Het Duitse Von Schlieffenplan bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog

door: J.H. Buitenhuis, Luitenant-kolonel b.d. der Artillerie

Inleiding

De door Frankrijk verloren Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 werd afgesloten door de Vrede van Frankfort. In deze vredesbepalingen legde men vast dat Frankrijk Noord-Oost Lotharingen, de geheel Franstalige stad Metz, Diedenhofen en de Elzas (met uitzondering van de vesting Belfort) aan Duitsland moesten overdragen. Deze gebieden vormen de oostelijke departementen Bas Rhin, Haut Rhin en Moselle. Bovendien moest Frankrijk aan Pruisen een bedrag van 5 miljard francs schadevergoeding betalen.
De oorlog had ook voor Duitsland, dat bestond uit 25 onafhankelijke en semi-onafhankelijke Duitse staten en hertogdommen, grote politieke gevolgen. De meeste hiervan hadden een te kleine dimensie om invloed te kunnen verkrijgen bij buitenlandse regeringen. Er bestond veel wrijving onderling tussen hun staatshoofden en bovendien hadden hun munteenheden, internationaal gezien, vrijwel geen waarde.

De minister-president van het Koninkrijk Pruisen, Otto von Bismarck, bleek een goede onderhandelaar te zijn. Met veel diplomatie slaagde hij erin de Duitse staten te verenigen tot het Duitse Keizerrijk, onder leiding van Pruisen als het meest militante koninkrijk. In 1871 werd in de Spiegelzaal van het Paleis van Versailles Wilhelm I, Koning van Pruisen, door middel van een door Von Bismarck opgestelde en voorgelezen proclamatie, tot Duitse Keizer uitgeroepen. Bij deze plechtigheid waren de Duitse vorsten en prinsen van de andere staten en groothertogdommen, hun ministers hun generaals en enige honderden andere officieren aanwezig.
Een gevolg van deze eenwording was ook dat de diverse oude deelstaten hun leger naar Pruisisch model omvormden zodat Duitsland in de loop van de tijd een homogene strijdmacht opbouwde.
In Frankrijk was de bevolking na de nederlaag wanhopig en gedesillusioneerd. Na een korte uitbarsting van anarchie werd de republiek uitgeroepen en Keizer Napoleon III en Keizerin Eugénie weken uit naar Engeland.
Het land herstelde zich evenwel opmerkelijk snel van zijn nederlaag, hetgeen duidelijk bleek uit de snelle aflossing zijn oorlogsschuld aan Duitsland.
Er waren enige binnenlandse politieke wijzigingen maar het Franse optreden ten opzichte van het buitenland bleef ongewijzigd. Intern echter was men de smadelijke nederlaag en het verlies van de oostelijke gebieden niet vergeten. In de verbittering hierover over lag de kiem voor het latere conflict met Duitsland.
Onverzoenlijkheid bleek een paar jaren later tijdens een gesprek in Berlijn tussen Von Bismarck en de Franse ambassadeur. Von Bismarck trachtte Frankrijk wat milder te stemmen door dit land steun toe te zeggen bij het koloniseren van onder andere Tunesië, op voorwaarde dat Frankrijk niet meer zou spreken over teruggave van de veroverde gebieden. Hij voegde hieraan toe dat hij ook hoopte dat Frankrijk de vernedering, die Duitsland dit land bij Sedan had aangedaan, zou vergeven. De slag waarin de Franse troepen onder bevel van Maarschalk de Mac Mahon, de grootste nederlaag uit die oorlog hadden geleden. Hierbij werd het leger praktisch uitgeschakeld en Frankrijk moest capituleren. Het verloor hier meer dan 16.000 man aan gewonden en gesneuvelden. Duizenden officieren, waaronder veel generaals, en ruim 80.000 manschappen werden gevangen genomen. Bovendien werd veel oorlogsmaterieel door de vijand buitgemaakt zoals meer dan 450 stukken geschut, tientallen mitrailleurs en 6.000 paarden. Voor de Fransen was ‘Sedan’ dientengevolge hét symbool van hun vernedering geworden.
De Franse ambassadeur antwoordde Von Bismarck op dit ‘schandelijke voorstel’ dan ook: ‘Rendez-nous la frontière du Rhin et les deux peuples tomberont dans les bras l’un de l’autre‘.
Deze smadelijke nederlaag kon Frankrijk eerst in het najaar van 1918 wreken. Toen de Amerikaanse troepen tijdens hun najaarsoffensief op het punt stonden Sedan in te nemen, beval de geallieerde opperbevelhebber Foch hen, dit over te laten aan de Fransen zodat de nederlaag van 1871 kon worden gewroken.
Langzamerhand hervond Frankrijk weer haar zelfvertrouwen en begon aan de opbouw van het leger, vooral nadat de nieuwe Franse premier De Fraycinet, tevens Minister van Oorlog de eerste volwaardige Franse Generale Staf aanstelde.
Er werden vele nieuwe forten en andere versterkingen langs de grenzen gebouwd, onder andere bij Maubeuge, bij Verdun en langs de Maas om een onverhoedse Duitse inval te kunnen opvangen. Zo was Frankrijk binnen een twintigtal jaren na de nederlaag weer een militaire macht waarmede rekening moest worden gehouden.
Nadat Pruisen in 1871 de oorlog had gewonnen en het Duitse keizerrijk was uitgeroepen zei Von Bismarck „…dat het grote werk nu af was…” en hij legde zich toe op de vredelievende, economische opbouw van het rijk. Hij wilde geen expansie in Europa meer maar concentreerde zich nu op uitbreiding door het verkrijgen van koloniën overzee. Om hiervoor alle gelegenheid te krijgen moest de vrede in Europa worden veiliggesteld door aartsvijand Frankrijk machteloos te houden. Von Bismarck zag het herstel van dit land met lede ogen aan en probeerde haar goede connecties met diverse landen te verstoren.
Von Bismarcks eerste doel was om Oostenrijk-Hongarije en Rusland een overeenkomst met Duitsland te laten sluiten waarbij hij er naar streefde, het wankele evenwicht op de Balkan te bewaren. Dit ‘kruitvat’, vormde het grootste gevaar tot een mogelijk conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en Rusland.
In 1873 werd een verdrag gesloten dat de naam kreeg: „De Drie Keizers Alliantie”.
Gedurende een aantal jaren slaagde hij erin de politieke stabiliteit tussen de grote drie te handhaven. Maar een wrijving met de Russische kanselier Gortchakov en complicaties veroorzaakt door de Russisch-Turkse oorlog van 1877 brachten hem er echter in 1879 toe een geheim defensief verdrag met Oostenrijk-Hongarije te sluiten. De Duitse keizer evenwel beschouwde dit als een verraad tegenover Rusland.
In dit verdrag werd bepaald dat de twee landen elkaar wederzijds zouden steunen indien ze door Rusland zouden worden aangevallen. Zou één van beide partijen betrokken raken bij een ándere oorlog dan zou de andere partij neutraal blijven.
Deze geheime alliantie werd in 1882 uitgebreid door deelname van Italië. De uitbreiding had tot doel Oostenrijk-Hongarije te vrijwaren van een dolkstoot in de rug als dit land in oorlog zou komen met Rusland. Dit verdrag werd bekend onder de naam „Triple Alliantie”.
Von Bismarck echter vreesde dat een conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en Rusland niet was uitgesloten. In 1881 zag hij de kans de „Drie Keizers Alliantie” wederom te laten verlengen, waarbij de drie landen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland) gezamenlijk zouden optreden in eventuele Balkanaffaires.
In 1884 werd deze alliantie weer voor drie jaren bekrachtigd maar eindigde in 1887 toen tsaar Alexander III het verbond met Oostenrijk-Hongarije niet meer wenste te verlengen. De „Drie Keizers Alliantie” werd toen vervangen door een Duits-Russisch geheim akkoord, het zg. „Rückversicherungsvertrag” („Reinsurance Treaty”). Hierbij verplichtten de beide landen zich tot neutraliteit indien één van hen in oorlog zou komen zonder zelf aanvaller te zijn. Het verdrag gold echter niet als Duitsland Frankrijk zou aanvallen of Rusland Oostenrijk-Hongarije. E.e.a. was voor Duitsland dus een goede rugdekking want, indien Duitsland met Frankrijk in oorlog zou komen behoefde het niet te vrezen voor een aanval door Rusland. Von Bismarck voorkwam hiermede eveneens een ophanden zijnde alliantie tussen Frankrijk en Rusland.
In 1888 werd keizer Wilhelm I opgevolgd door de jonge Wilhelm I die door zijn optreden het wantrouwen van tsaar Alexander III opwekte. Toen in 1890 het verdrag weer moest worden verlengd weigerde de opvolger van Von Bismarck, Generaal Graaf von Caprivi, het „Rückversicherungsvertrag” met Rusland te verlengen.
Dit had grote politieke gevolgen want de tsaar overwon hierdoor zijn tegenzin ten aanzien van de Franse republikeinen, hetgeen in 1892 uitmondde in een militaire conventie voor wederzijdse hulp in geval van een aanval op Rusland of Frankrijk.
Hiermede was de breuk tussen Rusland en Frankrijk enerzijds en Duitsland anderzijds een feit. Dit zou later leiden tot de Eerste Wereldoorlog.

Het Von Schlieffenplan

Na de oorlog van 1870-1871 hield het Duitse opperbevel rekening met de mogelijkheid dat Frankrijk, te zijner tijd, revanche zou nemen om zijn nederlaag in deze oorlog te wreken en daarmede de verloren gegane gebieden weer terug te winnen.
Deze mening werd nog versterkt nadat in 1893 de Frans-Russische alliantie werd ondertekend. Het opperbevel was nu ervan overtuigd dat in het geval van een oorlog met Frankrijk, Duitsland het moest opnemen tegen de gecombineerde legers van Frankrijk en Rusland.
In 1891 werd de Chef van de Duitse Generale Staf, Veldmaarschalk Von Waldersee, opgevolgd door de kille, hyperintelligente Generaal Graaf Alfred von Schlieffen. Deze onderkende ook het gevaar van een oorlog tegen Frankrijk en Rusland, in casu een oorlog op twee fronten.
In 1905 stelde hij daarom een aanvalsplan op uitgaande van de volgende punten:
Een snelle overrompeling van Frankrijk door buitengewoon sterke strijdkrachten op de rechtervleugel van de Duitse aanvalslegers als een reusachtige wig via Nederlands-Limburg en België westelijk om Parijs te laten trekken. Daarna zou hij, door middel van een opmars in oostelijke richting naar de Moezel, de linkervleugel van het Franse leger terug te dringen.
De troepen op deze rechtervleugel moesten in van te voren vastgestelde dagétappes de tegenstander terugdringen en wel zo, dat op de 25e dag na het begin van het offensief Parijs via het westen was gepasseerd.
Tijdens deze actie moesten de Duitse legers in het centrum en op de linkervleugel (in Elzas-Lotharingen) tijdelijk een verdedigende opstelling innemen.
Von Schlieffen zag af van een Cannae”, een dubbele omvatting, omdat een offensief vanuit het oosten (Elzas-Lotharingen) door de na 1871 gebouwde fortengordels van Belfort, Epinal, Toul en Verdun zeer riskant zou worden.
Daarom richtte hij de hoofdaanval op het vrij zwak verdedigde en nauwelijks versterkte gebied langs de noordgrens van Frankrijk tussen Duinkerken en Mézières, hiermee tevens een opmars door de beboste en dus moeilijk doorschrijdbare Ardennen vermijdend.
Hij ging uit van de veronderstelling dat de Franse troepen in hoofdzaak tussen Verdun en Belfort zouden worden geconcentreerd en het eerste Franse offensief tegen Elzas-Lotharingen zou zijn gericht.
Teneinde dit te verwachten offensief te kunnen opvangen concentreerde hij twee legers (het 6e en 7e Leger) langs de grenzen van Elzas-Lotharingen tussen Metz en de Zwitserse grens. Deze twee legers vormden de linkerflank van het Duitse leger. De sterkte hiervan moest zodanig zijn dat een Frans offensief in deze regio door vertragende gevechten onder controle kon worden gehouden. Dit tot het moment dat het 1e Leger op de rechtervleugel, Parijs via het westen was gepasseerd en zijn opmars in oostelijke richting zou voortzetten. Hierdoor zouden de Franse strijdkrachten tot op de lijn Verdun-Toul-Epinal-Belfort worden teruggedrongen.
Eerst nadat deze operatie was geslaagd en de Franse fortengordels langs de Maas en de Moezel vanuit de flank en van achteren werden bedreigd, zou het 3e Leger in het centrum, met het 4e en 5e Leger op zijn linkervleugel, tot de aanval overgaan om de Franse legers definitief uit te schakelen.
Het met forten versterkte gebied Thionville-Metz diende als het scharnierpunt in het totale Duitse aanvalsplan.
Het was een gewaagd plan met als voornaamste doel binnen vijf tot zeven weken na het uitbreken van de eventuele vijandelijkheden de hoofdmacht van de Franse legers uit te schakelen. Daardoor kon het Duitse leger het offensief tegen Rusland inzetten zonder door Frankrijk in de rug te worden aangevallen. Zo werd een oorlog op twee fronten voorkomen.
Om tot aan de capitulatie van Frankrijk de grens met Rusland te kunnen beveiligen wees Von Schlieffen tien reserve- en landweerdivisies aan.
Van de in totaal zeven legers, waaruit de Duitse strijdkrachten op het westelijk front bestonden, waren er vijf bestemd om in eerste instantie de aanval in te zetten.
Deze vijf legers waren gegroepeerd in een noordelijke, een centrale en een zuidelijke legergroep alsmede een groep voor flankbeveiliging.

Het oorspronkelijke, in 1905 door Von Schlieffen opgestelde plan, luidde als volgt:
Een offensieve strijdmacht (1e t/m 5e Leger), bestaande uit 23 parate legerkorpsen, 12½ reserve-legerkorpsen, 7 cavaleriedivisies en 16 landweerbrigades werd als volgt ingedeeld:

  1. Een noordelijke legergroep (1e en 2e Leger) met 9 legerkorpsen, 7 reserve- legerkorpsen en 5 cavaleriedivisies
    Concentratiegebied: omgeving Aken en langs de Nederlandse grens direct ten noorden van Aken.
    Opmarsroute: door het zuidelijk deel van Nederlands-Limburg en door België naar de linkeroever van de Maas en dan in zuidelijke richting oprukken tussen Brussel en Namen en hier de Franse grens overschrijden. Vervolgens moest de opmars worden voortgezet waarbij de linkerflank van de Franse

  2. Een centrale legergroep (3e Leger) met 6 legerkorpsen en 1 reservedivisie. Concentratiegebied: langs de Duits-Belgische grens net ten noorden van Luxemburg.

  3. Opmarsroute: in zuidwestelijke richting door België waarbij de Maas diende te worden overgestoken en Frankrijk moest worden binnengevallen tussen Namen en Mézières

  4. Een zuidelijke legergroep (4e en 5e Leger) met 8 legerkorpsen en 2 cavaleriedivisies
    Concentratiegebied: in de omgeving van Trèves en in de versterkte zone van Thionville-Metz.
    Opmarsroute: door Luxemburg naar Frankrijk, waarbij de Maas moest worden overgestoken tussen Mézières en Verdun.
  5. Een flankbeveiliging door 5 reserve-legerkorpsen.
    Concentratiegebied: in de regio Metz met als opdracht het beveiligen van de linkerflank van de noordelijke en centrale groep tegen een mogelijke Franse tegenaanval vanuit de regio Verdun-Toul.
  6. Een (defensieve) linkervleugelgroep (6e en 7e Leger), bestaande uit 3 legerkorpsen, 2 reservelegerkorpsen, 3 cavaleriedivisies en 10 ½ landweerbrigades, waarvan 2 legerkorpsen zodra de tactische toestand dit toeliet, de offensieve rechtervleugel moesten versterken.
    Concentratiegebied: langs de grens tussen Metz en de Zwitserse grens.
    Opdracht: een eventueel Frans offensief in Elzas-Lotharingen in vertragende gevechten opvangen. Het eigen defensieve optreden diende erop gericht te zijn een maximum aan vijandelijke troepen te binden zonder het tot een beslissende veldslag te laten komen. Zo nodig moest langzaam worden teruggetrokken tot de Duitse rechtervleugel de omtrekkende beweging om Parijs had voltooid waarna het offensief tegen de Franse forten ten oosten van de Maas en de Moezel moest worden ingezet.

De versterkingen voor de offensieve legers op de rechtervleugel zouden bestaan uit:

  1. Twee legerkorpsen die, zodra dit mogelijk was, uit de defensieve centrale en linkervleugelgroep moesten worden vrijgemaakt
  2. Een tweede echelon, bestaande uit 6 Ersatzkorpsen. Deze moesten achter de rechtervleugel oprukken en de twee legerkorpsen ontlasten door het uitvoeren van secundaire taken, zoals het belegeren van de vestingen Antwerpen, Maubeuge, enz.. Zodoende gaven zij de hoofdmacht vrijheid van handelen voor het uitvoeren van de noodzakelijke gevechtsacties in westelijke en zuidelijke richting zonder dat hun aanvalskracht door deze nevenacties zou worden verzwakt.

N.B. De verklaring van de begrippen „Reserve”, „Landwehr” en „Ersatz” wordt aan het einde van dit artikel gegeven.

Het gewijzigde Von Schlieffenplan

In 1906 volgde Generaal Von Moltke, die als Kwartiermeester-Generaal onder Von Schlieffen diende, hem op. Hij had grote invloed op de opbouw van het nieuwe Duitse leger in de laatste jaren voor de oorlog. Von Schlieffen was een cavalerieofficier van de oude school en hoewel hij grote kwaliteiten als strateeg en tacticus bezat, hield hij vrijwel geen rekening met de ontwikkeling van de moderne strijdmiddelen.
Von Moltke verviel niet in deze fout. Het gebruik van nieuwe technische wapens zoals mitrailleurs en moderne zware vuurmonden, alsmede de ontwikkeling van het luchtwapen waren alle toe te schrijven aan zijn inzichten v.w.b. een moderne oorlog. Ook reorganiseerde hij het leger waarbij de gevechtskracht van parate en reservelegerkorpsen, met behoud van hun benamingen, op het gebied van mankracht gelijkwaardig werd hoewel de sterkte aan artillerie en ander zwaar materieel bij de Reserve- en Ersatzeenheden beduidend minder was.

Op het gebied van strategie echter had hij niet de kwaliteiten van zijn voorganger. Hoewel hij de grondgedachte van het Von Schlieffenplan handhaafde, zoals de zeer sterke rechtervleugel, bracht hij een aantal wijzigingen erin aan dat zó ingrijpend was dat de essentie van het oorspronkelijke plan ernstig werd aangetast.

De gevolgen hiervan bleken reeds tijdens de eerste aanvallen op Frankrijk in augustus 1914.

De eerste, niet onbelangrijke verandering was zijn besluit om de neutraliteit van Nederland te respecteren. Dit was absoluut niet uit morele overweging. Hierdoor werd nl voorkomen dat de oprukkende rechterflank tijdens de opmars door België door Nederlandse troepen zou worden aangevallen.

Bovendien speelde het handhaven van een neutraal Nederland de Duitse economie in de kaart: Duitsland behield hierdoor een ‘Luftrohr’, dat wil zeggen de mogelijkheid om essentiële goederen via de neutrale Nederlandse havens te importeren en te exporteren.

Dit besluit echter had vèrstrekkende gevolgen voor het 1e en 2e Leger. Deze moesten nu beide in de regio Aken worden geconcentreerd hetgeen grote logistieke en transportproblemen opleverde: de opmars- en aanvoerwegen van het 1e en 2e Leger vielen nu in de eerste dagen vrijwel samen en beide eenheden waren derhalve genoodzaakt voor hun verdere opmars gebruik te maken van de bruggen in Luik. Dit kon, vooral bij een sterke tegenstand van het Belgische leger, grote opstoppingen opleveren.
Bovendien moesten de sterke forten bij Luik worden uitgeschakeld hetgeen, in het oorspronkelijke plan voor de opmars van het 1e Leger door Zuid-Limburg, niet nodig zou zijn geweest.
Omdat troepenverplaatsingen en aanvoer van munitie en zware vuurmonden over grotere afstanden meestal per rail geschiedden werden de transportproblemen in de eerste dagen na de inval nog vergroot doordat de Belgen tijdens en na de ontruiming van Luik veel spoorwegtunnels en bruggen hadden vernield.

De tweede belangrijke wijziging betrof het 6e en 7e Leger op de linkervleugel in Elzas-Lotharingen. In tegenstelling tot het oorspronkelijke plan wilde Von Moltke hier bij een Franse aanval door middel van het vertragend gevecht slechts een zeer smalle strook Duits gebied prijsgeven en deze daarna onmiddellijk in een tegenoffensief heroveren.

Teneinde dit mogelijk te maken schrapte hij in 1910 de verplaatsing van twee legerkorpsen van het 6e en 7e Leger die het 1e Leger zouden versterken, uit het oorspronkelijke plan. Bovendien schrapte hij de Ersatzeenheden die aan de rechtervleugel waren toegewezen; deze werden nu in de regio Metz geconcentreerd en bij de linkervleugel ingedeeld. De totale sterkte van het 5e en 6e Leger nam hierdoor toe van 5 legerkorpsen tot 8½ legerkorpsen en 6 Ersatzdivisies.

De kern van het oorspronkelijke plan om een zeer sterke rechtervleugel te vormen, werd hierdoor wezenlijk aangetast en deze wijzigingen in sterkte zouden in de loop van eind augustus en begin september van 1914 grote gevolgen blijken te hebben. Zie ook Band 6 van ‘Schlachten des Weltkrieges’, uitgegeven door het Reichsarchiv waarin het volgende wordt beschreven:
‘….in de voormiddag van 9 september 1914 vond op het hoofdkwartier van het 6e Leger een stafbespreking plaats waarbij alle legerkorpscommandanten van dit leger aanwezig waren. Tijdens deze bespreking werd vertrouwelijk meegedeeld dat de aanval op de belangrijke sleutelstelling Nancy zou worden afgebroken ondanks het feit dat de forten van deze stad al onder zwaar Duits artillerievuur lagen en de voor deze aanval bestemde troepen reeds in hun uitgangsstellingen waren geconcentreerd. Het grootste deel van deze troepen zou nu echter worden ingezet op andere fronten.
Een motivering voor dit besluit werd niet gegeven en ook de tegenslagen van de legers op de rechtervleugel werden niet aangeroerd…’

Al spoedig echter deden er geruchten de ronde over ‘…zware gevechten in de omgeving van Parijs en Franse aanvallen op de flank van het 1e Leger waardoor de snelle opmars van dit leger was vastgelopen…’ Men vermoedde dat Joffre alle beschikbare troepen op zijn linkerflank samentrok om hier in één, beslissende slag de Duitse opmars te stoppen. Het Duitse opperbevel was hierdoor tot de slotsom gekomen dat het oorspronkelijke plan van Von Schlieffen alsnog moest worden uitgevoerd. Deze wilde immers dat de rechtervleugel zo sterk mogelijk zou zijn en slechts zwakke dekkingstroepen in Lotharingen dienden achter te blijven.
Tot 20 augustus was een terugkeer naar het oorspronkelijke Von Schlieffenplan nog uitvoerbaar geweest. In het verdere verloop van de strijd zou evenwel blijken dat de uitspraak van Veldmaarschalk Von Moltke, gedaan tijdens de oorlog van 1870/71, dat: ‘…fouten, gemaakt in de oorspronkelijke opstelling van legers, tijdens het gehele verdere verloop van de oorlog nauwelijks meer te herstellen zijn…’, hier van toepassing was.

Het gewijzigde Von Schlieffenplan dat in 1914 zou worden uitgevoerd zag er als volgt uit:

Een offensieve legergroep, bestaande uit het 1e t/m 5e Leger met 16 parate legerkorpsen, 11 ½ reserve-legerkorpsen, 7 cavaleriedivisies en 12 landweerbrigades, wordt als volgt ingedeeld in:

  1. Een noordelijke groep, bestaande uit het 1e en 2e Leger met 7 legerkorpsen, 6 reserve-legerkorpsen en 5 cavaleriedivisies.
    Concentratiegebied en opmarsroute: conform het oorspronkelijke plan met dien verstande dat de Nederlandse soevereiniteit niet mocht worden geschonden. Dit had tot gevolg dat hierdoor het concentratiegebied zuidelijker, in de richting van Aken diende te worden gekozen en dat bij de opmars door België van het 1e Leger de forten rondom Luik moesten worden uitgeschakeld.

  2. Een centrale groep, bestaande uit het 3e Leger met 3 legerkorpsen en 1 reserve- legerkorps.

    Concentratiegebied en opmarsroute: ongewijzigd.

  3. Een zuidelijke groep, bestaande uit het 4e en 5e Leger met 6 legerkorpsen, 4½ reserve-legerkorpsen en 2 cavaleriedivisies.

    Concentratiegebied en opmarsroute: ongewijzigd

  4. De flankbeveiliging in de Regio Metz: vervallen

Een defensieve linkervleugelgroep, bestaande uit het 6e en 7e Leger met 6 legerkorpsen, 2½ reservelegerkorpsen, 3 cavaleriedivisies, 6 Ersatzdivisies en 2 landweerbrigades.
Concentratiegebied: ongewijzigd.
De opdracht aan deze groep was echter wèl gewijzigd: er moest aanvallend worden opgetreden tegen elk Frans offensief met als doel zo weinig mogelijk terrein prijs te geven.

Versterkingen voor de offensieve groep: geen.

Door het wegvallen van deze versterkingen werd, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de kern van het oorspronkelijke plan aangetast. Dit plan immers had tot hoofddoel, zodra de lijn Namen-Brussel was bereikt, met een sterke rechtervleugel zo snel mogelijk in zuidwestelijke richting verder op te rukken en, na het overschrijden van de Franse grens door te stoten richting Parijs zodra de troepen deze stad in het westen waren gepasseerd, de opmars in oostelijke richting voort te zetten.

Verder wees hij van de negen nieuwe divisies die tussen 1905 en 1914 beschikbaar kwamen, er slechts één toe aan de rechtervleugel en acht aan de linker. Ook verplaatste hij nog een divisie van de Russische grens naar het westen maar deze, schijnbaar onbelangrijke, verzwakking van het toekomstige oostfront werd duur betaald. Het Russische leger was in 1914 sneller in staat tot acties tegen de Duitse beveiligingstroepen dan men voor mogelijk had gehouden.

Teneinde een verder Russisch opdringen in Oost-Pruissen tegen te gaan moesten er tijdens de crisis in de augustuscampagne zelfs 2 legerkorpsen uit Frankrijk naar het oostfront worden overgebracht.

Slagorde van de Duitse strijdkrachten begin augustus 1914 aan het Westfront

Legers met hun bevelhebbers Legerkorpsen Reserve-leger-korpsen (R) Cavalerie-divisies Ersatz-divisies Landweer-brigades
Eerste Leger
Von Kluck
II, III, IV, IX (a) IIIR, IVR, IXR 2 cav divs.   10, 11, 27
Tweede Leger
Von Bülow
Garde LK, VII, IX (a), X Garde, VIIR, XR 2e Cav.Korps
(Garde CavDiv en 5e CavDiv) (h)
  25, 29
Derde Leger
Von Hausen
XI, XII(c), IX(c) XIIR(c) (g)   47
Vierde Leger
Hertog Albrecht
v. Würtemburg
VI(b), VIII, XVIII VIIIR, XVIIIR (h)   49
Vijfde Leger
Duitse Kroonprins
V, VI(b), XIII(d), XVI VR, VIR, 33e Rdiv(e) 4e CavKorps
(6e en 3e Cavdiv)
  13, 43, 45, 53 en 9e Beierse
Zesde Leger
Prins Rupprecht
van Beieren
XXI, IB(eierse), 2B, IIIB IBR 3e CavKorps
(7e en 8e Cavdiv en Beierse Cavdiv
Garde, 4e, 7e, 8e
(11 brigades)
- - -
Zevende Leger
Von Heeringen
XIV, XV XIVR, 1e Rdiv (f) - - - 19e en Beierse (6 brigades) 109, 112, 114 en 142
Totaal 22 legerkorpsen (= 44 divisies) 13 res. legerkorpsen
en 2 resdivs
(= 28 divisies)
10 cavdivs 6 divisies
(17 brigades)
 

Toelichtingen:
(a) De indeling bij het 1e of 2e Leger is meermalen gewijzigd
(b) Het 6e LK ging op 28 augustus van het 4e naar het 5e Leger
(c) Saksische troepen
(d) Würtembergische troepen
(e) De 33e Reservedivisie kwam uit Metz
(f) Troepen uit Straatsburg
(g) Het 2e Cavaleriekorps is „Heeres”cavalerie, later 2e Leger. Het 1e Cavaleriekorps diende ook voor het 3e Leger
(h) Het 4e Cavaleriekorps diende ook voor het 4e Leger

B: Betekent Beierse troepen

Vòòr de aanvang van de operaties ging het IXe Legerkorps van het 1e Leger over naar het 2e Leger

Het XIe en het Garde Reserve-Legerkorps en de 8e (Saksische) Cavaleriedivisie werden op 26 augustus overgebracht naar het Oostfront.

Slagorde van de Duitse strijdkrachten begin augustus 1914 aan het Oostfront

Legers met hun bevelhebbers Legerkorpsen Reserve-leger-korpsen (R) Cavalerie-divisies Ersatz-divisies Landweer-brigades
Achtste Leger
Von Prittwitz und Gaffron
I, XVII, XX IR en 3e Rdiv 1 5
(2 brigades)
Landw.div Von der Goltz, 6 en 70

Korte omschrijving van de begrippen Reserve-, Landwehr- en Ersatz- waarmede bepaalde eenheden werden aangeduid.

Het Pruisische militiesysteem gold voor alle medisch goedgekeurde mannen van 17 tot en met 45 jaar en bestond uit:

  1. Dienstplicht in het staande leger (Dienstpflicht)
    a. actieve dienstplicht (voor de parate troepen)
    Op 20-jarige leeftijd werd (in vredessituatie) de man onder de wapenen geroepen. De duur van de eerste oefening bedroeg voor artilleristen en cavaleristen 3 jaar; voor de overige wapens en dienstvakken 2 jaar.
    b. reserveplicht t.b.v. het staande leger
    Na de eerste oefening t/m 26 jaar

  2. Landweerplicht (Landwehrpflicht)
    Hierin bestonden twee categorieën:
    a. 1e categorie: dienstplichtigen van 27 t/m 32 jaar
    b. 2e categorie : dienstplichtigen van 33 t/m 39 jaar en jonge mannen die vòòr hun 20ste jaar vrijwillig in dienst waren getreden, tot het bereiken van de leef tijd waarop zij gewoon dienstplichtig werden, dus 20 jaar. Uit deze twee categorieën werden de tweede-lijns-eenheden geformeerd.

  3. Landstormplicht (Landsturmpflicht)
    Deze dienstplicht gold voor alle mannen van 17 t/m 45 jaar, die niet tot het staande leger, de reserve-eenheden, de aanvullingsreserve (Ersatzreserve) of de landweer behoorden. Het onder de wapenen roepen van de landstorm geschiedde alleen op bevel van de keizer en wel uitsluitend in buitengewone omstandigheden zoals bijvoorbeeld bij dreiging van een inval in het rijksgebied.
    De landstormtroepen waren, evenals die bij de landweer, in twee leeftijdscategorieën ingedeeld en wel:
    a. 1e categorie: mannen van 17 t/m 39 jaar
    b. 2e categorie: mannen van 40 t/m 45 jaar

  4. Aanvullingsreserve (Ersatzreserve)
    De aanvullingsreserve bestond uit dienstplichtigen die bestemd waren om na afkondiging van de mobilisatie in eerste instantie de mobilisabele eenheden op sterkte te brengen en vervolgens om aanvullingseenheden te vormen waarmee later evt. verliezen in de strijdende eenheden konden worden aangevuld. Jaarlijks diende een zodanig aantal dienstplichtigen voor deze eenheden te worden bestemd dat uit zeven lichtingen de aanvullende behoefte aan personeel voor de mobilisabele eenheden kon worden gedekt.

De dienstplichtigen voor de aanvullingsreserve waren diegenen die in vredestijd hetzij buitengewoon dienstplichtig waren, hetzij in hun burgerwerkkring onmisbaar waren of door een tijdelijke ziekte of gebrek niet oproepbaar waren.
De reserveplicht bij de Ersatzreserve duurde 12 jaren, te rekenen vanaf de eerste oktober van het jaar, waarin de dienstplichtige 21 jaar werd. In vredestijd nam de Ersatz-reservist slechts deel aan korte oefeningen van tien, zes en vier weken.
Bij het bereiken van de 33-jarige leeftijd ging degene die aan de verplichte oefeningen had deelgenomen, over naar de Landwehr 2e categorie (zie 2.b.) en de overigen naar de Landsturm 2e categorie.

De gevolgen van de gewijzigde opmarsroutes van het 1e en 2e Leger bij Luik

De door Von Moltke genomen beslissing om de opmarswegen van het 1e Leger niet door Nederlands Limburg te laten lopen maar samen, met die van het 2e Leger via de sterk met een ring van forten beveiligde stad Luik, vereiste een serie maatregelen om te voorkomen dat de opmars van deze legers hier een grote vertraging opliep.

Reeds in 1912 had de Duitse Generale Staf een plan ontwikkeld om Luik door een verrassingsaanval binnen 48 uur te veroveren om zo de opmars van het 1e en 2e Leger (Von Schlieffens beroemde rechtervleugel) veilig te stellen. Binnen die tijd ook moesten de zes grote en zes kleine forten, gelegen in een ring op 6 km rondom de stad, zijn uitgeschakeld. De grote forten, waaronder Brialmont, waren echte artillerieforten met draaibare pantserkoepels met vuurmonden van 12cm, 15cm en 21cm en voor de nabijbescherming snelvuurkanonnen van 5,7cm. Deze forten waren zodanig met beton versterkt dat zij tegen inslagen van 21cm-granaten beveiligd waren want dit waren ten tijde van de bouw de zwaarste bekende projectielen.
De Belgische bezetting van de forten bestond uit ruim 2.900 man, terwijl de tussen de forten gelegen gebieden werden verdedigd door de versterkte 3e Divisie. De gehele Belgische verdediging stond onder bevel van Generaal Leman.

Zes brigades van het Tweede Leger onder Generaal Von Emmich met een sterkte van 25.000 man (het z.g. Maasleger) moesten deze aanval uitvoeren. Zij werden hierbij, naast hun organieke lichte artillerie (7,7cm kn en 10,5cm hw), ondersteund door drie cavaleriedivisies van het Cavaleriekorps onder Von der Marwitz. Deze cavalerie, met een sterkte van 8.000 man moest voor flankbeveiliging zorgen en had tevens de opdracht om verkenningen in de richting van Luik en daarna in de richting van Namen en Brussel uit te voeren. Ook diende de cavalerie een ontsnapping van Belgische troepen uit Luik en uit de fortengordel rond de stad te verhinderen en eventuele tegenaanvallen van het Belgische veldleger af te slaan.

Het werd al spoedig duidelijk dat de Belgen al langere tijd waren voorbereid op een Duitse aanval op Luik, want de wegen vanaf de Duitse grens waren grondig vernield en voorzien van talrijke wegversperringen. De cavalerie die de opdracht had de bruggen bij Visé te bezetten alvorens deze konden worden vernield, ondervond zoveel hinder van de versperringen dat werd besloten een compagnie wielrijders vooruit te zenden om de bruggen te bezetten. Die bruggen echter waren toen al opgeblazen.
De opdracht die de vooruitgeschoven brigades moesten uitvoeren, tussen de forten door op te rukken en Luik te bezetten, was bijzonder moeilijk.
In de nacht van 5 op 6 augustus begon de opmars van de 14e Infanteriebrigade onder Generaal Von Wussow vanuit Micheraux, gelegen op ruim 2 km van het Fort Fléron, via Rétinne naar de aan de rand van Luik gelegen hoogten van de Chartreuse (zie kaart). Daar moesten zij in de vroege ochtend aankomen.
Ludendorff, die mede het plan van de verrassingsaanval had opgesteld, bevond zich als waarnemer bij de brigade omdat hij het resultaat van deze aanval zelf wilde meemaken. De overige brigades die de fortenlinie op andere plaatsen moesten doorschrijden, dienden eveneens op dit tijdstip bij de stad aan te komen.

De forten echter bleken een grote hindernis door hun beschieten van de oprukkende troepen. Zouden de forten via de tussengelegen gebieden worden gepasseerd dan vormden deze, met hun nog steeds aanwezige bemanningen, een groot gevaar in de rug van de oprukkende Duitsers.

Nadat op 5 augustus een Duitse eis tot overgave van de forten was afgewezen zetten in de nacht van 6 augustus de brigades de aanval in op vijf plaatsen. Op drie plaatsen mislukte de aanval geheel. Op de twee plaatsen waar deze wel lukte trokken de Duitse troepen zich tóch terug omdat zij het totaaloverzicht over het gevecht misten en vreesden in de rug te worden aangevallen door een oprukkende Belgische versterking.

Slechts de 14e Brigade kon, na zware gevechten de stad binnendringen waarbij hun commandant sneuvelde. Het bevel over deze brigade werd onmiddellijk overgenomen door Generaal Von Ludendorff.
Hoewel de brigade in de stad Luik was doorgedrongen ontruimde Von Ludendorf deze weer uit voorzorg tegen een eventuele Belgische tegenaanval maar hij bleef wel met deze brigade binnen de fortengordel.

Vanaf 6 augustus trokken de Belgische troepen zich eveneens uit de stad terug. De reden hiervoor was het ontbreken van een helder overzicht met betrekking tot de tactische toestand rondom Luik. Deze troepen hadden geluk want hun terugtochtwegen werden reeds een dag later door de Duitse cavalerie afgesneden.
Het vertrek van de Belgen uit de regio Luik echter had tot gevolg dat de forten zich, zonder bescherming door eigen infanterie, moesten handhaven en nu als ‘sperforten’ te fungeren. Een taak waarop zij met hun bezetting van in totaal ca. 3.000 man niet waren berekend.

Door het oprukken van het 1e en 2e Leger werd de vijandelijke overmacht snel groter en de noodzaak tot het uitschakelen van de forten urgent om te voorkomen dat de opmars vastliep. Daar de brigades van Von Emmich slechts over afdelingen veldartillerie beschikten, uitgerust met 7,7cm-kanonnen en 10,5cm-houwitsers werd zwaardere artillerie aangevoerd, allereerst in de vorm van afdelingen met 21cm-houwitsers. De granaten die hiermede werden verschoten doorboorden in slechts enkele gevallen het beton van de forten maar blokkeerden wel, in veel gevallen, hun draaibare geschutskoepels door afgesprongen stukken beton en ijzer.

Op 8 augustus viel het eerste fort (Barchon) toch door de uitwerking van de 21cm- granaten. Door de gassen die bij de explosies van de projectielen vrijkwamen stikte de bezetting half omdat er geen kunstmatige luchtverversing mogelijk was. Teneinde de uitschakeling van de overgebleven forten te bespoedigen werden op 12 augustus bij het plaatsje Mortier twee houwitsers van 42cm, Dicke Berta genoemd, in stelling gebracht.
Deze zware houwitsers op radaffuit waren tot op dat moment nog onbekend bij de geallieerden. Zij zouden per spoor naar het front bij Luik worden vervoerd, maar omdat de spoorlijn en de spoorwegtunnel van de Duitse grens naar Luik door de Belgen waren vernield moesten de beide 42cm-houwitsers van het grensstation Herbesthal over de weg naar hun stelling worden gesleept door stoomtractoren die bij een circus waren gevorderd.
De projectielen van deze houwitsers hadden een gewicht tot ca. 930 kg met een springlading van ca. 100 kg.
Ook werden enige, van de Oostenrijkers geleende 30,5 cm houwitsers in stelling gebracht om met hun 330 kg wegende granaten de forten uit te schakelen.

Zoals reeds beschreven waren de belangrijkste forten rondom Luik (o.a. Pontisse en Loncin) zodanig geconstrueerd dat zij bestand zouden zijn tegen granaten van een kaliber van maximaal 21 cm met een gewicht van ongeveer 120 kg die een springlading van hoogstens 15 kg vervoerden.

Het effect van de beschieting door de 42cm-houwitsers op de forten was dan ook desastreus. Op 13 augustus capituleerde het Fort Pontisse waarvan, na 43 treffers, een groot gedeelte in een ruïne was veranderd. Twee dagen later werd Fort Loncin het doelwit van de beschieting door deze 42cm houwitsers. In dit fort bevond zich ook Generaal Leman, die op 6 augustus zijn hoofdkwartier van Luik naar Loncin had verplaatst. Het negentiende schot was een voltreffer in een munitieopslagplaats van het fort hetgeen een enorme explosie veroorzaakte waarbij 350 man van de bezetting omkwamen. Ook Generaal Leman werd later bewusteloos in de ruïnes teruggevonden. Hij verklaarde naderhand tegenover Generaal Von Emmich dat hij zich niet had overgegeven maar dat hij bewusteloos was toen hij door de Duitsers was gevonden.
Met de val van dit fort was de strijd om de Vesting Luik ten einde. De Duitse verliezen bedroegen circa 2.000 man en de Belgische ca. 1.500.

De vertraging die de Duitsers bij Luik opliepen verschafte de Belgen echter wel de mogelijkheid nog een groot aantal spoorwegtunnels en bruggen in de verdere opmarsroute van de vijand te vernielen.


[1] Cannae was het klassieke voorbeeld van een dubbele omvatting waarbij de Carthageense veldheer Hannibal in 216 v. C. met een kleine strijdmacht de veel sterkere Romeinen versloeg.

overzicht: