinig voedsel. Er bleef dus niets anders over. En niet te vergeten: je kon geen Rus tegenkomen of hij groef zich in. Dat hadden ze geleerd in de Russisch-Japanse oorlog. Nou, en dan kun je met de cavalerie niets uitrichten. Voor huzaren was het niks, zo’n loopgravenoorlog. Om de manschappen in de hand te houden werd vaak het bevel tot de aanval gegeven. We kropen dan onder luid hoerageroep uit onze loopgraven en gingen een man tegen man gevecht aan.’

Kaarsrecht zittend in zijn fauteuil, met zijn stok binnen handbereik lijkt Teixeira de Mattos langer dan hij is. Weemoedig blikt hij af en toe naar de portretten van de keizer, van Koningin Wilhelmina, en van Prins Hendrik. Iets verderop hangen koning Alfonso XIII en de huidige Spaanse koning Juan Carlos. De monarchist Teixeira uit steeds vaker krachttermen om zijn afgrijzen over de oorlog uit te drukken.

Zeer verheugd was hij toen in het voorjaar van 1915 het bevel kwam weg te trekken uit Polen, het land ‘waar de ondoordringbare vuiligheid triomfeerde’. Via Memel en Libau werd de divisie ondergebracht in Koerland, in het kasteel van een gevluchte Baltische baron. ‘Voor het eerst sinds maanden sliepen we in een echt bed met schone lakens. Zonder luizen. Na al die ellende in Polen waar de paarden in modder bleven steken en de Russen dode varkens in waterputten gooiden, was dit een heerlijk oord.’

In de loop van de oorlog werd de onrust in de Russische gelederen groter. De februari-revolutie deed menig adellijk officier de das om. Velen sloegen op de vlucht. Teixeira, wegens zijn talenkennis aangesteld als tolk, ving de gevluchte en krijgsgevangen gemaakte officieren op. ‘Ze waren op de vlucht geslagen voor hun eigen soldaten en waren blij dat ze bij ons waren.’

Van onrust onder zijn Duitse collega’s kon hij zich niet herinneren. ‘Nee, ik geloof niet dat we daar last van hadden. Er heerste een strakke discipline. Verkrachtingen kwamen bij ons - voor zover ik weet - niet voor. Maar daar stond dan ook de doodstraf op. En duelleren, wat nogal een gewilde sport was onder officieren, mocht ook niet meer. Voor de oorlog werd er om het minste of geringste geduelleerd.

‘Wij werden ook nauwelijks geïnformeerd over de situatie in de wereld. Ik zelf was gelukkig redelijk op de hoogte, want mijn moeder stuurde mij altijd de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Dus ik wist dat bijna iedereen tegen Duitsland was. Maar daar kon je toch maar beter niet over praten met je mede-officieren en de soldaten wisten natuurlijk helemaal van niks.’

Op 10 november 1918 lag Teixeiras regiment in Mohilev. Die dag zal hij nooit vergeten, want toen kwam luitenant Von Estorff op hem af met de mededeling: ‘Seine Majestät ist nach neutrales Holland geflüchtet.’ Hij kon het niet geloven en zei: ‘Unmöglich, eine Lüge, woher haben Sie das?’ Diezelfde dag nog werd het bericht door het Oberkommando Ost bevestigd en op 11 november kwam de oekaze: het gehele oostgebied opgeven. Zwaar gedesillusioneerd aanvaardde Teixeira de terugtocht. ‘Ik had op de keizer gezworen. Kun je je voorstellen wat er door me heen ging. Had hij de eer niet aan zich zelf kunnen houden en een pilletje innemen, dacht ik toen nog.’

De terugtocht nam veel tijd. Pas op 2 februari 1919 ‘s morgens om zes uur arriveerde het 15e huzarenregiment, althans dat, wat daar van over was, op het station van Hamburg. Er wachtte hen een verrassing. ‘Het station was bezet door muitende matrozen en spartakisten. Ze bestormden de trein en met ijzeren staven sloegen ze de ruiten in. Met het mes tussen de tanden kwamen ze op ons af om onze epauletten af te rukken. We hebben er toen een stuk of zeven neergeschoten. Spijt? Het was nodig.’

Een half uur later kwam de trein in Wandsbek aan. Nog diezelfde dag nam Teixeira afscheid van zijn kameraden. Somber gestemd vertrok hij naar Nederland, waar koningin Wilhelmina tegen hem zei: ‘Ik heb gehoord dat u het goed gedaan heeft en dat vind ik prettig.’

Carrière

Aan zijn militaire carrière was abrupt een eind gekomen. Maar tot zijn grote opluchting kreeg hij via een bevriende relatie de kans om naar Argentinië te gaan, om paarden te fokken. ‘Dat was een mooie tijd. Ik zat dag in dag uit te paard. ‘s Avonds bleef ik binnen. Dan was het buiten te gevaarlijk op straat, te veel dronken lui die een pistool op zak hadden. We vingen daar ook struisvogels. De veren verkochten we aan modehuizen in Parijs. Die werden daar voor de dameshoeden gebruikt.’

Na anderhalf jaar kreeg hij bericht dat zijn ouders ernstig ziek waren. Zijn vertrek naar Nederland stond vast. Voorlopig zou hij daar blijven en zich toeleggen op het jagen (‘Wie heeft er nog de knoop van Maarsbergen, die ik won tijdens de jachtrit. Niemand.’) en het tennissen (‘Je kan toch niet altijd werken’).

In Doorn bezocht hij regelmatig de Duitse keizer en leerde hem kennen als een teleurgesteld, maar vooral humoristisch man. ‘Toen ik hem eenmaal goed leerde kennen, was ik niet meer kwaad op hem. Als christen had hij geen zelfmoord kunnen plegen, zei hij. Von Hindenburg zou hem aangeraden hebben naar Holland te gaan, omdat de garderegimenten niet meer veilig waren. Zwitserland waar de keizer eerst eigenlijk heen wilde leek hem te Frans. Want de keizer was natuurlijk belhamel nr. 1 voor de Fransen.

‘Hij mocht blij zijn dat hij in Nederland terecht kon. Maar bij mijn weten heeft hij koningin Wilhelmina nooit ontmoet. Die wilde hem niet spreken. Ze was furieus op hem, omdat hij de neutraliteit van België geschonden had.

‘We hadden altijd heel gezellige diners. De keizer zat dan vaak op zijn zadel aan tafel, alsof hij een parade afnam. Lollig gezicht was dat. Hij sprak over de meest intieme dingen, kon zijn mond niet houden en praatte dan uren aan één stuk. Eigenlijk was het een zenuwpatiënt, en leed hij aan een minderwaardigheidscomplex, vanwege zijn onvolgroeide linkerarm.’

Volgens Teixeira had de keizer nogal bewondering voor Franco, maar die bewondering was bepaald niet wederkerig. ‘Maar dat had hij niet door, eigenlijk een beetje naïef. Hij gaf dan een bericht aan mij mee voor Franco, maar dat gaf ik dan maar niet door, want ik wist dat dit toch niet in goede aarde viel.’ Van Franco moest Teixeira trouwens niets hebben. En de Spaanse Burgeroorlog vond hij een verschrikking. ‘Zo’n broederoorlog is toch misdadig. Maar ja, ik ben wel blij dat de rooien het niet gered hebben. Nu heeft Spanje tenminste weer een koning.’

Tinteling

Teixeira de Mattos krijgt een lichte tinteling in zijn ogen, als de naam van Prins Hendrik valt. Ze jaagden veel samen, hadden bieravonden en gingen samen op reis, zoals naar Keizerin Zita van Oostenrijk, die na de Eerste Wereldoorlog in België leefde. ‘Tegen haar zei hij altijd dat ik zijn broer was. Grappig hè? Het was een gezellige kerel. Maar dat hij zoveel pillen tegen zijn dikte innam leek me niet goed.’ Hij wenst er de nadruk op te leggen dat al die verhalen over vrouwen en de Prins uit de lucht gegrepen zijn. ‘dan had ik het toch moeten weten?’

Ineens realiseert hij zich dat zijn relaas alleen maar gaat over mensen die allang gestorven zijn en mompelt somber voor zich uitstarend: ‘Ach, iedereen is dood. Ik kan zelfs niet meer met een Wandsbeker huzaar uit eten gaan. Sommige mensen zijn boos op me, omdat ik zo oud wordt. Maar ik kan er niets aan doen, ik vind het ook niet leuk. Met mijn leven is dit verhaal afgelopen, is er niets meer over. Maar kom, ik ga vanavond naar de Club, daar zijn we net officieren onder elkaar. Zullen we eerst nog een biertje drinken? Ik weet een café vlakbij, waar ze heerlijk bier hebben. Dortmunder Auslese.’

Schuifelend stappen we door de drukte van het spitsuur in Madrid. Het is weer 1987.

overzicht: