De Eerste Wereldoorlog in kort bestek

Met toestemming overgenomen van de website www.wereldoorlog1418.nl.

De Eerste Wereldoorlog als eindexamenonderwerp voor VWO en HAVO.
De tekst is ook zeer bruikbaar voor wie geen examen hoeft te doen maar graag
een samenvatting wil lezen van de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.


Inleiding en commentaar
Aanleiding en oorzaken van de Eerste Wereldoorlog
Verloop van de oorlog
Oorlogvoering
Economie en oorlog
Soldaten in de oorlog
Burgers en oorlog
Pers en propaganda
Gevolgen van de oorlog
Literatuur Eerste Wereldoorlog
Duitse Mitrailleurgroep voor Verdun


Inleiding en commentaar

De Eerste Wereldoorlog wordt eindexamenonderwerp in het voortgezet onderwijs (VWO en HAVO). De CEVO (Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven) publiceerde op 20 maart de officiële stofomschrijving (CEVO-mededeling - kenmerk CEVO-06.0427) als onderdeel van het centraal examen geschiedenis VWO en HAVO 2008. Het thema uit het domein ‘Oorlog en Vrede’ en het subdomein ‘Internationale betrekkingen en oorlogvoering’ luidt: ‘Ten oorlog! Europese oorlogen 1789-1919. Oorlog als maatschappelijk fenomeen’. Het deel van de stofomschrijving dat handelt over de Eerste Wereldoorlog en de aanbevolen literatuurlijst is hieronder opgenomen. De tekst is natuurlijk ook zeer bruikbaar voor degene die geen examen hoeft te doen maar in kort bestek een samenvatting wil lezen van de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.


Aanleiding en oorzaken van de Eerste Wereldoorlog

Op 28 juni 1914 werd in Serajevo in Bosnië-Herzegovina de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand vermoord. De daaropvolgende Balkanoorlog, was de derde in een reeks. Oostenrijk-Hongarije trok ten strijde tegen Servië. Dit conflict escaleerde tot een wereldoorlog. Diplomatie kon een Europese oorlog niet meer voorkomen, zoals in eerdere Balkancrises of koloniale conflicten wel het geval was. De oorzaken hiervan lagen in de verziekte internationale verhoudingen. Nationalisme, imperialisme, economische competitie, wapenwedloop en militarisme maakten een Europese oorlog mogelijk.

De opkomst van Duitsland na 1870 als industriële en militaire grootmacht verstoorde het machtsevenwicht in Europa. Keizer Wilhelm II voerde een ‘Weltpolitik.’ Europa was verdeeld geraakt in bondgenootschappen die elkaar in meer of mindere mate militaire steun beloofden in geval van oorlog. Groot-Brittannië zocht na de eeuwwisseling toenadering tot het Europese vastenland, onder andere als gevolg van de nieuwe Duitse politiek. Al voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren de grootmachten van Europa verwikkeld in een wapenwedloop.

Oorlogsplannen werden uitgewerkt door generale staven en militairen hadden een grote invloed in de politiek, zeker in Duitsland en Frankrijk. Geen van de Europese landen wilde een vernietigende oorlog, maar oorlog werd wel gezien als één van de middelen om macht en invloed veilig te stellen. In 1914 trokken de landen en soldaten vol goede moed ten strijde. Dit in de veronderstelling dat de aanstaande oorlog kort zou zijn. De meeste soldaten waren echter ook huiverig om huis en haard te verlaten. De regeringen konden rekenen op een brede steun voor de oorlog. Ook aanvankelijke tegenstanders van de oorlog, zoals veel socialisten, sloten zich in augustus 1914 bij hen aan. De pacifistische beweging, waaronder veel vrouwenorganisaties, bleef principieel tegen de oorlog. Eind 1914 was het optimisme van de soldaten in rook opgegaan.

Verloop van de oorlog

De Eerste Wereldoorlog begon in 1914 en eindigde formeel in 1919. Ook buiten Europa waren strijdtonelen, zoals in het Midden Oosten en Afrika. Veel soldaten uit de koloniën en dominionlanden vochten voor hun moederlanden. Ook de Verenigde Staten en Japan namen deel aan de oorlog. De Eerste Wereldoorlog was dan ook een echte wereldoorlog. De Geallieerden stonden tegenover de Centralen.

In Europa waren twee hoofdfronten. Aan het Westfront werd een loopgravenoorlog uitgevochten. Aan het Oostfront hield de oorlog het karakter van een bewegingsoorlog. De Slag bij Verdun (1916) of de Slag bij Tannenberg (1914) zijn exemplarisch voor deze oorlogsfronten. Op langere termijn kon Duitsland de tweefrontenoorlog niet volhouden. Aan het Oostfront eindigde de oorlog in 1918 met een Duitse overwinning.

In het Westen had het Duitse voorjaarsoffensief in 1918 kans van slagen, met name door nieuwe tactieken en inzet van vliegtuigen. De Duitse soldaten waren echter uitgeput. De deelname van de Verenigde Staten aan de zijde van de Geallieerden deed de balans in de oorlog uiteindelijk doorslaan. De Duitse generaals begrepen dat de oorlog niet meer te winnen was en stelden een burgerregering in. Deze nieuwe regering startte de vredesonderhandelingen. Keizer Wilhelm II trad af en op 11 november 1918 werd de wapenstilstand getekend.

Oorlogvoering

De Eerste Wereldoorlog was de eerste totale oorlog. Europese landen hadden als gevolg van de dienstplicht miljoenenlegers. De legers werden geleid door de generale staven, die in veel landen grote invloed hadden op de nationale politiek. In de meeste legers was de kloof tussen manschappen en officieren kleiner geworden. Van de Europese grootmachten had alleen Groot-Brittannië een beroepsleger dat voor 1914 vooral ingezet werd in de koloniën.

Het mobiliseren en verplaatsen van de grote legers vereiste een nauwgezette centrale planning en grootschalige inzet van spoorwegen. In de oorlogsplannen, zoals het Duitse Von Schlieffenplan en Franse Plan XVII, werd hier rekening mee gehouden. Industrialisatie en technologie leidden tot een enorme toename van de vuurkracht van legers. Geweren en kanonnen werden verbeterd. De toegenomen vuurkracht beïnvloedde de oorlogstactiek. België en Frankrijk zochten hun heil in de aanleg van vestingwerken. Deze bleken in augustus 1914 niet bestand tegen de nieuwe kanonnen.

Tot 1917 gaven machinegeweren, loopgraven en prikkeldraad de verdedigers effectieve verdedigingsmiddelen tegen aanvallers. De massale aanvallen leidden dan ook tot massaslachtingen zonder veel terreinwinst. De generaals, zoals de Britse generaal Haig, werden door soldaten én latere generaties verweten gewetenloze slachters te zijn. Anderen stellen dat zij handelden binnen de militaire mogelijkheden van hun tijd.

De strijdende partijen aan het Westfront zochten vanaf het begin van de oorlog naar mogelijkheden om de patstelling van de loopgravenoorlog te doorbreken. Na 1915 werden meer bommen en granaten geproduceerd en werd gifgas ingezet. De strategische waarde van gifgas bleef beperkt, maar het had een vernietigende uitwerking op het moreel van de soldaten en de publieke opinie. Aan het einde van de oorlog speelden vliegtuigen en tanks een grotere rol.

Na 1917 wijzigde de tactiek. Aanvallen werden minder massaal en beter door vuurkracht begeleid. Tot de oorlogstactieken behoorde ook de zeeblokkade die Groot-Brittannië direct in het begin van de oorlog op de Noordzee instelde. In de zeeoorlog kon de nieuwe Duitse marine, ondanks de inzet van onderzeeërs, geen vuist maken tegen de Britse marine die de hele oorlog de wereldzeeën beheerste. Om de tegenstander ook te treffen in de koloniën, openden Centralen en Geallieerden fronten in Afrika en het Midden Oosten. Hierbij werden etnische conflicten gebruikt of aangemoedigd.

Economie en oorlog

De totale oorlog stelde eisen aan de economieën en de landen gingen over op een oorlogseconomie. Industriële grootmachten als Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk maakten hun economieën ondergeschikt aan de oorlogsbehoeften. Vanaf 1916 werden systemen opgezet met commissies, raden of andere overheidsorganen die de economie aan de behoefte van de oorlogsinspanningen aanpasten. Er kan gesproken worden van een geleide economie.

Ook de vakbonden steunden de oorlogspolitiek van de regeringen. Regeringen dwongen oorlogsleningen af en hieven hoge belastingen. De mate waarin een land erin slaagde militaire en civiele productie op peil te houden en aan te passen aan de eisen van de oorlog was bepalend voor haar successen. Minder geïndustrialiseerde landen, zoals Rusland, Servië of het Turkse Rijk hadden grote moeite de totale oorlog vol te houden.

Door de enorme aantallen dienstplichtigen aan het front ontstond al snel een tekort aan arbeiders. Veel deskundige arbeiders mochten het front verlaten en in de wapen -en munitiefabrieken werken. In landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten werkten honderdduizenden vrouwen in wapen -en munitiefabrieken. Veel van deze vrouwen waren al voor de oorlog werkzaam, maar dan in overheidsdienst of andere traditionele vrouwenberoepen. Hoewel veel vrouwen na de oorlog gedwongen plaats maakten voor de teruggekeerde mannen, was de invloed op de vrouwenemancipatie en de invoering van het vrouwenkiesrecht groot. In alle oorlogvoerende landen ontstond schaarste.

De oorlogvoering, de Geallieerde zeeblokkade en de Duitse onbeperkte duikbotenoorlog leidden vanaf 1916-1917 tot tekorten aan grondstoffen en voedsel. Niet alle landen slaagden erin een goede voedseldistributie te organiseren. Door de invoering van de konvooivaart konden de Geallieerden de aanvoer van voedsel, grondstoffen en goederen vanuit de Verenigde Staten herstellen. De Amerikaanse export van voedsel en wapens nam met miljarden dollars toe. Na de oorlog hadden de Geallieerden hoge schulden in de Verenigde Staten. De omschakeling naar een normale economie na de oorlog, kostte veel landen grote moeite. In de Oost-Europese landen vielen meer slachtoffers als gevolg van de schaarste dan in West-Europa.

Soldaten in de oorlog

De Eerste Wereldoorlog was een massaslachting op een ongekende schaal. Cijfers drukken niet het leed uit van de gewone soldaten, maar geven wel een indicatie van de vernietigende uitwerking van de totale oorlog. Er vielen veel slachtoffers in de jongere leeftijdsgroepen. Sommige historici spreken van een verloren generatie. Soldatenleed in de Eerste Wereldoorlog was vooral het massale sterven.

De condities in de loopgraven aan het Westfront zijn beeldbepalend voor de oorlog geworden. Hoewel de soldaten niet altijd in de eerste linies verbleven of aanvielen, waren hun levensomstandigheden zeer slecht. Ziekten werden in toom gehouden door medische vooruitgang, maar toch eisten besmettelijke ziekten en neuroses, de zogenaamde ´shellshock’, hun tol. Zelfverminking en zelfmoord kwamen voor om terugkeer naar het front te voorkomen.

Soldaten in de Eerste Wereldoorlog waren niet alleen slachtoffers, zoals latere generaties vaak van hen gemaakt hebben. Zij waren ook daders. In de frontliteratuur en ooggetuigenverslagen is altijd meer aandacht geweest voor het eigen leed dan voor de begane wreedheden tegen burgers, soldaten of gevangenen. Overspannen nationalisme, sociaal darwinisme, vijandbeelden, mythevorming en propaganda droegen bij aan de drang de vijand te vernietigen.

De oorlog werd door beide bondgenootschappen gezien als een heilige oorlog voor de beschaving en tegen barbarij. Er ontstond in de Eerste Wereldoorlog op deze wijze een oorlogscultuur doordrongen van haatgevoelens tegen de vijand. Frankrijk en Rusland ontleenden hieraan de legitimatie voor wreedheden aan de bezetting van hun vaderland. De Eerste Wereldoorlog was lange tijd een oorlog van de instemming. In landen als Duitsland, Oostenrijk, Servië, Rusland, België en Frankrijk verdedigden soldaten hun eigen land tegen de bezetters. Andere landen zagen de nationale of imperialistische belangen geschaad.

De spontane kerstbestanden tussen vijandelijke soldaten, die tegen de zin van de legerleiding tussen kerst en oudjaar 1914 plaatsvonden, waren uitzonderingen. De instemming met de oorlog was een constant gegeven, niet altijd even intens en met verschillen naar land of regio en sociale klasse. Er was wel kritiek op de oorlog of de verschrikkingen, maar massale muiterij of opstanden onder soldaten bleven lange tijd uit. In de hele oorlog werden slechts enkele honderden doodvonnissen door de militaire rechtbanken opgelegd en voltrokken.

De eerste scheuren in de algemene instemming in de oorlog ontstonden in 1917. In dat jaar viel het Russische leger uiteen door massale desertie, vrijwillige overgave of opstand. In Rusland brak de Russische Revolutie uit. In Frankrijk namen de muiterijen van 1917 de vorm aan algemene stakingen. Er werden doodvonnissen voltrokken, maar de Franse legerleiding ging in op de eisen en stelde grote aanvallen voorlopig uit. De soldaten waren wel bereid hun vaderland te verdedigen.

Na 1870 werden de militair geneeskundige diensten in de legers belangrijker. Het aantal soldaten dat in oorlogstijd aan ziekten stierf nam gestaag af. Medische kennis en logistiek verbeterden. Ziekten zijn in de Eerste Wereldoorlog niet meer de belangrijkste doodsoorzaak op en rond het front, met name door de preventieve geneeskunde. Niet alle medische vernieuwingen konden op grote schaal ingezet worden of waren aan het front voorhanden. De stroom gewonden als gevolg van gevechtshandelingen was te groot. Vele gewonden stierven onderweg in de keten van hulpposten, veldhospitalen en basishospitalen. De medische diensten droegen aanzienlijk bij aan het in stand houden van de grootte en strijdkracht van de legers. De miljoenen gewonden die niet meer konden vechten, werden opgevangen in speciale ziekenhuizen. De behandelmethoden van geestesziekten en plastische chirurgie ontwikkelden zich snel. Veel van de gewonden waren ernstig verminkt en werden weggestopt in tehuizen op het platteland.

Burgers en oorlog

De Eerste Wereldoorlog was een soldatenoorlog. Er werd relatief weinig materiële schade aan burgerdoelen toegebracht. Alleen in de frontlinie raakten steden en dorpen ernstig beschadigd, bijvoorbeeld Ieper en Reims. Aan beide fronten werd de strijd vooral uitgevochten in plattelandsgebieden. De burgers steunden de oorlog die voor hen door de soldaten werd uitgevochten.

Internationale afspraken over oorlogvoering en oorlogsrecht, zoals de Geneefse Conventie (1864) en de Haagse Vredesconferenties (1899 en 1907), werden in de Eerste Wereldoorlog geschonden. In de eerste oorlogsmaanden maakten alle oorlogvoerende landen zich schuldig aan wreedheden tegen burgers die zich in de aanvalsroute bevonden. In België begingen de Duitse legers, al dan niet uit angst voor ‘francs-tireurs’, ernstige oorlogsmisdaden. Directe burgerdoden vielen in eerste instantie vooral in de frontlinies. Bombardementen of gasaanvallen maakten slachtoffers.

Grote stromen vluchtelingen kwamen op gang, zoals van België naar Nederland en ook in Servië. In de bezette gebieden werden burgers gedeporteerd of te werk gesteld. België werd aan het einde van de oorlog als wingewest behandeld en meer dan honderdduizend burgers werden als arbeider in Duitsland te werkgesteld. Een zelfde lot trof vele Russen, Roemenen en Serviërs in het oosten, waar de levensomstandigheden in de interneringskampen nog harder waren.

Krijgsgevangenen, formeel weer burgers, werden overal slecht behandeld en te werk gesteld. Indirecte burgerdoden vielen vooral als gevolg van schaarste. Door de blokkades en de onbeperkte duikbotenoorlog namen de voedseltekorten in de loop van de oorlog snel toe.

Om en nabij dertig miljoen Europese burgers stierven door honger en ziekte. De Geallieerde zeeblokkade trof vooral Duitsland en Oostenrijk. Schaarste raakte in de meeste landen vooral de armste delen van de bevolking en er ontstonden voedselrellen. In oorlogvoerende landen werden artsen en verpleegsters ontrokken aan burgerbevolking. Medicijnen werden de burgers onthouden. Aan het einde van de oorlog stierven miljoenen verzwakte burgers aan de Spaanse Griep.

Het Rode Kruis pleitte als internationale organisatie voor de naleving van internationale afspraken en riep op tot vrede. De oorlog werd beleefd vanuit het nationale perspectief en het Rode Kruis werd gewantrouwd. In alle landen verzamelden de nationale Rode Kruis afdelingen geld en materiaal in voor de soldaten. Honderdduizenden vrouwen werkten als verpleegster aan het front. Het Rode Kruis werd in de nationalistische oorlogspropaganda voorgesteld als een moeder die zorgde voor de eigen soldaten. Vanuit het hoofdkantoor in Zwitserland werden gegevens van gewonden en dode soldaten bijgehouden en familieleden in contact gebracht met krijgsgevangenen. Het Rode Kruis kreeg al vanaf 1870 een plaats in de Europese legers, maar wel achter het front en onder gezag van de militair geneeskundige diensten. In 1917 ontving het Rode Kruis voor zijn werkzaamheden de Nobelprijs voor de Vrede, die al sinds 1914 niet meer uitgereikt was. Paus Benedictus XV riep de strijdende partijen tevergeefs op een rechtvaardige vrede te sluiten. Enkele vrouwenorganisaties riepen eveneens zonder succes op tot vrede.

Pers en propaganda

De Eerste Wereldoorlog was vanaf het begin een propagandaoorlog. Met de opkomst van de massamedia aan het einde van de negentiende eeuw werd het voor politici van groot belang rekening te houden met én invloed uit te oefenen op de publieke opinie. Het belangrijkste medium in de Eerste Wereldoorlog was de pers. Ook posters, overheidsrapporten, films en de bioscoopjournaals waren populair.

In Frankrijk en Groot-Brittannië waren geen regeringsplannen voor oorlogspropaganda. Wel werden al in 1914 wetten aangenomen die de persvrijheid beperkten. In de Engelse kranten was nog de meeste ruimte voor kritische geluiden. Kranten pasten zelfcensuur toe, al dan niet onder druk van de kranteneigenaren. In Duitsland was heel weinig ruimte voor kritiek op regering of legerleiding. Na 1916 wilden regeringen meer grip op pers en propaganda krijgen en werd de censuur zelfs uitgebreid tot persoonlijke brieven.

In Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland bleef de nationale eenheid bewaard, wat moeilijker bleek in Oostenrijk-Hongarije, Rusland, Italië, Bulgarije en Servië. Het thuisfront kreeg beelden van de oorlog via de massamedia en persoonlijke brieven van soldaten. Gewonde of dode soldaten van eigen bodem werden liever niet afgebeeld. Om het beeld van de oorlog voor het thuisfront niet te bloedig te maken, werden dode of gewonde tegenstanders van afstand in beeld gebracht. De brieven van soldaten gaven een gedetailleerder beeld van de werkelijkheid.

In sommige ooggetuigenverslagen en films werd de wreedheid van de oorlog wel beschreven of getoond. In de massale oorlogspropaganda werden de excessen of vermeende excessen van de tegenstander gebruikt. Beide partijen schilderden elkaar af als barbaren of oorlogsmisdadigers. Feiten werden opgeklopt, verdraaid of eindeloos herhaald. De geruchtenstromen aan het front en in de landen waren niet te stuiten. Er ontstonden een agressieve oorlogscultuur. Beide partijen vonden dat zij God aan hun zijde hadden. Nationalisme en religie mengden tot een agressieve vorm van ‘civil religion.’

Vaak wordt propaganda gezien als een van de hoofdoorzaken voor de aanhoudende instemming met de oorlog. Propaganda in de Eerste Wereldoorlog werd niet alleen door de regeringen of oorlogsministeries geregisseerd. Ook schrijvers, onderwijzers en leraren, fabrikanten, arbeiders en geestelijken droegen van onderop spontaan en ongecontroleerd bij aan de oorlogspropaganda. Het gevolg was een breed gedragen oorlogscultuur, doortrokken van haat tegen de vijand.

Gevolgen van de oorlog

De Vrede van Brest-Litovsk maakte in maart 1918 een einde aan de oorlog aan het Oostfront. De Bolsjewieken accepteerden de strenge vredesbepalingen om hun revolutie veilig te stellen. In het westen eindigde de oorlog nadat het Duitse opperbevel, generaal Ludendorff en de keizer Wilhelm II inzagen dat doorvechten zinloos was.

Wapenstilstand en vrede lieten zij echter over aan de nieuwe overgangsregering van sociaal-democraten en liberalen. In deze situatie ontstond de dolkstootlegende. Na de oorlog verviel Midden en Oost-Europa in een politieke en economische chaos. De communistische revolutiedreiging was groot, onder andere in Duitsland. De teruggekeerde soldaten zorgden voor een explosieve situatie. Zij waren gedesillusioneerd en vonden geen werk of waardering. In de golf van nationalisme vielen de twee grote multinationale rijken, Oostenrijk-Hongarije en het Turkse Rijk, uiteen in nationale staten. In Duitsland sloeg de nieuwe regering met hulp van de teruggekeerde soldaten een communistische revolutiepoging neer. De Weimar- Republiek werd uitgeroepen. De overwinnaars bepaalden na de wapenstilstand in 1918 de toekomst van de verliezers.

De ´grote drie’, zoals de onderhandelaars van Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten werden genoemd, waren sterk verdeeld. De Amerikaanse president Wilson nam zijn Veertien Punten plan (januari 1918), waaronder het zelfbeschikkingsrecht voor volken en de oprichting van een Volkenbond, als uitgangspunt voor de vredesonderhandelingen. Duitsland werd in de Vrede van Versailles (28 juni 1919) hard aangepakt tot ongenoegen van de meeste Duitsers en hun nieuwe democratische regering. Duitsland kreeg de schuld van de oorlog en moest herstelbetalingen aan de overwinnaars betalen.

In Europa leverden de nieuwe grenzen ook nieuwe minderhedenproblematiek op. Voor de koloniën of Arabische volken gold het zelfbeschikkingsrecht niet. In de Volkenbond konden conflicten tussen landen voortaan vreedzaam opgelost worden. Er was nu een internationale instantie met het doel vrede en veiligheid in de wereld te bewaken. De Volkenbond bleek een zwak instrument en had geen machtsmiddelen. De Verenigde Staten werden ondanks de inspanningen van Wilson geen lid.

Vanaf 1922 trad ook het Permanente Hof van Justitie in Den Haag in werking. Met het Verdrag van Locarno (1925) en het Briand-Kellogg Pact (1928) leek de wereldvrede gewaarborgd. De Eerste Wereldoorlog dompelden miljoenen Europeanen in rouw. Het rouwproces en het herdenken vonden op individueel en nationaal niveau plaats. Europa was in de ban van een herdenkingswoede. Oorlogsmonumenten werden opgericht in steden en dorpen. De dag van de wapenstilstand werd in alle landen een moment van herdenking. Ook vonden begin jaren 1920 nationale begrafenisplechtigheden plaats voor de niet-geïdentificeerde, dus onbekende soldaat. Vooral de soldaten werden herdacht en niet de burgerslachtoffers. In de Duitse herdenkingen werd de nederlaag genegeerd.

Na de oorlog kwam een stroom publicaties, ooggetuigenverslagen, dagboeken, romans, fotoboeken of gedichten op gang. In de jaren 1920 verschenen zowel aanklachten als lofzangen op de oorlog, zoals in Groot-Brittannië de ‘Warpoets’. In Duitsland werd, onder invloed van het pacifisme in de jaren 1930, het boek ‘Im Westen nichts neues’ van Erich Remarque een bestseller. Ook op de beeldende kunsten hadden de oorlogservaringen invloed.

Er pakten in de jaren 1920 ook donkere wolken boven Europa samen. De instabiliteit na de Eerste Wereldoorlog leidde tot totalitaire regimes, zoals het fascisme in Italië en het communisme in de Sovjet-Unie. De Duitse Weimar-Republiek maakte met de Vrede van Versailles een slechte start en maakte de opkomst van de nationaal-socialisten mogelijk. De instabiliteit en verbittering na de Eerste Wereldoorlog was een gedeeltelijke verklaring voor de opkomst van Hitler en het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog.

Literatuur Eerste Wereldoorlog 1914 - 1918

J.H.J. Andriessen - De andere waarheid.
Een nieuwe visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog 1914 - 1918.
Amsterdam 1999
S. Audoin en A. Becker 14 -18 De Grote Oorlog opnieuw bezien.
Amsterdam 2004.
L. van Bergen - Zacht en Eervol. Lijden en sterven in een Grote oorlog. Den Haag 2001.
C. en K. Brants - Velden van weleer. Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog. Amsterdam 2001
R. Chickering - Imperial Germany and the Great War 1914-1918. Cambridge 2004
N. Ferguson - The pity of war. New York 2000.
S. Grayzel - Women and the First World War. London 2002.
R. Henig - De oorzaken en achtergronden van de Eerste Wereldoorlog. Amsterdam 1997.
J.F.Hutchinson - Champions of charity: war and the rise of the Red Cross. New York 1996.
M. Jurgs - De kleine vrede in de Grote Oorlog. Kerstmis 1914 aan het westelijk front. Amsterdam 2003.
J. Keegan - De Eerste Wereldoorlog 1914 - 1918. Amsterdam 1998.
D. Stevenson - 1914 -1918. The History of the First World War. London 2004.
H. Strachan - The First World War. London 2005.

overzicht: