De eerste slag bij de Masurische Meren

Door: Mr. Dr. E. Ebben

Inleiding

Vergeleken bij de maatstaven van wat later gebruikelijk zou worden, was het voorbereidende artilleriebombardement pover te noemen. De zestien zware 155mm houwitsers van het XVIIe legerkorps, zware artillerie van het XXe korps, een speciaal hiervoor aan dat korps toegevoegde 10cm batterij en de lichtere artillerie van de aanvallende divisies openden in de vroege ochtend van negen september 1914 het vuur op de Russische stellingen.

Grote fonteinen aarde en rook spoten omhoog in de vijandelijke linies, iedereen ging zo snel mogelijk in volle dekking. De wachtposten werden ingerukt en zo snel mogelijk werden de hogere bevelsinstanties van het bombardement op de hoogte gesteld; snel, voordat het artillerievuur de toch al zo gebrekkige communicatie zou verbreken. Dit zou wel het begin van de verwachte Duitse aanval zijn.

Of de Russische troepen aan het ontvangende einde dit bombardement ook ‘pover’ vonden is niet bekend, maar het resultaat was duidelijk: toen de Duitse soldaten door de herfstmist voorzichtig oprukten was de tegenstand minimaal. De Russische soldaten trokken zich terug en leverden geen noemenswaardige tegenstand. Zowel de 35e als de 36e divisie van Von Mackensens XVII legerkorps brak, volgens plan, door de Russische stellingen, de eerste fase van het plan was geslaagd en de grote omsingelingsslag welke de doodsteek voor het Russische Eerste leger zou moeten worden kon beginnen. Nu was de kwestie van snel handelen, marcheren zou belangrijker zijn dan bestormen.

Het Duitse Achtste leger dat slechts enkele dagen eerder het Russische Tweede leger vernietigend had verslagen stond op het punt om ook het Russische Eerste leger te omsingelen. Als het in die opzet zou slagen was het gehele Russische noordwestfront vernietigd en zou het achtste leger de handen vrij hebben om de Oostenrijks-Hongaarse troepen, die nu door de Russen in de richting van de Karpaten op de vlucht gejaagd werden, te hulp te komen. Dan zou de oorlog in het oosten wel eens in 1914 beëindigd kunnen worden.

Niet meer thuis voordat de bladeren vielen, maar misschien nog net op tijd voor Kerstmis …

Hoe het zo ver kwam

De Duitse strategie

De moordaanslag op de troonopvolger van het Oostenrijks-Hongaarse rijk is de lont in het kruitvat van de Europese politiek. The damned foolish thing op de Balkan dat Von Bismarck reeds voorspeld had.[1] En nu, na tientallen jaren van internationale spanning is het zo ver. Oostenrijk-Hongarije verklaart de oorlog aan Servië op 28 juli, Rusland mobiliseert zijn gehele leger ter ondersteuning van zijn bondgenoot op de Balkan op 31 juli. Duitsland waarschuwt Rusland dat mobilisatie de oorlog zal betekenen en eist dat die maatregel op diezelfde datum ongedaan wordt gemaakt. Omdat op die eis geen antwoord komt verklaart Duitsland op een augustus aan Rusland de oorlog en nog op diezelfde dag mobiliseert ook Ruslands bondgenoot Frankrijk. Omdat het Duitse oorlogsplan een aanval op Frankrijk voorziet in geval van een tweefrontenoorlog, eist Duitsland twee augustus vrije doorgang door België. Omdat dit wordt geweigerd valt Duitsland zonder meer België binnen en verklaart op drie augustus ook dit land de oorlog. Een dag later verklaart Groot-Brittannië, vanwege de schending van de Belgische neutraliteit, aan Duitsland de oorlog.[2]

Het verhaal is genoegzaam bekend hoe het Duitse aanvalsplan en incompetente diplomatie Duitsland, in de voor propaganda en public relationsdoeleinden onbenijdenswaardige positie van agressor in een aanvalsoorlog brachten.

Het Duitse oorlogsplan was de door Von Moltke[3] en Ludendorf aangepaste versie van het vermaarde plan van veldmaarschalk Alfred Graf von Schlieffen, van 1898 tot 1906 chef van het brein van het Duitse Leger, de grote generale staf.[4] In die tijd had de lange, stille, licht loensende man zich het hoofd gebroken over de vraag wat er moest gebeuren indien Duitsland op twee fronten tegelijk oorlog zou moeten voeren. Dat was, sinds de opvolger van Rijkskanselier Von Bismarck, Von Caprivi het herverzekeringsverdrag met Rusland had laten verlopen, zeker geen academische kwestie meer. Sinds 1898 had het republikeinse Frankrijk er alles aan gedaan om het Tsaristische Rusland als bondgenoot aan zich te binden.[5] Alleen met anderen immers zou Frankrijk sterk genoeg kunnen worden om de in 1871 aan de Pruisen verloren provincies Elzas en Lotharingen terug te veroveren.

Von Schlieffen zag in dat Duitsland, hoewel dat het sterkste leger van Europa had, in een oorlog niet van twee andere grootmachten zou kunnen winnen. Duitslands bondgenoot, Oostenrijk-Hongarije, was als militaire macht steeds verder aan het afzakken en was steeds meer een regionale grootmacht op de Balkan geworden, niet meer een speler op het wereldtoneel. Dus Duitsland zou vooral op zichzelf aangewezen zijn. Om dat duivelse dilemma te doorbreken ging Von Schlieffen bij de geschiedenis te rade. De grootste vorst uit de geschiedenis van Pruisen, Frederik II de Grote, had eens gezegd dat wie alles wil verdedigen uiteindelijk niets verdedigt. Dat idee nam Von Schlieffen als uitgangspunt. Hij zou niet het leger in twee even grote delen opsplitsen om die, elk afzonderlijk, door de legers van Frankrijk respectievelijk Rusland, ieder ten minste even groot als het gehele Duitse leger, te laten verslaan. Hij zou zich op één tegenstander concentreren, die vernietigend verslaan om vervolgens het nagenoeg gehele leger tegen de andere vijand te laten opmarcheren. Omdat Rusland zo groot was en daardoor berucht om zijn langzame mobilisatie[6] zou het lang duren voordat de Russische stoomwals op gang zou komen. Er werd uitgegaan van een periode van zes weken. Die periode zou dus gebruikt kunnen worden om de andere tegenstander, Frankrijk, een dusdanige nederlaag toe te brengen dat vervolgens voldoende versterkingen oostwaarts gestuurd konden worden om de Russen te weerstaan.

Voor zijn operationele concept ging Von Schlieffen nog verder terug in de tijd. De slag bij Cannae waar in 216 v.C. Hannibal Barca de Romeinen onder Varro en Paullus versloeg.[7] Daar was, nadat de Romeinse cavalerie op de vleugels was verslagen, een dubbele omsingeling de infanterie fataal geworden. Hetzelfde had Von Schlieffen graag als recept voorgeschreven. Maar inmiddels was de situatie zodanig geworden dat zulks onmogelijk was geworden. Na hun nederlaag in één van Verdun naar Nancy en één van Toul naar Épinal. De tussengelegen ruimte, La Trouée de Charme was met opzet onverdedigd gelaten om de tegenstander in deze nauwe gang te lokken, zodat hij afgesneden en vernietigd kon worden. In het begin van de twintigste eeuw was er nog geen geschut zwaar genoeg om deze vestingen te vernietigen.[8] Een directe aanval zou hopeloos vastlopen. Er moest dus een creatieve oplossing worden gezocht. Von Schlieffen vond deze in de omsingeling van de Franse vestingen door het neutrale België heen. En, als militair pur sang had hij er bepaald geen moeite mee om een neutrale buurstaat onder de voet te lopen. Sterker nog, omdat ook België vestingen bouwde, rond Luik en Namen, nam hij ook eventuele schending van de Nederlandse neutraliteit op de koop toe!

Zoals gezegd was zijn plan in beginsel door zijn opvolger, de jongere Von Moltke behouden. Slechts op detailpunten, zoals de krachtsverhouding tussen de linker- en de rechtervleugel had Von Moltke het plan aangepast. Ook de schending van de Nederlandse neutraliteit had hij verworpen, een speciale aanvalseenheid zou de vestingstad Luik moeten innemen.

In beide plannen was de verdediging van het oosten van Duitsland, dat een aanzienlijk deel van het niet-zelfstandige Polen omvatte, aan één enkel leger, het achtste, toevertrouwd. Dit zou het meest oostelijk gelegen deel van Duitsland, Oost-Pruisen tegen de eerste Russische aanvallen moeten verdedigen. De andere zeven legers van de Duitse strijdkrachten zouden zich op Frankrijk storten, het in zes weken vernietigend verslaan door het Franse leger te dwingen zijn vestingen te verlaten en in het open veld te vechten. Daar zou de betere Duitse training en uitrusting bij gelijke sterkten de overwinning moeten zeker stellen. Dan zou, na verloop van tijd, het achtste leger kunnen worden versterkt.

De Russische strategie

Omdat bij de Russen en Fransen de Duitse strategie wel bekend was, werd alles in het werk gesteld om het plan te frustreren. Voor de Russen betekende dat zo snel mogelijk mobiliseren. Na hun slechte prestaties in de laatste conflicten waren er veel geld en energie in het leger gestoken. In 1914 was door de Minister van Oorlog, Soukhomlinov, het zoveelste herbewapeningsprogramma op touw gezet dat met Franse leningen werd gefinancierd. Het zou ertoe moeten leiden dat het Russische leger tegen 1917 beter uitgerust en bewapend zou zijn dan het Duitse. De omvang was nooit een punt van belang geweest, het Russische leger was zonder meer het grootste van Europa. Nu zou dat ook het best bewapende leger moeten worden. Ook was er veel Frans geld geïnvesteerd in de spoorwegen, die de mobilisatie moesten versnellen. Het was geen wonder dat het Russische leger als eerste mobiliseerde en dat dit ook een belangrijke reden voor de oorlog was. Wie als eerste mobiliseerde, kon als eerste bepalen waar gevochten werd en kon de eerste een klap uitdelen, waardoor de tegenstander dan gedwongen zou worden om naar de ander zijn pijpen te dansen.

Daarnaast had de Russische legerleiding onder de Groothertog Nikolai Nikolaievitch ervoor gezorgd dat de vredessterkte van de Russische legers zo groot mogelijk werd. Op die manier zou de eerste golf van de Russische aanval niet van de mobilisatie afhankelijk zijn. Die zouden dan de reserves, de tweede en volgende golven vormen.

Het Russische oorlogsplan was met de Franse legerleiding overeengekomen maar toch waren slechts twee van de zes eerstelijns Russische legers bestemd voor een aanval op Oost-Pruisen. Voor de Russen vormden de Oostenrijks-Hongaarse legers de voornaamste tegenstanders en vooral vanwege een mogelijke Oostenrijkse inval in Servië die de Russen graag wilden voorkomen of, als het niet anders was, vergelden.

De twee Russische legers die begin augustus 1914 daarvoor gereed stonden waren het Eerste leger onder generaal Rennenkampf die vanuit Vilna en Kovno op zou rukken over de Njemen en het Tweede leger onder generaal Samsonow die vanuit Lomza over de Narwe zou aanvallen. De beide legers werden dan ook wel aangeduid met de benaming van beide rivieren.

Deze twee legers zouden een concentrische aanval openen op Oost-Pruisen dat, als een vooruitgeschoven balkon tussen twee stukken van het Russische Rijk lag. Zo zou het Duitse Achtste leger in de tang worden genomen tussen het Eerste leger dat vanuit het oosten oprukte en het Tweede dat vanuit het zuiden kwam. Er was slechts één probleem. De geografische positie was zodanig dat de twee legers elkaar pas zouden kunnen ondersteunen zodra ze diep in Oost-Pruisen waren binnengedrongen.

Masuren

Oost-Pruisen is het hartland van het oude Junkerdom, het oudste deel van Pruisen en een voor de Hohenzollerndynastie belangrijk deel van Duitsland. Met zijn bijzondere geografische positie was het echter militair gezien een nachtmerrie.

Het lag als uitstulping van het Duitse keizerrijk bijna volledig ingeklemd in het Russische deel van Polen. Slechts in het uiterste westen, waar tussen Elbing en Danzig de Weichsel de Oostzee bereikt, grensde Oost-Pruisen aan de rest van Duitsland. Pas daar hield de militaire verantwoordelijkheid op en werd die overgenomen door het Silesische Landwehrkorps van generaal Von Woyrsch. De verbindingen met Russisch Polen waren gering in aantal en bovendien slecht van kwaliteit, hetgeen een gevolg was van de reeds jaren durende spanningen tussen beide landen. Hoewel het een vruchtbaar land was waren de wegen, in het bijzonder in de grensstreken zanderig en slecht begaanbaar. Aan de oostgrens was bovendien een groot, ruig gebied, de Rominter Heide, waar de Hohenzollerns hun jachtgebied hadden. En in het zuidoosten het grote merengebied van Masuren.

Een immense oppervlakte van bossen, heide en een grote hoeveelheid grotere en kleinere meren, slechts doorkruist door enkele wegen en zeer dun bevolkt. De Russische legers zouden om die natuurlijke hindernis heen moeten trekken; het Eerste leger ten noorden ervan, het Tweede ten westen ervan. Dat betekende, dat zo lang de legers geen contact met elkaar hadden, zij elkaar ook niet onderling konden steunen. Elk leger was op zichzelf aangewezen.

De legers

Het Duitse leger

Het vooroorlogse Duitse leger was de bijna perfecte oorlogsmachine, het best geoefende en best uitgeruste leger van Europa en dus van de wereld. Het had een vredessterkte van 880.000 man.[9] Het gezegde in het Duitse leger was dat de bovenmenselijke inspanning de standaardmaat van de actieve soldaat was. Bovendien was het Duitse leger, als leger van een centraal gelegen land dat door, voor het merendeel vijandige, buren werd omringd erop ingericht om tegen een overmacht te vechten. Het numerieke nadeel zou goedgemaakt worden door de superieure wapens, met name in de artillerie, door superieure training en, bovenal, door superieur leiderschap. De Duitse officier was dan ook lid van een beroepsgroep die aanzien genoot, die zich door inzet en professionaliteit van die van andere landen positief onderscheidde.

De training en de handhaving van de discipline was in handen van ongeveer 100.000 beroepsonderofficieren die het hart en de ruggengraat van het leger vormden. Zij hadden er aanzien en een goede carrière en waren na hun diensttijd verzekerd van een baan als veldwachter of politieagent.

Het leger was verdeeld in vijfentwintig actieve legerkorpsen: Garde, nummers

I tot XXI en in het, nog min of meer onafhankelijke, Beierse leger de nummers I tot III. Deze legerkorpsen waren ondergebracht in acht

Armee-Inspektionen, maar die hadden geen commandofuncties in vredestijd. Bij de mobilisatie in 1914 werden ook nog veertien reservelegerkorpsen geactiveerd.

In 1914 bestond een legerkorps uit twee infanteriedivisies van elk twee infanteriebrigades, een artilleriebrigade en een cavalerieregiment. De Infanteriebrigade had steeds twee vaste infanterieregimenten van elk drie bataljons onder zijn commando. Soms was er aan een brigade een extra bataljon jagers toegevoegd. De artilleriebrigade had twee vaste

artillerieregimenten onder zich. De artillerie bestond voornamelijk uit licht veldgeschut van 7,7cm en lichte houwitsers van 105mm De legerkorpsen hadden batterijen zwaardere houwitsers van 155mm die ze voor bepaalde taken konden toedelen aan de divisies. Behalve de houwitsers, die bedoeld waren om over de eigen linies heen te schieten was het veldgeschut bedoeld om naast de infanterie in de voorste linies te vechten. De reserveformaties hadden minder artillerie en vooral minder van de prachtige houwitsers. Ook misten de reservekorpsen de zware artillerie.

Een nadeel van de Duitse organisatie was, dat in vredestijd de legercommando’s niet actief waren. Dat gaf de verschillende

legerkorpscommandanten alle vrijheid voor tactische en operationele training. Die verschilde dan ook van korps tot korps en daarin bestond geen eenheid en geen overeenstemming. Hoe een korps de slag in ging werd bepaald door de Kommandierender General, de bevelhebber van het legerkorps.

In Oost-Pruisen had de bevelhebber van het Achtste leger het commando over drie actieve korpsen, I, XVII, XX en één reserve, I Res. Daarnaast was de eerste en, naast de Garde cavaleriedivisie de beste van het leger, cavaleriedivisie ter beschikking alsmede de onafhankelijk opererende derde reservedivisie. Daarnaast waren er de garnizoenen van de verschillende vestingen, Königsberg en Thorn, beide ter sterkte van een reservedivisie en nog verschillende Landwehreenheden. De Landwehr was de derde echelon, na de actieve en de reserve-eenheden. Hierin dienden de oudere manschappen die er hun verplichte dienstperiode bijna op hadden zitten. Er was theoretisch nog een vierde echelon, de Landsturm, maar die was beslist alleen bedoeld voor de verdediging van huis en haard. Daarin dienden zestienjarige jongens naast vijftigjarige mannen, ze waren slecht uitgerust en niet geschikt voor de frontlinie. In Oost-Pruisen namen ze hier en daar de taken over van formaties die wel frontdienst deden.

De Duitsers hadden voor de verdediging van Oost-Pruisen slechts ééntiende van hun totale sterkte beschikbaar, de oorlog zou ergens anders worden beslist.

Het Russische leger

Als het Russische leger op anderen een indruk maakte, dan was dat in elk geval door zijn omvang. Met bijna anderhalf miljoen mannen in vredestijd onder de wapenen was het zeker indrukwekkend te noemen. De twaalf militaire districten waren onderverdeeld in 208

regimentsrecruteringsgebieden, de Garde- en grenadierregimenten en de fusiliereenheden rekruteerden overal. In 1914 vormden die eenheden 37 Legerkorpsen respectievelijk Garde-, en Grenadierlegerkorpsen I tot XXV, Kaukasische legerkorpsen I tot III, Turkestan legerkorpsen I en II en Siberische legerkorpsen I tot V.

Een legerkorps commandeerde ook hier twee infanteriedivisies, elk van twee regimenten van elk vier bataljons en een artilleriebrigade met zes batterijen van elk acht stukken veldgeschut van 7,62cm. Het legerkorps had dan nog de beschikking over twee batterijen lichte houwitsers van elk zes stuks geschut van 150mm. De artillerie was van gelijke kwaliteit als de Duitse en de bemanning toegewijd en kundig. De Russische cavalerie had een grote reputatie hoog te houden en was in het leger een klasse apart. Onderverdeeld in vier groepen, Garde, Linie, Kozakken en vreemdelingen, was dit veruit de grootste bereden troep ter wereld. In augustus 1914 werden 24 cavalerie- en Kozakkendivisies gevormd, en nog eens elf onafhankelijk opererende brigades. Een logistieke nachtmerrie waren deze troepen wel, omdat het voer voor de paarden zulke grote inspanningen vroeg.

Omdat de bevolking als zodanig niet veel onderwijs genoot was het niveau van de rekruten laag. De beste manschappen werden ingedeeld bij de artillerie en de genie. De Russische soldaat was veelal analfabeet, van boerenkomaf, gewend aan ontberingen en bleef daaronder stoïcijns. Ook was hij bijgelovig en achterdochtig maar in elk geval in 1914 nog vol vertrouwen in zijn officieren en vadertje Tsaar.

Hoewel erg groot, had het Russische leger ook een enorm land te verdedigen in een aantal richtingen. Tegen het Ottomaanse Rijk werd al eeuwen oorlog gevoerd en de Balkan was bekend terrein voor de Russische legers. Japan was een nieuwe vijand maar een die niet mocht worden onderschat, terwijl Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, de oude bondgenoten van de napoleontische oorlogen van nog geen eeuw geleden, nu de nieuwe vijand vormden.

Een ander probleem vormde de vele nationaliteiten in dit enorme leger. Hoewel geprobeerd werd om die zoveel mogelijk in homogene eenheden te laten opereren gaf de communicatie tussen de Poolse, Turkmeense, Siberische, Finse en Russische eenheden, naast die uit de Oekraïne en Wit-Rusland, toch de nodige problemen. Moslims dienden niet, maar betaalden daarvoor in de plaats meer belasting.

Een groot probleem voor het leger was het officierskorps, of beter, het gebrek daaraan. De Russische officier had weinig aanzien en weinig kans op carrière, tenzij hij van adel was en de benodigde contacten bezat. De hogere posten waren veelal bezet door de uitgebreide Tsarenfamilie of hun adellijke connecties. Voor een eenvoudiger officier bleef er wel veel, zij het ondankbaar, werk in afgelegen garnizoensstadjes, ver weg van de beschaving. De afstand tussen de officieren en hun manschappen was astronomisch en een echte onderofficierskaste bestond er niet.

Het eerste en tweede Russische leger hadden samen dertig infanterie- en cavaleriedivisies onder hun bevel. En omdat de Russische infanterie- divisies zestien en de Duitse maar twaalf bataljons telden was de numerieke overmacht dus dramatisch te noemen.

Met deze troepen trokken de Russen Oost-Pruisen binnen, elk van die twee legers was sterker dan het totale Duitse achtste leger dat hen opwachtte.

Tannenberg

Gezien de centrale positie van Duitsland was het Duitse leger er altijd van uitgegaan dat het in een mogelijke oorlog tegen een numerieke overmacht zou moeten vechten. In de planning werd dan ook sterk de nadruk gelegd op de kwaliteit van de uitrusting, de training en vooral van de opleiding van de officieren. De kwaliteit van het leiderschap zou de doorslag moeten geven. Vandaar dat de Duitse officier zichzelf boven alles als een vakman zag. Een professional met maatschappelijk aanzien. De besten onder hen werden door middel van anoniem ingezonden examens geselecteerd voor een driejarige opleiding aan de Kriegsakademie, waarvoor elk jaar 160 plaatsen beschikbaar waren. Aan het eind van elk jaar was er een beoordeling en aan het einde van de opleiding mocht 30% van de beste van de afgestudeerden bij de Grote Generale Staf aan het werk, waar de elite van een toegewijd leger zich verder bekwaamde onder de bezielende leiding van specialisten zoals Von Schlieffen.

Bijna alle opperofficieren van het Duitse leger hadden deze opleiding doorlopen en hadden bij de generale staf gediend.[10] Dit gaf hen een grote gemeenschappelijke en gedeelde kennis en een manier van denken die op elkaar aansloot.

De opperbevelhebber in het oosten was Generaloberst Max von Pritwittz und Gaffron, een persoonlijke vriend van Keizer Wilhelm II, die tegen de zin van Von Moltke tot legerbevelhebber was benoemd en in wie hij dan ook weinig vertrouwen had. Daarom had hij zijn naaste medewerker, de plaatsvervangende chef van de Generale Staf, Georg von Waldersee tot diens chef-staf van het achtste leger benoemd. Hun opdracht was om Oost-Pruisen tegen de verwachte Russische aanval te beschermen en waar mogelijk de Oostenrijks-Hongaarse legers te ondersteunen. Dat laatste had echter, in tegenstelling tot wat het Habsburgse opperbevel dacht, een zeer lage prioriteit en zou ook niet aan de orde zijn; het achtste leger zou te druk zijn om zelf te overleven om aan steun aan anderen te kunnen denken.

Toen de Russische legers hun aanval inzetten waren hun voorbereidingen niet optimaal. Hun mobilisatie was overhaast en chaotisch verlopen en zodra vijandelijk gebied werd betreden begonnen zich direct logistieke problemen voor te doen en waren de verbindingen uiterst beperkt. Vaak was de legerleiding slecht op de hoogte van de exacte plaats van hun legerkorpsen en waren de legerkorpsen onderling zelfs niet op de hoogte van plaats en doel van hun naastgelegen eenheden. Bevelen van generaal Zhilinsky, commandant van het noordwestfront[11], kwamen maar met moeite door en waren zo lang onderweg dat ze, wanneer ze eindelijk arriveerden, praktisch alweer achterhaald waren. Het enorme aantal cavalerie-eenheden dat voor verkenning en achtervolging bedoeld was bleek een logistieke nachtmerrie te vormen. Het voer voor de paarden moest vanuit het achterland worden aangevoerd en naarmate de afstanden groter werden bleken de paarden die de bevoorrading moesten verzorgen meer te consumeren dan ze zelf konden aanvoeren. Vanaf de eerste dag leden de Russische infanteristen honger.

Zhilinsky was een voormalige chef van de Russische generale staf maar was niet geliefd bij zijn ondergeschikten omdat hij meer een bureaucraat en een ambtenaar was die volgens de regels werkte, dan een leider. Maar hij was goed op de hoogte van de uitgewerkte plannen en van de noodzaak om Frankrijk te steunen. Hij zou dan ook de druk op zijn ondergeschikten houden om op te rukken en aan te vallen. Van de Russische legercommandanten had Pawel Rennenkampf, de bevelhebber van het eerste leger zeven jaar lang een legerkorps aan de grens gecommandeerd. Vervolgens had hij sinds 1913 het bevel gevoerd over het militaire district Vilna dat aan Oost-Pruisen grensde. Hij was bekend in het leger om zijn grote snor en als een commandant die in de verloren oorlog tegen Japan zijn sporen had verdiend. Dat kon van zijn collega van het tweede leger, generaal Samsonov niet worden gezegd. Samsonov had in die oorlog een divisie kozakken geleid maar was vooral opgevallen door zijn bravoure en zijn gebrek aan strategisch inzicht. Ook was de verkenning door zijn troepen, wier kerntaak dit toch was, nooit behoorlijk uitgevoerd. Hij was, in tegenstelling tot Rennenkampf wel geliefd bij zijn troepen, maar werd algemeen als tweederangs generaal gezien.

Het Russische eerste leger vormde voor de Duitsers de grootste bedreiging. Dat leger kwam als eerste de grens over en stond direct tegenover de hoofdmacht van het achtste leger aan de oostgrens: I en XVII korps en I reservekorps. Het XX korps stond aan de zuidgrens waar het Russische tweede leger, vanwege de slechte verbindingswegen langzamer vooruitkwam.

Na de eerste schermutselingen kwamen de twee legers op zeventien augustus in contact bij Stallupönen. Hoewel Von Prittwitz de Russen eerst zo ver mogelijk wilde laten oprukken alvorens zich met alle macht op een van de twee legers te storten wilde generaal Von François, de commandant van het Ie legerkorps dat in Oost-Pruisen gerekruteerd werd, zo weinig mogelijk terrein prijsgeven. In strijd met zijn orders ging hij direct het gevecht aan. Von Prittwitz gaf hem vervolgens orders om het gevecht af te breken maar de koppige Von François haalde Von Prittwitz over om hem met de twee andere korpsen te steunen en hier, aan de grens, meteen een einde te maken aan de Russische opmars.

Op twintig augustus werd de slag bij Gumbinnen uitgevochten.

Het Russische eerste leger was niet best opgesteld en had juist, na een vermoeiende opmars van een week, deze dag als rustdag bestempeld. Er waren slechts zes divisies in de eerste linie en geen daarvan had enig idee waar de Duitse troepen zich bevonden. De cavalerie was nu al meer tot last dan tot nut voor het leger. De kozakken namen de vrijheid die zij als ongeregelde cavalerie genoten om te plunderen veel serieuzer dan hun verkenningstaken waarin ze heel wat minder uitblonken. De liniecavalerie, die veel afhankelijker was van de bevoorrading dan de kozakken was door de slechte verzorging al min of meer aan het desintegreren.

Het Duitse plan was om met het XVII korps onder Von Mackensen het Russische centrum te binden en dan met het Ie korps de noordelijke en met het Ie reservekorps onder Otto von Below[12] de zuidelijke flank van de Russen te omsingelen. Dat plan ging echter de mist in. In het centrum leed Von Mackensens korps een onverwachte nederlaag. De West-Pruisen werden met een geconcentreerd artillerievuur ontvangen en twee van hun eigen 76mm batterijen, die directe ondersteuning kwamen bieden aan de in het nauw gebrachte infanterie werden volledig vernietigd. Ook het Ie reservekorps kwam nauwelijks vooruit, de superieure Russische artillerie voorkwam ook hier een Duitse opmars. Hier speelde ook mee dat de Duitse reservekorpsen niet over de zwaardere veldhouwitsers beschikten waarover hun actieve eenheden wel beschikten. Alleen Von François’ Ie korps kwam op gang met zijn omsingeling. Maar omdat de andere eenheden hun doel niet bereikten moest die operatie, om te voorkomen dat het Ie korps zich aan een Russische omsingeling bloot zou stellen worden gestaakt.

De slag bij Gumbinnen was voor beide partijen een grote teleurstelling. De Duitsers zagen hun eerste plan mislukken. Von Prittwitz had de keuze de slag een tweede dag voort te zetten maar berichten uit het zuiden meldden de opmars van Samsonows tweede leger over de grens en dat leger zou dan mogelijk de vechtende Duitse troepen in de rug kunnen aanvallen. In dat geval zou het Duitse leger worden vernietigd en lag niet alleen Oost-Pruisen, maar ook de weg naar de rest van Duitsland en Berlijn zelf voor de Russen open. Ook Rennenkampf was aangeslagen. Hoewel zijn troepen zich hadden weten te handhaven en in het bijzonder de artillerie zich goed had geweerd, had zijn leger zware verliezen geleden, meer dan de Duitsers dachten en had het gevecht de troepen nog meer uitgeput. Bovendien nam de Russische bevelhebber zich voor om methodisch te werk te gaan in het vervolg van de opmars. Hij zou zich niet nog eens zo in het nauw laten brengen.

Von Prittwitz had geen idee van de Russische moeilijkheden, hij keek alleen naar zijn eigen zwakke leger dat nu een nederlaag tegen het ene Russische leger had geleden en bovendien een ander sterk leger in zijn rug zag opmarcheren. Het staat vrijwel vast dat Von Prittwitz in paniek is geraakt en dat Von Waldersee niet in staat is geweest om hem op andere gedachten te brengen. Besloten werd om, tegen het advies van de andere stafofficieren in Oost-Pruisen op te geven en terug te trekken op de rivier de Weichsel.

Het Duitse opperbevel schrok zodanig van deze pessimistische instelling, dat Von Moltke onmiddellijk ingreep en zowel de bevelhebber als de chef-staf van het achtste leger direct de laan uitstuurde. Ook al hadden zij inmiddels hun plannen bijgesteld omdat het Russische tweede leger inmiddels dichter bij de Weichsel was dan de Duitse troepen en de terugtocht zelf daarmee onzeker was geworden. Inmiddels was daarom besloten toch te proberen om, met alle beschikbare troepen het Russische tweede leger aan te vallen. Als dit bericht voor de Duitse Oberste Heeresleitung (OHL) op tijd zou zijn verzonden dan zouden de beide officieren misschien niet zijn ontslagen. Maar dat was inmiddels gebeurd en zou nooit ongedaan gemaakt worden; gedane zaken nemen geen keer. Er werd naarstig naar opvolgers gezocht. Die werden gevonden in de personen van Ludendorf en Von Hindenburg.

De chef-staf werd als eerste gevonden. Ludendorf had in de Generale Staf goed werk verricht. Samen met Von Moltke had hij als chef van de afdeling Operaties in het Schlieffenplan de aanpassingen aangebracht die beiden nodig achtten om het te laten slagen. De doortocht door Nederland werd geschrapt en, om een Franse inval in Duitsland te verhinderen werd de linkervleugel werd versterkt. Later zette Ludendorf zich wat al te luidkeels en politiek onhandig in voor een verdere uitbreiding van het leger. Dit kostte hem zijn stafpositie en hij kreeg een positie te velde. Bij het uitbreken van de oorlog was hij verbindingsofficier bij de Gruppe Emmich welke tot taak had de vesting Luik bij verrassing in te nemen. Hij was daarvoor de aangewezen man waar Von Schlieffen die vesting had willen omzeilen door de Nederlandse neutraliteit te schenden en door Brabant en Limburg op te rukken naar België. Om niet nog een tegenstander in het veld te brengen besloten Von Moltke en Ludendorf binnen de grenzen van België te blijven en een speciale aanvalseenheid in te zetten. Die aanval verliep niet al te best doordat de grote en moderne forten rond Luik de eerste aanval wisten af te slaan. Een enkele brigade, die van generaal Friedrich von Wussow wist ongezien tussen de forten door te dringen omdat de Belgische divisie die Luik had moeten verdedigen reeds met de rest van het Belgische leger naar de nationale vesting Antwerpen op weg was. Von Wussow sneuvelde en Ludendorf, die in de buurt was, nam zelf het bevel over en veroverde de stad Luik. Hoewel dit geen effect had omdat de forten eromheen stand hielden, was het toch een huzarenstukje en daar er weinig ander goed nieuws was, werd dit maar uitgebuit. Ludendorf verwierf er zijn plek in het oosten mee.

De keuze voor Von Hindenburg is nooit helemaal duidelijk verklaard. Er waren zeker andere kandidaten onder welke in het bijzonder de maarschalk Von der Goltz[13] die meende te zijn te kort gedaan door voor dit commando overgeslagen te worden.

Het bijzondere van de Duitse commandostructuur komt ook naar voren in het feit dat de chef-staf, op weg naar het front langs de OHL in Koblenz moet, waar hij van Von Moltke zelf instructies krijgt. Von Hindenburg krijgt een oproep en wordt later door Ludendorf per trein opgehaald in Hannover maar hij, Von Hindenburg, krijgt geen instructies en weet niet eens welk leger hem is toevertrouwd. Ludendorf heeft dan inmiddels al op eigen gezag bevelen voor de aanval op het Russische tweede leger rechtstreeks aan de korpscommandanten in Oost-Pruisen getelegrafeerd. Het is een teken van de uniforme Duitse staftraining dat dit dezelfde orders zijn die Von Prittwitz al had uitgevaardigd en waarmee Von Hindenburg direct instemt; deze tactische opgave heeft voor getrainde generale stafofficieren maar één oplossing: aanval met alle krachten op de gevaarlijkste vijand.

Intussen was de spanning bij de OHL zo hoog opgelopen en, bovendien, de Duitse aanval in het westen zo goed op gang gekomen dat besloten werd twee legerkorpsen en een cavaleriedivisie van de Duitse rechtervleugel uit het westen naar het oostfront te sturen. Het XIe en het Gardereservekorps werden met bestemming Oost-Pruisen op de trein gezet. De versterkingen zouden niet op tijd komen voor de slag bij Tannenberg en Von Moltke deze twee korpsen node missen bij de slag aan de Marne, begin september.

De slag bij Tannenberg[14] waar Von Hindenburg en Ludendorf het Russische tweede leger van Samsonow nagenoeg geheel verpletterden, was een strategische overwinning zonder weerga. Het Russische tweede leger was over een breed front opgerukt zonder een duidelijk beeld te hebben van waar de Duitse troepen zich bevonden. Na de meldingen over de overwinning van Rennenkampf bij Gumbinnen nam ook Samsonow aan dat de restanten van het Duitse achtste leger zich op de vesting Königsberg hadden teruggetrokken. Nu werd de verkenning vrijwel geheel verwaarloosd en onder druk van Zhilinsky werden de afzonderlijke korpsen opgejaagd naar hun eigen doelen; het onderlinge verband was al snel zoek. Terwijl het XX korps onder generaal Friedrich Wilhelm von Scholtz in het centrum langzaam terugweek, ondersteund door de Hauptreserve Posen onder generaal Mühlman en de Landwehrdivisie van Von der Goltz[15], rukte op de rechterflank het Ie korps en op de linkerflank het Ie reservekorps en het XVII korps op. Terwijl het centrum steeds verder oprukte werden de Russische flankkorpsen[16] verslagen en werd vervolgens het centrum[17] omsingeld. De omsingelde korpsen werden volkomen vernietigd, en de geestelijk gebroken Samsonow pleegde zelfmoord.

Hoewel een overwinning op een secundair oorlogstoneel was het de grootste omsingelingsslag in de geschiedenis. Meer dan 150.000 Russische soldaten werden gedood of gevangen genomen, onvoorstelbare hoeveelheden materiaal werden buitgemaakt. De Russen, toch al niet best op de oorlog voorbereid konden zich de verliezen in manschappen misschien permitteren, maar die in materiaal zeker niet. Bovendien werd door deze overwinning de strategische balans hersteld. Nu er een Russisch leger was vernietigd was er geen noodzaak meer om snel versterkingen naar het oosten te zenden. De nederlaag aan de Marne werd daardoor een tactische tegenslag, geen strategisch fiasco. Bovendien werd de balans in Oost-Pruisen weer hesteld: er was nu een versterkt Duits leger tegenover een groot Russisch leger.

De slag aan de Masurische Meren[18]

Plannen

Dat Russische leger had niet met geweer aan de voet gestaan terwijl het andere vernietigend werd verslagen maar Rennenkampfs opmars was te traag geweest, of beter, erg voorzichtig. Bovendien had hij aangenomen dat de Duitse hoofdmacht naar Königsberg zou zijn gevlucht. Nu werd hij geconfronteerd met een versterkt Duits leger dat het op hem had voorzien. Onmiddellijk staakte hij de opmars en zijn troepen begonnen zich in te graven. Niet in loopgraven zoals die aan het westelijk front zouden ontstaan, maar ze bouwden veldversterkingen,borstweringen en verschansingen. Prikkeldraad was bijna niet voorradig. Het plan van de Russen was in duigen gevallen en Rennenkampf was als verlamd, hij wist niet hoe nu verder. Zijn grootste ambitie was de inname van Königsberg maar, met het volledige achtste leger tegenover zich leek dit geen haalbare kaart meer. Van Zhilinsky had hij weinig te verwachten, die was vooral bezig met de administratieve rompslomp rond de aankomst van nieuwe versterkingen die in twee nieuwe legers moesten worden gegroepeerd: een nieuw negende rond Warschau en een tiende in de buurt van Grodno. Voor de versterking van het tiende leger werd zelfs Rennenkampfs linkerflankdekking, het XXIIe, Finse, korps onder Baron Von den Brinken gedetacheerd. Maar het tiende leger bestond voorlopig nog slechts op papier, totdat de commandant, generaal Flug zou arriveren, stond het onder bevel van generaal Radkevich, wiens eigen III, Siberisch, korps ook nog onderweg was.

Von Hindenburg en Ludendorf stonden nu voor een moeilijke keuze. Om voor het Duitse achtste leger volledige vrijheid van handelen te verkrijgen was het noodzakelijk voor Von Hindenburg en Ludendorf om ook deze vijand te vernietigen. Een gewone tactische overwinning zou niet voldoende zijn. Pas wanneer ook het Russische eerste leger vernietigd was, zou het Duitse achtste leger naar het zuiden kunnen gaan om daar de Oostenrijkse bondgenoot bij te staan die zware nederlagen leed in Galicië.

Een frontale aanval was uitgesloten want de Russen hadden zich ingegraven en waren in de meerderheid en daarbij kon, in geval van een overwinning op niet meer gehoopt worden dan de vijand terug te dringen wat niet voldoende was. Een omsingeling van de vijandelijke rechtervleugel was uitgesloten vanwege het terrein en de Oostzee op die flank en bovendien was die vleugel het verst verwijderd van waar de hoofdmacht van het achtste leger nu stond en tijd was kostbaar. Maar de Russische linkervleugel daarentegen vroeg eenvoudigweg om omsingeling. Omdat die flank eerder al wat was teruggenomen zou een aanval daar ook onmiddellijk de aanvoerlijnen bedreigen en zo tevens de rest van het Russische leger in gevaar brengen. Als de aanval meedogenloos zou worden doorgevoerd dan zou het Russische leger naar het noorden kunnen worden gedreven, van Rusland worden afgesneden en tegen de Oostzee volledig worden omsingeld. Daarmee zou ook het Russische eerste leger vernietigd zijn en zou de strategische overwinning aan het Oostfront behaald zijn!

Opmars

Vier legerkorpsen, het XXe en het Ie reserve en de versterkingen uit het westen; het XIe legerkorps van generaal der infanterie Von Plüskow en het Garde-reservekorps onder generaal der artillerie Von Gallwitz zouden het Russische front, dat van Labiau aan de Oostzee tot aan Angerburg aan het Dargainenmeer liep, binden. De overige twee korpsen, het Ie en het XVIIIe zouden, samen met de twee cavaleriedivisies onderlangs de Masurische meren trekken om een strategische omsingeling te bereiken. De rechterflank zou gedekt worden door de zelfstandige 3e reservedivisie en de Landwehrdivisie Von der Goltz. Een Russische aanval immers vanuit de richting van Augustow zou de Duitse uithaal wel eens kunnen afsnijden. Uit die omsingeling zou dan, gezien de Russische overmacht, geen bevrijding meer mogelijk zijn.

Het Russische leger bestond, na aankomst van versterkingen, uit vier legerkorpsen, twee onafhankelijke fusilierbrigades, zes reservedivisies en het garde Cavaleriekorps. Daarnaast moesten de Duitsers rekening houden met het tiende leger dat opgesteld werd en waarvan twee legerkorpsen min of meer gereed waren. De Russen hadden veldversterkingen opgeworpen en zich op de verdediging ingericht, ze wisten dat de Duitsers zouden aanvallen.

Indien Von Hindenburgs plan zou werken, dan zou Rennenkampfs linkerflank diens (Von H’s of Renn.) front worden en diens (Renn. of Von H’s?) sterke front een lange flank. Dat kleine front zou dan ten koste van die (wiens?)flank versterkt moeten worden of zou onder de druk bezwijken en dan zou de flank naar het noorden toe worden opgerold. In beide gevallen zou door deze manoeuvre de Russische overmacht worden geneutraliseerd. Bovendien zou de opmars van de cavaleriedivisies tot een omsingeling kunnen voeren indien deze divisies erin zou slagen de aanvoerlinies af te snijden. Het plan was prima.

Vanaf vijf september rukten de vier Duitse korpsen over een breed front op van het slagveld van Tannenberg naar de rivier de Pregel en de Russische stellingen. Daar aangekomen verkenden de troepen de vijandelijke linies. De Russen waren meesters in het verschansen en hier hadden ze de tijd gehad om zich erin uit te leven. Het prikkeldraad dat later het westelijk front zo zou beheersen was vrijwel afwezig, maar wel waren er rudimentaire loopgraven, borstweringen, verblijven en blokkeringen opgeworpen welke een frontale aanval tot een bijzonder moeilijke opgave maakten.

In de verdediging was de Russische soldaat altijd al beter geweest dan in de aanval. Toch had hij in de Russisch-Turkse oorlog van 1877 en in de Russisch-Japanse oorlog van 1904-‘05 ook bewezen zich, zonder op verliezen te letten op de vijand te kunnen storten. Maar initiatief kon van de soldaat en zelfs van zijn troepenofficieren niet verwacht worden maar zette men hem op een post met de opdracht die te verdedigen dan zou hij zich daar vastbijten met een koppigheid een betere missie waardig. Slechts een man tegen man gevecht of de dreiging van een omsingeling kon hem dan in beweging brengen.

Rennenkampf had zijn zwaartepunt in het midden van de linie bij Allenburg en Nordenburg gelegd. Als draaipunt erin was Gerdauen, waar de Russische stellingen naar het zuidoosten wegdraaiden versterkt en het centrum kon op sterke artillerieondersteuning rekenen. Ook werden hier de diepe riviertjes de Omet en de Alle voor de verdediging gebruikt. Een aanvaller zou deze waterpartijen moeten overwinnen voordat de stellingen aangevallen konden worden.

Op negen september was alles in gereedheid en kon de slag beginnen. Over ruim 150 kilometer gingen de Duitsers voorwaarts, op de Russische stellingen af.

De omsingelingsaanval

Hoewel manoeuvre de overwinning zou moeten brengen begon de slag met stormaanvallen. Op beide flanken zetten de Duitsers de aanval in. Op zes september al viel, op uiterste linkerflank in de buurt van Labiau aan het Kurische Haff, de Hauptreserve Königsberg de Russische 56e divisie aan. De Russen dachten dat dit de inleiding was tot een aanval met marine-eenheden op die flank en bouwden de versterkingen van Labiau uit. Ook werden eenheden naar de kust gedirigeerd om een eventuele amfibische landing af te slaan.

Aan het andere uiteinde van de linie begon de derde reservedivisie onder de energieke generaal Von Morgen met de opmars naar Bialla. Deze opmars was een belangrijk onderdeel van de operatie en wanneer deze flankdekking zou mislukken was de gehele aanval in gevaar. Maar de aanval verliep vlekkeloos. Hoewel Von Morgen werd geconfronteerd met de reeds gearriveerde eenheden van het nieuwe Russische tiende leger welke door Rennenkampf voor een flankaanval waren ingezet. Maar hier was van enige samenhang geen sprake, de Russische eenheden waren niet op elkaar ingespeeld, de commandostructuur was niet compleet en de bevelhebbers waren onbekenden voor elkaar. De derde Reservedivisie, door Landwehr eenheden onder Von der Goltz ondersteund maakte daar dankbaar gebruik van. Hoewel de Russische eenheden hier getalsmatig verre superieur waren aan de Duitsers en ook voor wat betreft het materiaal niet voor de minder goed uitgeruste Reservedivisie onder deden werden ze toch verslagen en teruggedrongen. De Duitsers bezetten stellingen tussen Bialla, Arys en de Lycker See en richtten nu op de verdediging in.

De Russen begrepen direct het belang van de tegenaanval. Zhilinsky probeerde de operaties van het eerste en het tiende leger te coördineren maar verzwakte daarmee alleen maar de linkervleugel van Rennenkampf. Van het tiende leger werden alle beschikbare troepen ingezet voor de tegenaanval. Drie dagen lang werd verbeten gevochten. Maar zelfs de harde kern van het Russische tiende leger, het III Siberische Korps onder generaal Radkewitch, kon de Duitsers niet uit hun beschermende flankbeveiliging verdrijven. De aanvallen van de zevende en achtste Siberische infanteriedivisies bleven in het vuur van de Duitse eenheden liggen. Ook de Russische artillerie, die nu al te kampen kreeg met gebrek aan munitie kon zich onvoldoende doen gelden om de slag te beslissen. De Landwehrdivisie Von der Goltz kreeg de aanval van de vier Fusilierbrigades van het Russische XXII korps onder luitenant generaal baron Von den Brinken. Ook hier waren de Russische aanvallen ongecoördineerd en onvoldoende ondersteund. De Duitsers kwamen niet in de problemen, ze hoefden zelfs geen beroep op het legerhoofdkwartier te doen voor de inzet van reserves.

Na drie dagen was alle vergeefse Russische inspanning ook al niet meer relevant, de Duitse manoeuvre had toen al effect gehad.

Von Mackensen was op zeven september met het XVII korps de aanval op de Rennenkampfs linkervleugel begonnen. Maar omdat zijn troepen zich daar door de flessenhals van de meren heen moest vechten en vanwege het heftige verzet van de Russische 43e infanteriedivisie werd daar geen vooruitgang geboekt. Sterker nog, op acht september ging het Russische II korps tot de tegenaanval over. Hevige gevechten van man tegen man rond de doorgangen tussen de Masurische meren waren het gevolg. De Russen verzetten zich zo fel omdat Rennenkampf veel verwachtte van de tegenaanval van het tiende leger. Hij weigerde daarom zijn troepen uit hun goed ingerichte stellingen terug te trekken, in het open veld zou de tegenstand alleen maar moeilijker worden. Bovendien meende hij dat een terugtocht, zo snel na de nederlaag bij Tannenberg het moreel van zijn troepen fataal zou worden. Dus koos hij ervoor om te vechten. Het oprukken van het Duitse I korps werd wel opgemerkt maar niet als een echte bedreiging gezien. Hoe verder deze troepen oprukten, hoe meer er gevangen genomen zouden worden!

Hij moest nu echter wel reserves uit zijn linie vrijmaken om, vanwege Von François’ manoeuvre, zijn rechtervleugel te verlengen.[19] En dat, terwijl nu ook de andere Duitse korpsen druk op de frontlinie gingen uitoefenen. Op negen september viel het I korps effectief in de flank aan. Rennenkampf besloot op zijn uiterste rechtervleugel, het XX korps uit de linie te halen om dat op de andere flank in te zetten. Maar nu echter het Russische II korps, dat door het Duitse I en XVII korps vol onder druk werd gezet al terrein aan het prijsgeven was en deze versterkingen van ver moesten komen besloot hij het XX korps naar Darkehmen te sturen en het II korps op diezelfde plaats te laten terugtrekken.

De Duitse manoeuvre verliep niet zoals gepland. De felle tegenstand van de Russische 43e divisie, die inmiddels als gevechtsformatie opgehouden had te bestaan had de opmars van de aanvallende XVII en het omsingelende I korps danig vertraagd. Daarnaast was het de eerste en achtste cavaleriedivisies niet gelukt de belangrijkste Russische aanvoerlinie over Insterburg af te snijden. In de Russische achterhoede bevonden zich zoveel gevechtseenheden die zich niet in paniek lieten brengen, dat het voor de lichtbewapende cavalerie onmogelijk was om daar zonder ondersteuning door te breken. Op negen september kwam de Duitse aanval goed op stoom. Terwijl het Russische II korps de handen vol had aan de flankaanval van Von François zette het XVII van Von Mackensen ook de stormaanval in. Het II korps werd bijna verpulverd, slechts restanten van de vechtende eenheden konden zich redden. Het I korps zette zijn aanval voort, daarbij ondersteund door ongekende artilleriedeelname. Nu was Rennenkampf ook op de hoogte gebracht van de volledige mislukking van de aanvallen van het tiende leger. Onmiddellijk gaf hij aan alle eenheden[20] bevel voor een overhaaste terugtocht een bericht dat echter niet al de eenheden op tijd bereikte. In allerijl verlieten de Russen hun uitgebouwde stellingen en vertrokken haastig in de richting van de Russische grens. Met de Duitsers op hun hielen probeerde het Russische eerste leger zich aan de omsingeling te onttrekken. In het centrum verliep de Duitse opmars zo snel dat verscheidene Russische eenheden werden afgesneden maar het IV korps onder Generaal Ewert maakte rechtsomkeert voor een lokale tegenaanval en bevrijdde deze eenheden die daarna hun terugtocht voortzetten. Er werd op verschillende plaatsen hard gevochten, vaak man tegen man waarbij de Russische soldaat zich als een verbeten vechter onderscheidde die zeker niet voor zijn Duitse tegenstander onder deed. Maar de Duitse eenheden waren in groter verband en zeker voor wat betreft de commandostructuur en de bevelvoering verre de meerdere van hun Russische tegenpolen al waren die numeriek sterker.

Ludendorf zou later in zijn Kriegserinnerungen bevestigen dat door de Russische tegenstand de manoeuvre niet het gehoopte resultaat behaalde, hoewel hij ook meldt dat de slag in de geschiedenis van de oorlog ondergewaardeerd is.[21]

De terugtocht werd bijna een overhaaste vlucht wat dan aan de Duitsers de mogelijkheid zou bieden om ook het eerste leger vernietigend te verslaan. Maar het XX korps, dat de rechtervleugel had moeten versterken wist een sterk punt in het centrum te bezetten welk feit de andere korpsen de kans gaf om de terugtocht geordend voort te zetten.

Op twaalf september stroomden de Russische eenheden de grens weer over en zochten bescherming in de vesting Kovno. De Duitse achtervolging werd aan de grens gestaakt. Oost-Pruisen was bevrijd en de Russen was weer een zware nederlaag toegebracht. Het Russische leger gaf officieel toe 125.000 man te hebben verloren (waarvan 45.000 gevangenen) en 150 stukken geschut. De echte verliezen waren waarschijnlijk nog veel groter. Het leger van Rennenkampf zou na de slag nog ongeveer 100.000 soldaten onder de wapenen hebben. Nog altijd een behoorlijk aantal maar de Duitse superioriteit was nu duidelijk geworden. Alle Russische inspanningen tegen de Duitsers hadden slechts tot nederlagen geleid. De Russische soldaten waren daarvan in elk geval overtuigd. Dat dit niet aan de individuele soldaat lag was hun ook duidelijk. Zo werd de schuld voor de nederlagen al snel bij de adellijke commandanten neergelegd welke daarop niet reageerden omdat het beneden hun waardigheid was om tekst en uitleg te geven aan de gewone soldaat. De ‘moezjiek’ moet gewoon doen wat hem gezegd wordt. Het zaad voor de Russische revolutie werd ongetwijfeld reeds in 1914 gezaaid.

Conclusie

Hoewel de stoutste Duitse dromen niet waren uitgekomen, waren de Russische legers die tegen Duitsland waren ingezet zwaar aangeslagen. Het enorme Duitse achtste leger kon dan ook, met enige versterkingen, in twee legers worden opgesplitst; er werd een nieuw negende leger onder Von Mackensen opgesteld. De benoeming van Ludendorf als chef-staf van dit leger was van korte duur, zowel Von Hindenburg als Ludendorf voelde zich zonder de ander zodanig gehandicapt dat de samenwerking op beider verzoek werd voortgezet. Het totaal van beiden was meer dan de som van de samenstellende delen. De korpscommandanten hadden zich ook alle onderscheiden en de meeste van de oude commandanten van het achtste leger zouden in de loop van de oorlog zelf ook legers en legergroepen onder hun bevel krijgen.

Deze beide Duitse legers werden nu ingezet om de bondgenoot te ondersteunen. De nederlagen van de Oostenrijks-Hongaarse legers dwongen daar nu toe. Aan het einde van 1914 en in 1915 werd Polen het slagveld aan het Oostfront.

Voor de Russen was Oost-Pruisen een ondergeschikt theater, de nederlagen daar werden ruimschoots gecompenseerd door de overwinningen op de Oostenrijkers. De enige consequentie was, dat de bevelhebber van het noordwest front, Zhilinsky van zijn functie werd ontheven, hij zou in paniek geraakt zijn en de operaties niet meer hebben kunnen leiden. Zo werd hij de zondebok voor het falende Russische leiderschap. Rennenkampf bleef gewoon op zijn post, het feit dat zijn leger min of meer intact bleef was al een hele prestatie, zo was de algemene opvatting van het Russische oppercommando.

Belangrijker dan de personele consequenties was dat de operaties in Oost-Pruisen van zodanig strategisch belang waren dat daardoor de nederlaag aan de Marne Duitsland niet fataal werd. Nu het er niet in slaagde om Fankrijk binnen zes weken beslissend te verslaan, waarna de troepen naar het oosten konden om de Russen tegen te houden, was het Schlieffenplan mislukt. Er was geen andere optie meer open. Nu echter de Russische legers daar verslagen waren was die grote versterking in het oosten niet nodig. En de steun aan de bondgenoten kon nu uit Oost-Pruisen komen. Zo waren Tannenberg en de Masurische meren strategische overwinningen die in elk geval de nederlaag van de Centrale Machten verhinderden. Nu was het mogelijk om de oorlog voort te zetten, om te verdedigen in het westen en in het oosten Rusland te verslaan of er een apart vredesverdrag mee te sluiten.

Ook waren deze overwinningen noodzakelijk in de propagandaoorlog. Na de nederlaag aan de Marne had het Duitse publiek grote behoefte aan morele steun. Die werd geboden door de overwinningen in het oosten. Zo werd Von Hindenburg, als opperbevelhebber, steeds bekender en

langzaamaan zou hij de Keizer zelf steeds meer in de schaduw zetten. Toen in 1916 Von Hindenburg en Ludendorf ten slotte het opperbevel over het leger overnamen zou Von Hindenburg uitgroeien tot de beeldbepalende figuur van Duitsland.

Die positie zou zo onaantastbaar blijken dat hij zelfs de nederlaag in 1918 doorstond. In 1926 zou Hindenburg de presidentsverkiezingen in de Weimar-republiek winnen en zo uitgroeien tot een republikeinse Ersatzkaiser.

Noten

[1] In juli 1914 stuurde Kaiser Wilhelm II zijn vriend, de Hamburgse reder Albert Ballin naar London om te proberen de Britten neutraal te houden. Dit citaat heeft Churchill overgeleverd (The World Crisis, Vol I 1911-1914, p. 207). Overigens was de hele Balkan volgens Bismarck nog niet „die Knochen eines einzelnen pommerschen Grenadiers” waard. Zie over Ballin: Eberhard Straub: Albert Ballin. Der Reeder des Kaisers. Siedler Verlag, 20

[2] Zie hierover recentelijk J.H.J. Andriessen: De andere waarheid; een nieuwe visie op het ontstaan van De Eerste Wereldoorlog 1914-1918, 2e druk 1999. Mark Hewitson: Germany and the causes of the First World War, 2004.

[3] Kolonel-generaal Helmuth von Moltke (1848-1916), een neef van de vermaarde veldmaarschalk van dezelfde naam (1800-1891), op wiens naam de overwinningen van Pruisen in de oorlogen van 1848 tegen Denemarken, 1866 tegen Oostenrijk en 1870/71 tegen Frankrijk staan. Over Moltke (de jongere) Wilhelm Gröner: Der Feldherr wider Willen 1931 (Gröner was Ludendorfs opvolger na diens ontslag in oktober 1918) en meer recent Anika Mombauer: Helmuth von Moltke and the origins of the First World War 2001.

[4] Zie over De grote generale staf W. Görlitz: Der deutsche Generalstab; Geschichte und Gestalt 1657 - 1945 1957 (engelse vert. History of the German General Staff 1995). Over Von Schlieffen is zelfs na de eerste wereldoorlog veel geschreven; zie met name generaal Wilhelm Gröner: Das Testament des Grafen Von Schlieffen 2e ed. 1928. Over het Schlieffen-plan zie Gerhard Ritter: Der Schlieffen-plan; Kritik eines Mythos 1956 (engelse vert. The Schlieffen Plan; Critique of a Myth 1958).

Recentelijk is het bestaan van een echt Schlieffen-plan in twijfel getrokken door Terence Zuber: Inventing the Schlieffen plan: German War Planning, 1871-1914 2003.

[5] Zie over dit bondgenootschap George F. Kennan: The Fateful Alliance; France, Russia and the coming of the First World War 1984.

[6] In 1877 in de oorlog tegen het Ottomaanse Rijk, de Plevna-campagne, was de mobilisatie meer dan een jaar voor de eigenlijke inval in Bulgarije al begonnen. En de Russische strijdkrachten hadden met hun niet al te glansrijke prestaties tegen het, ondanks de Duitse militaire adviseurs alom als achterlijk beschouwde, Ottomaanse leger geen al te beste indruk gemaakt. Die slechte indruk zou in de oorlog van 1905 tegen Japan alleen maar bevestigd worden.

[7] Voor Cannae, zie Hans Delbrück: (engelse Vert. Wardare in Antiquity 1990) en Peter Connolly: Hannibal and the Enemies of Rome 1985. Von Schlieffen schreef zelf ook over de veldslag.

[8] De Oostenrijkse 305 mm houwitsers en de Duitse 420 mm Mörser, de beruchte Dikke Bertha, werden juist ontwikkeld naar aanleiding van de zojuist gereedgekomen vestingwerken.

[9] Deze gegevens uit John Ellis en Michael Cox: The World War I Databook 5e druk 2005. Ter vergelijking: de vredessterkte van het Franse leger bedroeg 739.000 man en die van Rusland 1.400.000 man.

[10] Zo alle legercommandanten, met uitzondering van Alexander von Kluck, de bevelhebber van het eerste leger.

[11] Het Russische leger was op dit punt het Duitse vooruit, er werd darin al met legergroepen gewerkt, Noordwest front tegen de Duitsers (eerste en tweede leger) en Zuidwest front onder generaal Ivanov (derde, vierde, vijfde en achtste leger) tegen de Oostenrijks-Hongaarse legers.

[12] Er deden drie broers Von Below dienst als generaal in het Duitse leger; Otto, die later het bevel zou voeren over het zeventiende leger in het grote maartoffensief van 1918, Fritz, de latere bevelhebber van het tweede leger en Hans, wiens 238e divisie op 21 maart 1918 de grootste terreinwinst zou boeken van het maartoffensief.

[13] Generalfeldmarschall Colmar Freiherr von der Goltz Pasha(1843-1916), hoofd van de Duitse militaire missie in het Osmaanse Rijk in de jaren rond 1870, schrijver en denker, werd in 1914 weer in actieve dienst opgeroepen als generaal-gouverneur van bezet België en in 1915, op verzoek van het Osmaanse opperbevel weer naar het Midden-Oosten gestuurd. Daar nam hij het bevel over het zesde leger op zich en leidde hij de succesvolle verdediging van Mesopotamië. Hij overleed aan vlektyfus, twee dagen voordat de Brits-Indische legermacht onder generaal Townshend zich bij Kout-al-Amara moest overgeven. Hij was van 1903 tot 1908 commandant van I legerkorps geweest en dus met Oost-Pruisen bekend.

[14] Over de slag bij Tannenberg, zie Max Hoffmann (Hoffmann was eerste stafofficier Ia bij het achtste leger): Der Krieg der versäumten Gelegenheiten (1923) en Tannenberg: wie es wirklich war (1929), Reichsarchiv: Der Weltkrieg 1914-1918, Band 2 (1925), p. 111-246, General Edmund Ironside: Tannenberg: the first thirty days in East-Prussia (1925), Norman Stone: The Eastern Front 1914-1917 (1975), p. 44-67, Hew Strachan: The First World War, Vol I To Arms (2001), p. 316-331, John Sweetman: Tannenberg 1914 (2002). Voor een overzicht in kaarten zie Arthur Banks: A Military Atlas of the First World War (2e dr 1989) p. 90-97.

[15] In 1914 dienden er tien generaals van die naam in het Duitse leger,voortkomend uit twee grote families, de Freiherren en de Grafen. De hier bedoelde generaal is ofwel Alexander of Kuno Freiherr von der Goltz.

[16] Op de Russische linkerflank het Ie korps onder Artamanov en op de rechterflank het VIe onder Blagovestzhenski.

[17] XIIIe korps Klujew, XVe korps Martos en XXIIIe korps Kondratowitsch.

[18] In vergelijking met de slag bij Tannenberg is er over de Masurische meren weinig geschreven. Ludendorf klaagt in zijn Kriegserinnerungen dat de slag niet de aandacht gekregen heeft die hij verdient. Het vogende is gebaseerd op het betreffende hoofdstuk in Recichsarchiv: Der Weltkrieg, zweiter Band, Die Befreiung Ostpreussens (1925) p. 247-357, Erich Ludendorf: Kriegserinnerungen (1919) p. , Paul von Hindenburg: Aus meinem Leben en Hermann Stegemann: Geschichte des Krieges (1917), Band I p. 253-266. Stegemann is een Zwitserse militaire auteur die voor een lokale krant de ontwikkelingen volgde, hij geeft een verrassend heldere kijk op het gehele gebeuren en heeft een wijde blik, hoewel hij praktisch vanuit de tegenwoordige tijd schrijft.

[19] In vier dagen tijd legde het I korps 123 kilometer af, te voet!

[20] Een van de verwijten die de Russische generaal wordt gemaakt is dat hij bij de opmars te veel treuzelde en te veel haast maakte bij de terugtocht. Dat laatste verwijt lijkt echter onhoudbaar, eerder treuzelde Rennenkampf ook teveel bij de terugtocht.

[21] Ludendorf: Meine Kriegserinnerungen p. 51. Inderdaad lijkt de eerste slag aan de Masurische meren in het geweld van de enorme veldslagen in het Oosten ten onder te gaan, noch in de serie van de Generale Staf, noch in de serie van het Reichsarchiv is een deel aan deze veldslag gewijd. De Zwitser Stegemann lijkt deze slag echter wel op waarde te schatten.

Hew Strachan meent dat Ludendorf zich pas achteraf heeft gerealiseerd welke mogelijkheden er waren geweest. Dat lijkt mij echter een grove onderschatting van deze briljante leerling van Von Schlieffen.

overzicht: