Een anti-oorlogsmuseum in een eeuw van oorlogen

Het eerste ‘Internationales Anti-Kriegsmuseum’ ter wereld

Volgens een telling van de VN zijn er op dit moment - na eeuw vol met oorlogen - meer dan 65 anti-oorlogsmusea in de wereld. Juist Duitsland (8) en Japan (18) zijn sterk vertegenwoordigd, maar ook Vietnam, Kenia en zelfs Oezbekistan komen op de lijst voor. Het allereerste anti-oorlogsmuseum ontstond in 1925 te Berlijn als reactie op de Eerste wereldoorlog. Dit nog steeds bestaande museum vormt het uitgangspunt van dit artikel.

De twintigste eeuw was eeuw van oorlogen en dus van ongekende massaslachtingen. Alleen al in de twee wereldoorlogen stierven in totaal minstens 65 miljoen mensen, vooral veel jonge mannen in de bloei van hun leven. En tot in onze tijd blijft oorlog een dagelijks verschijnsel. Zo dagelijks dat veel mensen het als een natuurverschijnsel over zich heen laten komen of - meer nog - op TV als een spannende film volgen.

Als reactie hierop ontstond al in de negentiende eeuw een pacifistische beweging die als een morele schaduw van oorlogen allerlei initiatieven ontplooide. Een daarvan is het oprichten van anti-oorlogsmusea. Afgezien van een vroege halfslachtige voorloper in Luzern, is het Anti-Kriegsmuseum in Berlijn uit 1925 de eerste in zijn soort . Als een soort spiegel van een eeuw van oorlogen en vaak ook als voorbeeld voor andere musea, volgen we het ontstaan en de ontwikkeling van dit ‘kleine museum met een grote boodschap’ Later volgden er meer en na de WO2 zelfs nog veel meer. In Nederland kennen we vanaf 1913 het Vredespaleis in den Haag, maar een echt anti-oorlogsmuseum is er opvallend genoeg niet. Het ‘Museum voor Vrede en Geweldloosheid’ is vanaf 1995 actief bezig zoiets op te zetten, maar is tot nu toe niet veel verder gekomen dan het verzorgen van overigens zeer waardevolle reizende tentoonstellingen. Verder zijn de druk bezochte herinneringscentra in Vught en Westerbork - zeker in hun educatieve programma’s - sterk pacifistisch ingesteld. De oprichting en inrichting van het Anti-Kriegsmuseum in Berlijn anno 1925 was in hoge mate het werk van een persoon, Ernst Friedrich. Een bijzondere man waar al heel wat over geschreven is.

Friedrich was al vroeg actief in de Duitse arbeidersbeweging van voor de WO1 en in 1914 - bij het uitbreken van de oorlog - is zijn keuze duidelijk: hij weigert dienst en wordt opgesloten in een inrichting. Tijdens de afloop van de oorlog is hij actief betrokken bij de Spartacusopstand en leert er o.a. Rosa Luxembourg kennen. Maar Friedrich voelt niets voor het communistische experiment in de USSR. Hij verafschuwt Lenin evenzeer als de paus!

Veel meer is hij een anarchistische pacifist met bijna ‘provoachtige’ trekjes. Zo woont hij in een commune en ziet hij vooral in jongeren de revolutionaire kracht („Vertrouw niemand boven de 30”). Hij is een voorstander van directe en spontane actie bijv. door middel van muurkranten of het uitdelen van anti-oorlogs-kerstkaarten onder het winkelende publiek. En in de Friedrich-bijeenkomsten wordt samen gekookt, samen muziek gemaakt en worden na het voordragen van gedichten eindeloze politieke discussies gevoerd. Ook benadrukt hij het „sichselbst revolutionieren” als beginpunt van maatschappelijke verandering. Vandaar ook dat thema’s als natuurvriendelijke landbouw en „Liebe ohne Folgen” besproken worden. Rond 1920 heeft Friedrich flink wat aanhang in Berlijn en andere grote steden. Bindende factor is daarbij het blad ‘Freie Jugend’, maar verder is zijn aanhang zwak georganiseerd. Veel in deze beweging draait om de charismatische Friedrich. ‘Een fanaticus maar geen dogmaticus’, zoals hij later door een goede vriend werd getypeerd.

Ondertussen is de altijd actieve Friedrich bezig een verzameling aan te leggen van met name foto’s die de Eerste wereldoorlog betreffen. Via oproepen in kranten en tijdschriften verzamelt hij de meest vreselijke foto’s van verminkte soldatenhoofden, kreupele soldaten, executies, hongerige kinderen, smoezelige veldbordelen en nog veel meer In 1924 publiceert hij dit materiaal in zijn beroemdefotoboek „Krieg dem Kriege” en dit boek slaat direct aan. Vooral zijn manier van presenteren is opmerkelijk en provocerend: bijna steeds plaatst hij twee foto’s naast elkaar; de ene geeft de officiële / nationalistische visie weer, de andere brengt de meestal gruwelijke en soms bijna walgelijke werkelijkheid in beeld. En dat pagina’s lang, soms met kritisch of cynisch commentaar ( ‘Met God voor keizer en vaderland uit elkaar gerukt’). Een simpele maar ‘gouden vondst ’ die later ook veel navolging krijgt. Veel later zijn de foto’s uit dit boek wel eens vergeleken met de Tv-beelden over de oorlog in Vietnam. Ook die schokten de wereld en hadden grote invloed op de publieke opinie. Beelden zijn blijkbaar sterker dan woorden!

Via allerlei vakbonden en vredesorganisaties wordt dit - in vier talen uitgegeven- boek niet alleen in Duitsland verspreid, maar ook in de rest van Europa. En heel veel later - in de zestiger en zeventigerjaren - verschijnt in Amerika een herdruk als ondersteuning voor de Vietnambeweging. Ook verschijnen er in die tijd een Chinese en fraai verzorgde Japanse uitgave. Er zouden tot nu toe zo’n 400.000 exemplaren gedrukt zijn in totaal 40 talen, volgens opgave van een kleinzoon van Friedrich.

Het basismateriaal van dit boek vormt ook de kern van het in 1925 door Friedrich opgerichte „Ersten internationales Anti-Kriegsmuseum” in Berlijn. Friedrich zag het juist als Duitser als zijn plicht om in een land met zoveel oorlogsmonumenten ook een ‘monument voor de vrede’ op te richten. Hij richt zich in dit museum sterk op jongeren, immers: „Ein Gespenst geht um in Europa. Das Gespenst der Jugend”. Jazelfs kinderen krijgen zijn speciale aandacht. Zo richt hij in het museum een speciale sprookjeskamer in en legt hij een verzameling oorlogsspeelgoed aan. Op speciale kindermiddagen wordt dit alles besproken en soms in actieve vorm door middel van toneelstukjes uitgebeeld. Afgezien van de grote hoeveelheid foto’s uit ‘Krieg dem Kriege’, zijn er ook tastbare museumstukken zoals helmen (gebruikt als bloempot), menukaarten van generaalsetentjes, zakdoeken met krijgshaftige taal, gipsen afgietsels van halve armen etc. Ook was het museum de plaats waar ‘Arbeiter-Kunst’ te zien was zoals van Otto Dix en Kathe Kollwitz, met wie Friedrich innig bevriend was. Verder waren er lezingen over puur politieke onderwerpen, maar ook over seksualiteit, kunst, vegetarisch leven en nog veel meer..

Humor zag Friedrich ook als een belangrijk wapen in de strijd tegen militarisme. Zo stond bij de ingang een bordje met de tekst: „Entree: voor mensen 20pfg. Soldaten hebben vrije toegang”. Later zou hij ook nog een boekje uitgeven met ‘Witze uber das Dritte Reich’. Als we dit museum achteraf met een moderne museale blik bekijken dan was het - zeker voor die tijd - verrassend modern qua opzet: sterk visueel, tastbare voorwerpen, direct en eenvoudig taalgebruik, activerend en multifunctioneel.

Met dit alles wilde Friedrich niet alleen afschrikken en herinneren, maar ook opvoeden en alternatieven aanbieden. Met de opkomst van Hitler en zijn nazi’s komt het vredesmuseum steeds meer in problemen. Talloze processen en verdachtmakingen brengen Friedrich steeds meer in een moeilijk parket. Maar de vele processen tegen Friedrich werken averechts of zoals Friedrich het zelf achteraf uitdrukte: de akoestiek in de zalen was goed, ik kon er goed mijn ideeën ten gehore brengen en de ander dag stond het ook nog in de krant .Uiteindelijk komt het in 1933 tot een bestorming van het museum door een doldrieste horde SA-mannen. Voortaan is het een SA-clublokaal met in de kelder een martelruimte. Gelukkig heeft Friedrich van tevoren zijn unieke verzameling foto’s en voorwerpen in veiligheid gebracht bij vrienden en iets later weet hij deze verzameling het land uit te smokkelen. Zelf belandt deze ‘pacifist in Hitler-Duitsland’ in de gevangenis, wordt gemarteld maar weet toch - waarschijnlijk onder druk van buitenlandse krachten - nog in 1933 het land te ontvluchten. Ondertussen was hij door Zweedse pacifisten officieel voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede. Tevergeefs.

Het eerste anti-oorlogsmuseum lijkt te zijn gesneuveld in de oorlogshitserij van Hitler en zijn mannen. Maar dan kent men Friedrich niet! In ballingschap zet Friedrich zijn levenswerk zoveel mogelijk voort, juist nu met de constante oorlogsdreiging. In België lukt het hem met behulp van vakbonden en vredesgroepen zijn museum om te zetten in een reizende tentoonstelling. En met behoorlijk succes. Zo bezoeken in Gent meer dan 6.000 mensen zijn tentoonstelling waaronder ook soldaten. Zo blijft het Anti-Kriegsmuseum ook buiten Duitsland voortleven

Als België door de Duitse legers onder de voet wordt gelopen, vlucht hij naar Frankrijk. Zijn toenmalige vriendin Ella weet niet te ontkomen en sterft in Auschwitz. In Frankrijk wordt door de nazi’s en collaborateurs fanatiek jacht gemaakt op deze prominente Duitse antifascist. Uiteindelijk sluit de pacifist Friedrich zich aan bij het gewapende verzet en zoals altijd stort hij zich vol overgave in de strijd o.a. bij het redden van 70 Joodse kinderen uit een tehuis.

Na de oorlog is het een tijd stil rond Friedrich en zijn museum. Pogingen om het museum te heroprichten in de puinhopen van de Gedachtniskirche ,middenin Berlijn, mislukken. Politieke tegenwerking in deze tijd van Koude oorlog en weinig zakelijk optreden van Friedrich zelf, liggen hieraan ten grondslag. Friedrich blijft in Frankrijk wonen en is vooral actief in het opzetten van ‘verzoeningsactiviteiten’ tussen Franse en Duitse jongeren. Hij voelt zich meer en meer Europeaan, ook al neemt hij officieel het Franse staatsburgerschap aan. Als uitvloeisel daarvan koopt hij een stuk van een eiland in de Seine en maakt daarvan onder de naam van ‘Ile de la Paix’ een pacifistisch ontmoetingscentrum voor jongeren. Dat in 1965 Willy Brandt bij een bezoek aan Parijs uitdrukkelijk Ernst Friedrich wenst te ontmoeten, moet hem ongetwijfeld goed gedaan hebben. Want juist in deze jaren beginnen hem steeds meer financiële zorgen en de slechte gezondheid van zijn vrouw te kwellen. Samen met de Koude oorlog en de oorlogen in het Midden-Oosten leidt dit bij Friedrich tot verbittering en depressies. „Als je iets wilt veranderen, gebruik dan niet je spieren, maar je hersens” zei hij tegen zijn kleinzoon. Maar de politieke leiders dachten daar anders over. Mei 1967 komt er een eind aan zijn leven, 72 jaar oud en moegestreden. Daarmee lijkt ook zijn Anti-Kriegsmuseum definitief ten einde, maar de geschiedenis verloopt anders.

In 1982 besluit zijn kleinzoon van moederszijde, Tommy Spree, tot heroprichting van het museum in West-Berlijn. Het is de tijd van de Koude oorlog en de anti-kernwapendemonstraties. En de sfeer van de anti-Vietnambeweging hangt nog in de lucht van Berlijn. Geheel in de traditie van zijn grootvader kiest Tommy Spree voor een ‘irriterende’ aanpak o.a. door simpelweg de gruwelijkheid van oorlogen te laten zien. En nu niet alleen van de Eerste wereldoorlog (de fotoverzameling van Friedrich o.a. in een 3-D presentatie), maar ook van de Tweede wereldoorlog ( bijv. een ‘gasbedje’ ingeval van een chemische aanval) en van de Vietnamoorlog, de oorlog in Afghanistan etc.

Het museum wordt een actief onderdeel van de brede vredesbeweging van die jaren. Tegen atoomwapens en koude-oorlogsdenken, maar ook zijn er tentoonstellingen over rassisme, over chemische oorlogsvoering, de Koerden en over oorlog en economie. En in de ‘Peace Gallery’ is er voorzetting van wat Friedrich ooit beoogde met zijn Arbeiter-kunst tentoonstellingen. Jonge kunstenaars kunnen er vanuit het motto ‘kunst is vrij’ hun kijk op de wereld uitdragen. Ook is er postuum steeds meer waardering ontstaan voor Friedrich als ‘vredesopvoeder’ van de Duitse jeugd: er is een Ernst-Friedrich-Oberschule, een Friedrich-promenade en op drie plaatsen in de stad zijn er herdenkingsplaquettes.

Zijn museum ontstond in 1925 als reactie op de Eerste wereldoorlog, de eerste ‘moderne oorlog’. Daarna volgden nog vele ‘moderne’ oorlogen, maar ontstonden ook even zovele vredesmusea over de hele wereld en niet het minst in landen als Duitsland en Japan. In die landen vervullen deze musea een belangrijke rol in de ‘vredesopvoeding’ van de jeugd. Immers in de woorden van Friedrich: „Meestal zijn het oude grijze mannen die een oorlog beginnen. Maar ze gaan niet zelf naar het front. Nee daarvoor gebruiken ze de bloedjonge mannen” En misschien wel daarom blijft in deze tijd van de Irak-oorlog Ernst Friedrich en zijn museum in Berlijn een pijnlijke actualiteit behouden.

(Leo Salemink, freelance historicus en als zodanig werkzaam bij o.a. WoltersNoordhoff en de LOI.)

Gegevens over het huidige museum

Anti-Kriegsmuseum
Brusselererstrasse 21
Berlin (Mitte)

Email: Anti-Kriegs-Museum@gmx.de

Website: www.anti-kriegs-museum.de

Literatuur en verder

Het beroemdste werk van Friedrich is „Krieg dem Kriege” (oorspr .Berlin 1924. Vele heruitgaves o.a. Amerikaans editie „War against War” uit 1987)). Het boek is op universiteitsbibliotheken wel te krijgen. Vaak is het dan een heruitgave of een compilatie, maar daarom niet minder bruikbaar. Omdat het in de eerste plaats gaat om de foto’s is zelfs de fraaie Japanse uitgave zeer bruikbaar (onder de foto’s staat namelijk ook de oorspronkelijk Duitse tekst ). Verder is zijn autobiografische „Pacifist in Hitler-Duitsland” (Gent 1937) zeker voor een historicus de moeite waard, omdat hij hierin al scherp net nazisme ontrafelt. Vanuit wetenschappelijke hoek is het boek van U. Linse „Anarchistische Jugendbewegung 1918-1933” (Frankfurt am Main 1976) van belang omdat hierin Friedrich in een breder kader aan bod komt. Ook de speciale uitgave van „Europaische Ideeen (uitg. A.Mytze) 1977 Heft 29” is in dit verband de moeite waard o.a. ook vanwege de vele primaire bronnen en foto’s.

Is men geïnteresseerd in vredesmusea in het algemeen, dan kan men onder de naam van Prof. Van der Dungen (hoogleraar in Bradford) in elke catalogus het nodige vinden bijv. zijn bijdrage hierover uit 1999 in Encyclopedia of Violence, Peace and Conflict, Volume 2. En via internet is onder het trefwoord ‘peacemuseum’ of ‘peaceeducation’ het nodige te vinden. De website van het Nederlandse „Museum voor vrede en geweldloosheid” is wellicht ook nuttig vanwege educatieve zaken (tentoonstellingen die te leen zijn met ook sterke nadruk op de visuele invalshoek). Ook kan men natuurlijk de eigen website van het Anti-Kriegsmuseum in Berlijn raadplegen (zie elders).

Het uitgesproken visuele karakter van Friedrich’s werk en zijn onverbloemde taalgebruik, maakt dit materiaal zeer geschikt voor scholieren. In de les of als p.o zou men goed - a la de methode Friedrich (zie tekst) - foto’s uit Krieg dem kriege kunnen gebruiken. Als vorm van propaganda en antipropaganda bij het thema Eerste wereldoorlog of Interbellum. Maar ook breder: in het kader van de problematiek van ‘oorlog en vrede’ in het algemeen.

overzicht: