Het Duitse duikbootwapen in de Eerste Wereldoorlog

door: Gerbrand Kip

(dit artikel verscheen eerder in’ IJzeren Doodskisten’een uitgave van Uitgeverij Aspekt’)

Een politiek gevoelig wapen

De geschiedenis van het Duitse duikbootwapen, de ‘Eiserne Sargen’ van de keizerlijke marine is even fascinerend als afschrikwekkend. Verguisd om hun onzichtbare agressie en hun meedogenloze ijver, brachten ze de Entente bijna op de knieën. Het duikbootwapen werd onderschat door beide kanten, niet alleen op materieel gebied, maar ook op het psychologische vlak. Voor de één leidde dit tot onnoemelijke verliezen, voor de ander tot onbenutte kansen om als overwinnaar uit de bus te komen. Ook de metafoor ijzeren doodskisten was van toepassing op beide partijen, of het nu de bezwete en met olie bevlekte ‘U-Boot’-bemanning was, die vreesde door een dieptebom te worden geraakt, of de opvarenden van een marine­schip van de Entente die in wegdraaiende paniek een ‘stalen aal’ probeerden te ontwijken. Voor beide partijen dreigde een waterig graf.

We zullen stil staan bij verschillende aspecten van het Duitse duikbootwapen. Allereerst de ‘ontdekking’ van het duikbootwapen, de ‘submarine phase’, waarin duidelijk werd dat de duikboot meer was dan een vaartuig voor verkenningen en verdediging. Daarop volgde een moeilijke periode voor het Duitse duikbootwapen waarin men zich oriënteerde op de operatiemogelijkheden. De Duitse militaire en politieke top was zich bewust van de politieke gevoeligheid van het duikbootwapen en bemoeide zich met de torpederingspolitiek van de Duitse admiraliteit. Dit leidde tot conflicten, ontslagen en meerdere bijstellingen in de te volgen strategie. Ten gevolge van incidenten en catastrofes werd er gekozen voor terughoudendheid. De Duitse politiek deed een stap achteruit bij catastrofes zoals het zinken van de ‘Lusitania’, stagnatiedruk aan het gewone front, of bij grote risico’s zoals met de onbeperkte duikbootoorlog in februari 1917. Een tijd lang verlegde de duikbootadmiraliteit haar aandacht naar het Middellandse Zeegebied om de politiek niet in verlegenheid te brengen.

Tot slot staan we stil bij de implicatie van de onbeperkte duikbootoorlog die tot de dag van vandaag onze beeldvorming van de duikbootoorlog sterk heeft gevormd.

‘Submarine Phase’: de ontdekking van de mogelijkheden van het duikbootwapen

In de beeldvorming rond Eerste Wereldoorlog speelt het Duitse duikbootwapen een grote rol. Maar toen de oorlog in 1914 uitbrak was de omvang van de Duitse onderzeebootvloot bescheiden. In augustus 1914 bezat het keizerrijk ruim 30 torpedo‑onderzeeboten (zes tot zeven lagen in reserve en ondergingen aanpas­singen, en vier onderzeeboten werden vanwege hun oude staat ingezet als trainingsboten). Al deze duikboten waren pas relatief kort in dienst en tussen 1910 en 1914 te water gelaten. In de loop van de Eerste Wereldoorlog zou de Duitse onderwatervloot enorm worden uitgebouwd. In totaal zou de ambitieuze Duitse admiraliteit, onder de gedreven leiding van Alfred von Tirpitz en later Reinhard Scheer, de productie van maar liefst 800 duikboten op stapel zetten, waarvan er in ‘de grote oorlog’ 343 gerealiseerd werden.

Bij het uitbreken van de oorlog waren de parate Duitse duikboten verdeeld in twee flottieljes. Naast deze ongeveer dertig schepen bevonden zich een aantal nieuwe duikboten in productie. De U29 en de U30 waren bijna operationeel en veertien andere duikboten, de U31 tot en met U41 en de U43 tot en met U45 bevonden zich in een ver stadium van constructie. (1) Deze versterkingen ten spijt was de Duitse duikbootvloot toch relatief bescheiden, al was de Wilhelminische duikbootvloot aanzienlijk sterker dan die van de Oostenrijks-Hongaarse bondgenoot. Oostenrijk-Hongarije bezat maar een flottielje van zes onderzeeboten in de Adriatische zee. Veel sterker was de duikbootvloot van de voornaamste Entente landen. Groot‑Brittannië beschikte in haar thuiswateren maar liefst over 74 onderzeeboten en over nog eens veertien in de overzeese gebieden. Frankrijk bezat ruim 90 onderzeeboten. Er was dus sprake van een overmacht met betrekking tot het onderzeebootwapen aan de zijde van de Entente.

Volgens Charles W. Domville‑Fife, auteur van het in 1914 verschenen boek Submarines, mines and torpedoes in the War, kwam de duikbootoorlog voor de Entente niet onverwacht. In de periode 1901‑1902 werden de eerste Britse onderzeeboten te water gelaten bij de scheepswerven van Vickers te Barrow. Frankrijk was zelfs de eerste maritieme mogendheid met een onderzeeboot als oorlogswapen: de ‘Gymnôte’ uit 1888. (2) Ondanks deze vroege aandacht voor het duikbootwapen schonk de Britse maritieme school ook de nodige aandacht aan het mijnenwapen, dat een zekere concurrentie vormde voor de verdere ontwikkeling van het Britse duikbootprogramma. Sinds de Japans‑Russische oorlog was Groot‑Brittannië zich wel bewust van de waarde van mijnen.

Het zinken van de Japanse oorlogsschepen ‘Hatsuse’ en ‘Yashima’ en die van het Russische oorlogsschip ‘Petropavlovsk’ en de kruiser ‘Boyarin’ waren wapenfeiten die werden toegeschreven aan mijnen. De Britse fascinatie met het mijnenwapen bleek uit de oprichting van een nieuwe sectie van de Royal Naval Reserve in 1911. Deze sectie had tot taak met mijnenvegerapparatuur de wateren te schonen. Groot‑Brittannië leek de mijn boven de duikboot te verkiezen.

Balanceren tussen politieke gevoeligheden

Maar net zoals de Entente in het begin van de oorlog nog zoekende was naar de juiste verhoudingen en keuzes met betrekking tot de maritieme oorlogsvoering, evolueerde ook het Duitse duikbootwapen geleidelijk. Hierbij waren vier fasen herkenbaar:

  1. De ontdekking van het duikbootwapen als offensief strijdmiddel.
  2. Het debat over de wijze waarop het duikbootwapen moest worden ingezet: ‘beperkt’ of ‘verscherpt’.
  3. De invoering van de ‘Prisenordnung’ als norm in de onderzeebootoorlog.
  4. De introductie van de onbeperkte onderzeebootoorlog.

Aanvankelijk hadden de duikboten geen offensieve functie en werden zij voornamelijk gebruikt als defensief wapen en voor verkenningen. Het was de alledaagse realiteit op het maritieme slagveld dat hierin verandering bracht. Vanwege de kwetsbaarheid van de Duitse marineposities bij Helgoland waren duikbooteenheden onder bevel van de ‘Korvettenkapitänen’  Hermann Bauer en Otto Feldman in de Duitse Bocht gestationeerd. De duikboten waren bedoeld als pure defensieve maatregel. ‘Korvettenkapitän’ Bauer bracht hierin verandering. De doortastende marineofficier was niet van plan zich tot defensieve houding te beperken en experimenteerde met de offensieve mogelijkheden van het duikbootwapen. Bij de daarop volgende acties ging het om patrouilles op de Noordzee. Hierbij voerde Bauer de lengte van de acties langzaam op van zeven tot wel 30 dagen en soms zelfs meer. Hierbij werden eerste resultaten geboekt. Deze experimentele fase toonde aan dat bemanningen langere tijd aan boord van de ‘ijzeren doodskisten’ konden blijven. De duikboot werd hierdoor als offensief wapen interessant.

In de begindagen was het duikbootwapen echter te zwak om de verscheping van de Britse expeditiemacht naar Frankrijk te voorkomen. Daarbij leidde de nieuwe inzet van de duikboten ook tot eerste verliezen. De U13, onder leiding van Graf von Schweinitz und Krain, keerde niet terug van zijn missie in de noordelijke wateren van de Noordzee. (3) De U15 werd door de Britse kruiser ‘Birmingham’ geramd toen er reparatiewerkzaamheden boven water werden uitgevoerd. Er werden ook klappen uitgedeeld; ‘Kapitänleutnant’ Hersing van de U21 torpedeerde in september 1914 met succes de Engelse kruiser ‘Pathfinder’. Op 22 september volgde Otto Weddigen met een drieklapper.

Om 6:12 uur zag Weddigen een ‘kleine Gruppe von drei Panzerkreuzern’ en bereidde een aanval op het middelste schip voor. De ‘Aboukir’ werd om 7:20 uur getroffen en zonk. Om 7:55 uur vuurde Weddigen twee torpedo’s af op de ‘Hogue’ met een interval van vijf seconden. Om 8:20 uur viel de ‘Cressy’ ook ten prooi, ditmaal aan twee hektorpedo’s. Voor de zekerheid vuurde Weddigen nog een torpedo af op de ‘Cressy’ als genade­schot. (4) Admiraal Scheer beschreef deze eerste zegetocht van het nieuwe wapen als volgt: ‘besonders für die Marine war seine Tat eine Erlösung aus dem bedrückenden Gefühl, in diesem Kriege noch so wenig geleistet zu haben im Vergleich mit dem Heldentaten des Heeres.’(5)

De duikbootoorlog had zijn debuut gemaakt, al waren veel zaken nog zeer provisorisch. In de tweede helft van oktober 1914 voeren Dröscher (U20) en Plange (U29) rond Groot‑Brittannië met behulp van een „schoolatlas” en een „Zeitungsreklamekarte”. De voorraad navigatiekaarten waaruit de U-Bootcommandanten konden putten, beperkte zich „tot aan het Kanaal”. De schepen boven water hadden daarentegen de beschikking over een compleet overzicht aan nautische kaarten.

Volgens het ‘Laienverstand’ van kanselier Bernhard Heinrich Martin Fürst von Bülow, kon het duikbootwapen de slinger zijn waarmee David met ‘Wagemut und Glück’ Goliath kon verslaan. Hij zag ook in dat de Duitse overzeese vloot niet opgewassen was tegen de meer wendbare en met zwaarder geschut uitgeruste Britse vloot. Strategen als Schlieffen, Moltke en von Tirpitz waren altijd voor directe offensieve Duitse krijgsvoering ter zee geweest, maar de Keizer en Theobald von Bethmann Hollweg, sinds 1909 de opvolger van Von Bülow, dachten er anders over. Volgens Von Bülow voelde de Keizer er weinig voor om de vloot op het spel te zetten bij een offensief en diende de vloot slechts als defensieapparaat. De keizer was zeer verknocht aan zijn maritieme macht. Ieder schip van de marine bezat een ‘Kabine mit Komfort’ voor Wilhelm II.  Von Bülow vergeleek het met een renstalmeester die zijn beste renpaarden voor een boerenkar zette met het risico dat ze zich mank zouden lopen. De kanselier, een bewonderaar van de Britten, wilde Londen niet tergen.

Na het eerste succes van de duikboten zouden er nog vele hoogtepunten en diepe dalen volgen. De Britse vloot had inmiddels met oorlogsbodems en mijnenvelden de hongerblokkade tegen Duitsland opgetrokken. Het Britse mijnenveld sloot Duitsland af van voedselbevoorradingen en grondstoffen vanuit zee. Op 2 november 1914 werd de gehele Noordzee door de Britten tot oorlogsgebied verklaard. De zeeblokkade was bedoeld om Duitsland economisch op de knieën te krijgen. Het Kanaal en het gebied tussen Zuid-Noorwegen en de Orkney-eilanden werden tot gesperd gebied verklaard. Dit leidde reeds in 1915 tot de intrede van het zogenaamde ‘Kriegsbrot’ in Duitsland alwaar men in hetzelfde jaar overging tot verdunning van de melk met water. De Duitse militaire leiding maakte zich zorgen over de gevolgen hiervan voor het moreel, en men begon de marges van de duikbootoorlog op te rekken. Het werd in de loop van de oorlog steeds duidelijker dat de Duitse oppervlaktevloot geen partij was voor de Britse vloot. De slag bij de Doggersbank in januari 1915 eindigde weliswaar onbeslist, maar ook de slag bij Skagerrak, tussen mei en juni 1916 in de zee-engte tussen Jutland en Noorwegen, eindigde onbevredigend voor de Duitse vloot.

De Duitse admiraliteit en het duikbootwapen richtten zich vanaf begin 1915 ook op de koopvaardijschepen. Men ging hierbij als volgt te werk. Het civiele schip werd aangehouden en de bemanning moest in de sloepen plaatsnemen, daarna werd het schip getorpedeerd of in brand gestoken. Eind januari 1915 waren op deze wijze de eerste zeven tot zinken gebracht. De Duitse admiraliteit zag de duikboot als het antwoord op Engelse mijnen. Scheer vond zelfs dat beide wapens niet aan elkaar onder deden als het ging om onzichtbaarheid en onvoorspelbaarheid. Beide methodes waren zeer effectief. (6) De duikboot moest angst en paniek veroorzaken en handelsschepen ervan verzekeren dat ontsnappen onmogelijk was. Het gebruik van de ‘U-Boot’ moest een „psychologisch onbehagen” scheppen. Deze „Abschreckung” moest ervoor zorgen dat de voor Engeland bedoelde handelsschepen in de haven bleven liggen. In zijn memoires voerde Admiraal Scheer aan dat het opereren onder water van de duikboot de vijand in onwetendheid zou laten over het exacte aantal duikboten waarmee ze te maken hadden. Scheer vertrouwde op de menselijke eigenschap ‘onbekende gevaren te overdrijven.’ De duikboot kon de vijand, zelfs tot in de havens, ongezien naderen, toeslaan, en weer ongezien vertrekken. Heinrich von Henning van de U18 ondernam in november 1914 een poging om de Grand Fleet bij Scapa Flow te belagen, maar faalde in zijn missie. Ondanks deze pech boekte de onderneming wel succes: de Britse Admiraliteit werd met zijn neus op de feiten gedrukt dat een Duitse duikboot Scapa Flow kon bereiken. (7)

Dat de duikboot als wapentaak snel volwassen werd, werd ook duidelijk uit de reactie van de Entente. De ‘Naval Expenditure Emergency Standing Committee’ loofde in de loop van 1914 beloningen uit aan de bemanning van schepen die duikboten tot zinken brachten of signaleerden. De beloningen varieerden van £80 tot £160 per U-Boot. Later werd het bedrag opgeschroefd en kon de vernietiging van een duikboot £1000 opleveren. Ook werden eventuele ‘koersafwijkingen voor het zichten van U‑boten’ door de Admi­raliteit vergoed.

Volgens Graf Felix von Lückner, de ‘zeeduivel’ van het Duitse kaperschip ‘Seeadler’ en berucht snoever, schonk de Britse Admiraliteit namens de Engelse koning zelfs gouden horloges aan elke nobele visser die een duikboot had geramd. Lückner verhaalt hoe de Duitse geheime dienst dummy’s van drijvende periscopen vervaardigde, waaraan een grote mijn was gekoppeld. Duikboten lieten deze ‘lokazen’ vervolgens los in de Noordzee. Volgens Lückner resulteerde deze Duitse tactiek tot het zichten van meer onderzeeboten dan dat er in werkelijkheid waren. Hoewel Lückner een geboren verhalenverteller was en zijn verhalen vooral met een korreltje zeezout moeten worden genomen, vermeldt hij nog wel datgene wat hij beschrijft niet algemeen bekend is en dat het niet in officiële documenten is terug te vinden, maar dat de verhalen wel de ronde deden binnen Duitse marinekringen. (8)

De duikbootoorlog verscherpt zich

Na de ontdekking van de offensieve mogelijkheden van het duikbootwapen volgde een steeds agressiever politiek. De blokkade rond Duitsland was inmiddels ‘voelbaar’ geworden en dat enthousiasmeerde in een steeds onverbiddelijkere inzet van de duikboten. Hoewel er nog altijd relatief weinig boten voorhanden waren, werden in februari en maart 1915 38 schepen van de Entente tot zinken gebracht. In april volgden er 29 en 52 in mei.

Het sterkste staaltje van Duits blufpoker kwam in de gedaante van de declaratie van Admiral Hugo von Pohl, hoofd van de ‘Admiralstab’, van 4 februari 1915 waarin de ‘eingeschränkte U-Bootkrieg’ in de ‘Reichsanzeiger’ werd afgekondigd:

  • De wateren rond Groot-Brittannië en Ierland, inclusief het Engelse Kanaal zijn bij deze tot oorlogsgebied verklaard. Vanaf 18 februari 1915 zal elk handelsschip in deze zone vernietigd worden;
  • Neutrale schepen lopen eveneens het risico tengevolge van het onjuiste gebruik van neutrale vlaggen door de Britse regering en de gevaren van maritieme oorlogsvoering. Het kan niet voorkomen worden dat de aanvallen jegens vijandelijke schepen ook niet jegens neutrale schepen worden gebruikt;
  • Scheepvaart noordelijk van de Shetlandeilanden, het oostelijk gedeelte van de Noordzee en een op zijn minst 30 nautische mijlen brede strip langs de Nederlandse kust zijn gevrijwaard van enig gevaar.

Daarnaast werd ook de duikbootcapaciteit uitgebreid. Het jaar 1915 was een vruchtbaar jaar voor de flottieljes. In Brunsbüttelkoog en Wilhelmshaven werd een flottielje opgericht. Emden kon zich verheugen op twee flottieljes. Een vijfde flottielje werd op 29 maart in Bremerhaven opgericht. Hier werd tevens de ‘Hochseeflotte’ ondergebracht. Gelijk met de vijfde flottielje ontstond de ‘Flandern’-flottielje in het Belgische Brugge. In november 1915 werd aan het rijtje de ‘U-Bootsflottielje Mittelmeer’ toegevoegd. Dit flottielje werd later opgesplitst en ondergebracht in de plaatsen Pola en Cattaro. Tenslotte werd een ‘U-Bootskreuzerflottielje’ gecreëerd in Kiel.

De beperkte onderzeebootoorlog stond volgens de duikbootofficier Michelsen onder een slecht gesternte. De neutralen, waaronder de VS en Italië, werden alleen door U-Boten aangehouden op basis van ‘Prisenordnung’, dat wil zeggen: schip aanhouden; controleren op banwaar en het eventueel tot zinken brengen van het schip. ‘s Nachts waren deze controles nagenoeg onmogelijk, maar zelfs overdag viel de procedure van ‘Prisenordnung’ niet mee. Hoe konden Duitse U-Boten naar ‘behoren’ hun taak uitvoeren als de Britten de regels van oorlogsvoering ter zee torpedeerden? Een duikboot had tegenover het clandestiene vernuft van de Entente alleen zijn onzichtbaarheid in te brengen. Een U-Boot was uiterst kwetsbaar, was door een aanvaring of aanval van een bewapend koopvaardijschip eenmaal de periscoop of toren beschadigd, ontnam dit de onderzeeboot de eigenschap van duiken. Een duikboot was niet in staat een schip in te halen, maar moest het vooral hebben van het op de loer liggen, bovendien was hij alleen maar aangewezen op zijn torpedowapen.

Michelsen heeft het in zijn memoires over ‘Stockungen und sogar Hemmungen’- stagnaties en vertragingen- van troepen- en materieeltransporten van Engeland naar Frankrijk. Michelsen laat daarmee doorschemeren dat de duikboten de scheepvaart weliswaar stoorden maar niet konden platleggen.

Wel was er hoop op nieuwe technische ontwikkelingen. In februari 1915 liep een kleiner type duikboot van stapel. In Kiel zag de UB1 het licht. Het meest opmerkelijke van dit kleine broertje was zijn duiksnelheid van 22 seconden. Het had daarentegen wel een zwakkere bewapening. In augustus 1914 had men al plannen voor dit type onderzeeboot, maar vanwege zijn kleine operatiegebied werd de „militärischen Wert” van dit type nog niet gezien. Daar kwam verandering in.

Op 16 oktober 1914 vielen de Belgische kustplaatsen Oostende en Zeebrugge in Duitse handen. En met deze verovering werd de UB-Boottype op zijn waarde geschat. Op 9 november 1914 legde de U12 aan in Zeebrugge. De U12 had al enige problemen ervaren langs de Britse kust en had last van ‘Grundberührung’. Operaties vanuit Zeebrugge vereisten dus een kleiner type duikboot. Het UB-type had de juiste snelheid, een geringe omvang en had bovendien een waardevolle eigenschap, namelijk zijn „treintransportvriendelijkheid”. De UB-boten bestonden uit drie segmenten die over het spoor naar Antwerpen vervoerd konden worden en aldaar in elkaar konden worden gezet. Van daaruit ging het over het water verder naar bases.

De UB-boten van de zogenaamde ‘Flandern-Flottielje’ hadden een zwart/wit/rode boegbeschildering met een vriendelijk lachende guppy-kop als ‘Handelskriegmarke’.

Deze nieuwe ontwikkelingen ten spijt was de ontwikkeling van het duikbootwapen even hoopvol als onzeker en waren er ook sterke argumenten voor een onbeperkte duikbootoorlog:

  • De vijandelijke koopvaardijschepen voeren op bevel van de Britse Admiraliteit vlaggen van neutrale landen.
  • Een deel van de koopvaardijschepen was al bewapend.
  • Koopvaardijschepen kregen al snel het bevel offensief op te treden tegen onderzeeboten.

De langzaam oprekkende opvattingen over wat wel en niet kon binnen het duikbootoorlog zorgde voor interne Duitse discussie. De Duitse kanselier Bethmann Hollweg twijfelde echter nog of deze ‘eingeschränkte U-Bootkrieg’ wel van politieke wijsheid getuigde: de VS begon zich te roeren en de Duitse autoriteiten konden zich er niet toe brengen alle scheepvaart te verbieden. Laat staan dat zij een onbeperkte duikbootoorlog in dit stadium van de oorlog zouden willen steunen.

Als reactie op de uitbreiding van de oorlogsgebieden van von Pohl ontving de ‘Flotte’ op 14 en 15 februari twee telegrammen met de oproep: ‘vanwege dringende politieke redenen bevelen aan de duikboten door te geven via draadloze transmissie dat ze, tot nader order, (9) schepen die een neutrale vlag voerden,niet mochten torpederen, tenzij ze met zekerheid als vijandelijk schip te boek staan.’

Het tweede telegram maakte nadrukkelijk bekend dat de duikbootcampagne, en het daarmee gepaarde laten zinken van neutrale schepen als onderdeel van de ‘Handelskrieg’, nog niet op de eerder aangekondigde datum van 18 februari zou beginnen maar dat het bevel van de ‘Allerhoogste’ daarvoor moest worden afgewacht.

Von Pohl reageerde met een contra-telegram. De boodschap aan de Marine Staf loog er niet om. Von Pohl beweerde dat het haast onmogelijk was de U-boten op tijd te bereiken. Tevens gaf hij aan dat het een groot gevaar was voor onderzeeboten om na te gaan of het bij schepen om neutralen of vijandelijke schepen ging. De Marine zou vreselijk te lijden krijgen van de publieke opinie mocht deze onderneming verkeerd uitpakken.

Waarschijnlijk deed de Keizerlijke druk von Pohl zijn betoog aanpassen. Op 18 februari, het moment waarop de ‘eingeschränkte U-Bootkrieg’ officieel had moeten beginnen, kwam een nieuwe verklaring: (10)

  • De U-Bootcampagne wordt voortgezet in al zijn sterkte;
  • Vijandelijke handelsschepen moeten worden vernietigd;
  • Neutrale schepen worden gespaard. Hoewel neutrale vlaggen of kenmerken geen garantie bieden van neutrale nationaliteit, moet de U-Bootcommandant zich van de neutraliteit vergewissen op grond van bouw, plaats van registratie, koers en algemeen gedrag;
  • Handelsschepen met neutrale vlag in konvooi zijn een bewijs van neutraliteit;
  • Hospitaalschepen worden gespaard. Ze mogen alleen worden aangevallen indien ze duidelijk voor het verschepen van troepen van Engeland naar Frankrijk worden gebruikt.
  • Schepen die aan de Belgian Relief Commission toebehoren, worden gespaard;
  • Mocht ondanks grote voorzorg fouten worden gemaakt,dan zal de U-Bootcommandant niet aansprakelijk worden gesteld.

Ook al scheen deze declaratie wat mild toe, toch bood het de duikboten een carte-blanche voor het voeren van een ‘handelskrieg’ naar eigen goeddunken. Het was hoofdzakelijk de taak van de duikbootcommandant te bepalen of een neutraal schip vijandelijk was. Mocht na een torpedo-aanval blijken dat de commandant zich daarin had vergist, dan had dat geen gevolgen voor hem persoonlijk.

‘Lusitania’

De zogenaamde ‘eingeschränkte U-Bootskrieg’ kreeg een voorlopige climax met de torpedering van de ‘Lusitania’ op 7 mei 1915 door de U20. Een week eerder was de U20 vanuit Emden uitgevaren met het bevel Engelse troepentransporten vanuit Liverpool te ondervangen. Op 7 mei en met slechts twee torpedo’s voer kapitein Walter Schwieger weer huiswaarts. Hij had te kampen met dichte mist en ruwe zee. In dit weer ontkwam een grote pantserkruiser. Om 14:20 uur ontdekte Schwieger iets voor de Ierse Zuidkust, iets wat leek op meerdere schepen getuige de ‘vier schoorstenen en de vele masten’. Het bleek echter één schip te zijn. Om 15:10 uur werd op 700 meter afstand een boegtorpedo afgevuurd. Het bronzen onding trof het betreffende schip aan stuurboord achter de brug. Schwieger beschrijft wat er daarna gebeurde als volgt: ‘ongewoon sterke detonatie, gevolgt door enorm grote rookwolken (…) er volgt een tweede explosie, alsof munitie de lucht ingaat.’

De oude ervaren voormalige stoomschip kapitein kijkt door zijn periscoop en leest de naam van het schip: ‘Lusitania’, en bemerkt dat de schoorstenen zwart zijn geverfd, dat de rederijtekens zijn overgeschilderd en dat het schip geen vlag voert. Schwieger vuurt geen tweede torpedo af. Hij kan het niet opbrengen en verwacht dat hulpbiedende schepen snel ter plekke zullen zijn.

De internationale pers viel over deze dramatische gebeurtenis heen.

Uit de, met name Britse kranten, komt de „onverhulde wens” dat de Amerikanen zich aan de kant van de Britten zullen scharen in de strijd tegen Duitsland. De Lusitania-kwestie voedde een sterk anti-Duits sentiment in de VS en vormde de aanzet tot de inmenging van dat land in de oorlog. ‘Aanzet’ is het juiste woord want Amerika reageerde pas op 15 mei met scherpe kritiek. Het kwam hierop neer dat de VS eisten dat de duikbootcampagne werd stopgezet, omdat de wijze waarop Duitsland dit wapen gebruikte in strijd zou zijn met de ‘lawful business’ van Amerikaanse burgers over zee of waar dan ook. Amerikaanse burgers hadden het volste recht om hun zaken uit te voeren zonder het risico te lopen hun leven te riskeren.

Bethmann Hollweg zwichtte voor de druk en besloot op 15 juni 1915 tot het verbieden van het torpederen van grote passagiersschepen, inclusief vijandelijke. Juist deze vijandelijke passagiersschepen werden gebruikt voor het vervoer van troepen en munitie.

Ontslag Tirpitz en voortgaande richtingenstrijd tussen OHL, politiek en marine

Het besluit van de kanselier leidde tot felle interne debatten. Von Tirpitz en zijn rechter hand , admiraal Bachmann voelden zich gepasseerd door deze inmenging van de politiek. Zij meenden dat iedere terugtrekkende beweging ‘verderfelijke’ gevolgen zou hebben. Von Tirpitz en Bachmann dienden hun ontslag in. Deze werden echter niet ingewilligd.

Kort daarop volgden nieuwe spanningen met de VS. Op 19 augustus 1915 torpedeerde de U24 het stoomschip ‘Arabic’. Opnieuw klonk er protest vanuit de VS.  Admiraal Bachmann, diende wederom zijn ontslag in omdat hij zijn visie van het incident niet mocht geven. Ditmaal werd zijn ontslag aanvaard en nam Admiraal von Holtzendorff zijn plaats in. Admiraal von Pohl dreigde ook met ontslag. De admiraliteit verdedigde haar offensieve houding door te wijzen op de cijfers. Vanaf het moment dat de acties van duikboten gelimiteerd werden, had men te kampen met een toename van de verliezen. Von Pohl wilde niet de verantwoordelijkheid dragen bevelen uit te vaardigen die de duikbootbemanningen konden schaden. Zijn argumenten werden door zijn opponenten echter afgedaan als ‘gebrek aan kennis over de politieke situatie.’

Omdat de admiraliteit het gevoel kreeg dat er een arm op de rug was gebonden werd de duikbootoorlog ten westen van Engeland grotendeels stopgezet. De duikboten verlegden hun jachtterrein naar de Middellandse zee en de Dardanellen. In het najaar van 1915 wisten de duikboten hier ruim 550.000 ton aan scheepstonnage te vernietigen. Aangezien in deze gebieden nauwelijks sprake was van neutraal scheepsverkeer, deelden deze acties rake klappen uit aan de Britse economie. Om toch te voorkomen dat Engeland op grond van de Duitse afwezigheid in de Noordzee zijn anti-onderzeebootpolitiek in de Middellandse zee zou voortzetten, werden weer „Versuchsfahrten” ondernomen. Op 24 februari 1916 werd ook de duikbootoorlog heropend totdat er wegens het tot zinken brengen van de ‘Sussex’ op 24 maart 1916 door de UB29, wederom een reprimande kwam. De Duitse admiraliteit werd gesommeerd weer te opereren op basis van de ‘Prisenordnung’ (24 april 1916). Men was terug bij af.

Onbeperkte duikbootoorlog

Op grond van de succesvolle operaties in de Middellandse zee verscheen op januari 1916 een memorandum van admiraal Henning von Holtzendorff. Hierin werd het thema van de onbeperkte duikbootoorlog wederom aangesneden.

Von Holtzendorff, die op de lijn van Von Tirpitz en Scheer opereerde, pleitte voor een onbeperkte duikbotenoorlog op grond van een aantal argumenten:

  • importprijzen en marktprijzen stegen aanzienlijk in Engeland eind 1915, men hoopte op een economische ineenstorting.
  • een nieuw duikbootoffensief zou onder gunstigere omstandigheden kunnen plaatsvinden vanwege nieuwe onderzeebootbewapening en technische ontwikkelingen.
  • Engeland had te kampen met een tekort aan scheepstonnage waardoor militaire en civiele voorzieningen met gebreken kampten.
  • De Duitse admiraliteit had berekend dat een onbeperkte duikbootoorlog Engeland binnen vijf tot zes maanden op de knieën zou dwingen;
  • De VS werden niet geacht in staat te zijn de Britten aan voldoende tonnage te helpen.

De ambities van de admiraliteit kregen steun vanuit het Duitse OHL. Begin 1916 had het hoofd van de Generale Legerstaf Erich von Falkenhayn gepleit voor het voeren van een onbeperkte duikbotenoorlog. Toen Hindenburg en zijn rechterhand Erich Ludendorff die herfst het commando overnamen was het plan tot een dergelijke duikbootcampagne even opgeschort maar nog steeds in beeld.

Op 3 september 1916 vond een ontmoeting plaats in het hoofdkwartier te Pless waaraan Generaal Ludendorff, von Holtzendorff, admiraal Eduard von Capelle, de diplomaat Gottlieb von Jagow, de politicus Karl Helfferich en de generaal Adolf Wild von Hohenborn deelnamen. De onbeperkte duikbootoorlog werd aangeroerd, maar er was nog geen concensus. Op grond van de onduidelijke militaire situatie werd een beslissing terzake nog even uitgesteld.

Maar Scheer en Ludendorff waren het wel eens over het volgende:

  • er bestaat geen mogelijkheid de oorlog te eindigen zonder het voeren van een genadeloze duikbootoorlog.
  • de oorlog moest met geen enkele beperking gevoerd worden, ook niet half-half;
  • de duikbootcampagne moest zo snel mogelijk van start gaan;

Toen in december op grond van deze nieuwe tactiek vredesvoorstellen door Engeland werden verworpen, viel het besluit op 9 januari 1917 om definitief van start te gaan met de onbeperkte  duikbootoorlog. Op 1 februari 1917 werd de nieuwe meedogenloze handelsoorlog een feit. Een mogelijke inmenging van de VS namen de Duitsers op de koop toe. De VS was allang niet meer onpartijdig en boden de entente ongegeneerd hulp. De kans dat ze de kant van de Entente zouden kiezen, was dan ook groot.

Er bestaat wat tegenstrijdigheid tussen de verschillende bronnen maar we kunnen aannemen dat de Duitse marine de nieuwe strijd in ging met tussen de 105 tot 148 vaarklare duikboten. De beslissing tot de onbeperkte duikbotenoorlog leidde tot een enorme feeststemming onder de reeds gedemotiveerde duikbootbemanningen. Eindelijk geen geharrewar meer rond de nationaliteit van een schip. De „eerst schieten, dan pas vragen”-mentaliteit vergemakkelijkte de beslissing van elke kapitein.

Deze vreugde zou van korte duur zijn. De onbeperkte duikbotenoorlog kwam te laat om Duitsland naar de overwinning te leiden. Een rigoureuze campagne die eigenlijk in 1915 van start had moeten gaan, miste nu het juiste gewicht. Toch wist Duitsland in een laatste krachtig offensief opmerkelijke resultaten te boeken. In de maand april keerde één op de vier Engelse schepen niet meer terug in haar havens. „De geallieerden verloren bijna een miljoen aan scheepstonnage, zestig procent daarvan was Brits,” becijferde de toonaangevende historicus Liddell Hart in History of the First World War. Een voortzetting van dergelijke successen op deze wijze zou de Engelsen in een lastig parket brengen. De Britse regering nam al maatregelen met voedselrantsoeneringen en de uitbreiding van zijn handelsvloot door de bouw van nieuwe schepen en het Verenigd Koninkrijk kon nog maar net zijn hoofd letterlijk boven water houden. Een groot succes dus.Lord Jellicoe verklaarde later: „Na 1 februari 1917 was de soevereiniteit over de zee in handen van de vijandelijke onderzeeboten”

Engeland was aangewezen op zijn eigen inventiviteit. Als experiment werd op 10 mei 1917 het konvooivaren geïntroducceerd. Dit bleek een succes. In september daalde het aantal vernietigde schepen naar 200.000 ton. Nieuwe mijnen en nieuwe technieken om onderzeeboten op te sporen en te vernietigen maakten hun opwachting. Het aantal Duitse onderzeeboten daalde schrikbarend in de laatste maanden van 1917. Alleen al in de maand mei 1918 verloren ze veertien onderzeeboten op een aantal van 125! De Britse marine had aan het eind 175 vernietigde duikboten op zijn conto staan. De Duitse marine probeerde dit op te vangen door een snellere productie van duikboten en door het opleiden van nieuwe bemanningen. In december 1917 waren er al 120 duikboten bij besteld, waaraan in juni 1918 nog eens 220 werden toegevoegd.

Ook probeerde men met nieuwe technische ontwikkelingen het initiatief weer aan Duitse kant te krijgen. In de herfst van 1917 kwam er een nieuw type duikboot: de U-Bootkruiser voor offensieven aan de Noord-Amerikaanse oostkust, de Afrikaanse westkust en de Azoren. Tot deze U-Bootkruiser behoorden voormalige Handels-U-Boten zoals de ‘Deutschland’. (11) Maar deze U-Boten waren niet erg efficiënt. In de tijd die ze nodig hadden om naar hun jachtgebied te komen, had een normale U-Boot al het dubbele aantal vaarten gemaakt.

Muiterij

De genadeklap voor de Duitse duikboten werd gevormd door een bizarre mix van opeenvolgende gebeurtenissen.. Deze waren deels militair-technisch van aard,en deels van organisatorische aard, zoals de instelling van een mijnengordel tussen Noorwegen en de Orkney-eilanden van ongeveer 70000 mijnen, de Entente-blokkade op 22 april 1918 van de haven van het Flandern Flottielje te Zeebrugge, het gebrek aan personeel in de U-Bootindustrie en de slechte samenwerking tussen marine en leger. De productie van de grote bijbestellingen voor duikboten  kon alleen worden uitgevoerd als het OHL daarvoor voldoende arbeidskrachten en industriële capaciteit zou kunnen vrijmaken. De situatie op het slagveld was echter al zodanig dat die extra mankracht niet meer aanwezig was.

Op 29 september 1918 kwam de Oberste Heeresleitung tot het besluit het ‘U-Bootflottielje Flandern’ op te doeken. Dit besluit had dramatische gevolgen voor U-Bootoperaties in de Noordzee en het Kanaal. Op 28 oktober volgde het Oostenrijkse steunpunt bij Pola en Cattaro. Toen op 5 oktober de nieuwe regering onder prins Max von Baden vredesbesprekingen met de Amerikaanse president Wilson bewerkstelligde, was de val van het duikbootimperium onafwendbaar.

Op 29 oktober brak muiterij uit onder de bemanningen van de ‘Hochseeflotte’. Zij weigerden tegen de vijand uit te varen. De revolutie werd neergeslagen toen torpedoboten en duikboten deze ongehoorzaamheid door middel van het dreigen met geweld tegen de muitende schepen de kop in drukten. Ondanks de acties tegen de revolutionaire krachten kon geen enkele marine-tak zich echter geheel aan de revolutioniare stemming onttrekken. Uiteindelijk brak de revolutie toch in alle hevigheid uit.  Enkele duikboten probeerden nog de ‘Keizerlijke vlag te behouden, maar waren uiteindelijk gedwongen vanwege gebrek aan proviand en brandstofolie naar gerevolutioniseerde havens terug te keren. „Van daaruit ging het voor een deel van de bemanningen huiswaarts, een ander deel voer nog eenmaal op Engeland, voor overgave.

„Ik heb geen Marine meer.”

De wapenstilstand eiste van Duitsland dat alle duikboten zouden worden uitgeleverd. Een bemanningslid van een duikboot vatte het gevoel samen toen de overdracht geschiedde: ‘… de gehele westelijke horizon was vol met schepen. Met een verbeten gezicht stonden we op de brug. Geen woord. Het viel ons allemaal zwaar de Engelse ‘destroyers’ en kleine kruisers te zien opstomen: de vijanden van de duikboot en op elk schip waaide een Union Jack (…) vandaag voeren we de vijand weerloos tegemoet.’

De Keizer vatte het in enkele woorden samen: „ik heb geen Marine meer.” (12)

Noten

(Vanaf augustus 1914 tot november 1918 werden door 320 duikboten 3274 operaties uitgevoerd. 273 U-Boten vernietigden meer dan 11 miljoen Brutoregisterton aan handelsschepen. De meest succesvolle periode voor de duikbootoorlog was de maand april van 1917 geweest. In totaal gingen 178 ijzeren doodskisten verloren).

 

1) Tarrant beweert dat er nooit een U42 heeft bestaan. Hier brengt hij de lezer even op een dwaalspoor. De U42 was een zogenaamde „Versuchsboot” van Italiaanse makelij maar in Duitse opdracht. Met de bouw van deze U-Boot werd op 8 augustus 1913 begonnen. Maar vanwege leveringsvertraging en overname door de Italianen bij het uitbreken van de oorlog liep de U-Boot pas op 8 augustus 1915 van stapel als de Italiaanse onderzeeboot Balilla.

Tarrant: p.7

Herzog: p.89

 

2) Gymnôte (Sidderaal) was bedacht door M. Dupuy de Lôme, maar de onfortuinlijke man stierf nog voordat het ontwerp klaar was. Zijn opvolger Gustave Zédé wist de Gymnôte na een aantal modificaties te lanceren. Tijdens een oorlogssimulatie in 1902, wist de Gymnôte het Franse oorlogsschip Jaurequiberry aan te vallen zonder gezien te worden. De Gymnôte had twee torpedobuizen tot zijn beschikking.

Domville-Fife: p.17. p.80

 

3) Aangezien er pas vanaf 9 september 1914 sprake is van mijnenvelden is het uitgesloten dat de U13 op een mijn liep. Er was echter wel sprake van een mijnengordel in de Duitse Bocht als defensieve versperring. De ware toedracht van de verdwijning kan ook menselijk falen zijn geweest.

Tarrant: p.9

Kemp: p.9

 

4) Het ‘lucky shot’ van Weddigen werd toentertijd, en nog steeds, heftig bekritiseerd. De Hogue, Cressy en Aboukir van de Bacchantenklasse zouden niet beschermd zijn door ‘destroyers’ en noch voeren deze drie schepen in het beproefde zigzagpa­troon. De ‘destroyers’ waren vanwege het slechte weer terugge­roepen. Bij de eerste treffer op de Aboukir dacht men dat men op een mijn was gelopen. Nog voordat men bewust was van het werkelijke gevaar werd de Hogue getroffen. De Cressy snelde naderbij om de drenkelingen op te pikken, zoals het de zeewet­ten voorschrijven, en creëerde op die wijze een ‘sitting duck’ situatie. De Britse kranten hanteerden koppen waarbij inge­speeld werd op de publieke emotie door over „onmenselijke” en „lafhartige” daden te spreken: „niet minder dan 1400 man hadden hun leven verloren, de meeste van deze mannen waren getrouwde reservisten, velen van hen hadden grote families.” Ook werd beweerd dat Weddigen met het torpederen van de drie schepen de ondergang van de U15 wilde wreken of dat hij eerst de drie, in linie voerende schepen, als een schip van de Birminghamklasse had aangezien.

Scheer

 

5) Op 18 maart 1915 werd de U29 van Weddigen geramd door de Dreadnought. De bemanning van de U29 en Weddigen kwamen daarbij om.

Kemp: p.12

 

6) De technologische ontwikkeling van Britse mijnen evolueerde naarmate de oorlog voortduurde. De Royal Navy wist de effectiviteit van mijnen behoorlijk op te schroeven door de ontstekings­mechanismen van mechanische mijnen aan te passen. In 1918 was Groot‑Brittannië al zover dat ze over magnetische mijnen beschikten (M‑sinkers). Deze mijnen konden op de bodem rusten en ontploften zodra een schip met een „magnetic signature” voorbijvoer. Maar ze waren vooralsnog onbetrouwbaar.

eigen aantekeningen

 

7) Domville‑Fife verklaart ook in zijn boek dat „de constante blootstelling aan plotselinge en ongeziene onderzeebootaanvallen hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor de verschrikkelijke aanslag op de zenuwen van bemanningsleden van moderne oorlogs­schepen in tijden van oorlog.” Het kwam dan ook regelmatig voor dat een onderzeeboot gespot werd terwijl er geen onderzeeboot was. Jellicoe gaf ook later toe dat de Britse Admiraliteit tegenover de Britse pers had gelogen over de talrijke U-bootverliezen- en overgaven alleen om het publiek gerust te stellen dat het Verenigd Koninkrijk over een doeltreffend anti-U-bootwapen beschikte.

In de Middellandse zee, zo schrijft Forstman in U39, auf Jagd im Mittelmeer, zijn „meeuwen, conservenblikken, haaienvinnen of blanke stukken hout” al menigmaal door de Entente naar de kelder gejaagd omdat ze die aanzagen voor vijandelijke duikboten. Dit soort voorvallen konden een vertekend beeld geven van de werkelijke Duitse duikbootcapaciteit.

Domville-Fife: p.25

 

8) De reputatie van de Duitse duikboot snelde vooruit. Ze mochten in het begin van de oorlog dan wel niet zo efficiënt zijn, effectief waren ze wel. Scheers opvatting dat de menselijke eigenschap van overdrijven van pas zou komen, bleek juist: de Britse Admiraliteit had geen benul van de werkelijke capaciteit van de Duitse duikboot. Dit resulteerde mede in het leggen van mijnen in het Kanaal en bij de Orkney- en Shetlandeilanden op een diepte van 100 tot 130 meter. De Britten waren in de veronderstelling dat dit de gemiddelde diepte was waarop Duitse duikboten navigeerden, maar de vaardiepte werd rijkelijk overschat.

Scheer

 

9) Cursivering is van de auteur. Schijnbaar vond de Keizer de tijd nog niet rijp voor de plannen van von Pohl, maar keurde hij het geenszins af, getuige zijn achterdeurtje.

Scheer

 

10) In de deels fictieve memoires van Freiherr Spiegel von und zu Peckelsheim: Oorlogsdagboek van de U202, beschuldigt hij de Britten van het gebruik van hospitaalschepen voor het vervoer van militaire paarden onder de „heilige vlag van de onaantastbaarheid”. Kort daarvoor heeft hij zich in zijn dagboek verontschuldigd voor zijn „dichterlijke vrijheden” en dit maakt zijn aantijging ongeloofwaardig, maar toch geven enkele andere U-bootmemoires ook blijk van dit onconventionele vervoer. Walter Forstmann spreekt zijn vermoeden ook al uit in U39, auf Jagd im Mittelmeer. Dit is tot op de dag van vandaag nog niet opgehelderd.

Freiherr Spiegel von und zu Peckelsheim: p.120-123

 

11) Voor de bouw van de”Deutschland” werd zelfs in november 1915 de Deutsche Ozean Reederei opgericht. In 1917 werd de Deutschland van kapitein Paul König omgebouwd tot de U-Bootkruiser U155.

Herzog: p.54

 

12) 9 november 1918 tegenover Scheer.

Scheer

Voornaamste geraadpleegde bronnen

1) Tirpitz, A. von- Politische Dokumente: Deutsche Ohnmachtspolitik im Weltkriege, Hanseatische Verlaganstalt 1926.

2) Helfferich, K.- Vom Kriegsausbruch bis zum uneingeschränkten U-Bootkrieg, Ullstein & Co 1919.

3) Langsdorff, Werner von- U-Boote am Feind, 45 deutsche U-Boot-Fahrer erzählen, C. Bertelsmann Gütersloh 1937

4) Gibbard Jackson, G.- The Romance of the Submarine, Sampson Low, Marston & Co.

5) Michelsen, A.- Der U-Bootskrieg 1914-1918, K.J. Koehler 1925.

6) Freiherr Spiegel von und zu Peckelsheim- Oorlogsdagboek van de U202, W. ten Have 1916.

7) Kemp, P.- U-Boats Destroyed- German Submarine Losses in the World Wars, Arms and Armour Press 1997.

8) Bergen, C./Neureuther, K.- U-Boat stories, narratives of German U-Boat sailors (vert. Eric Sutton), Constable & Company 1931.

9) Lloyd George, D.- War Memoirs, Odhams Press 1938.

10) Domville-Fife, Ch. W.- Submarines, mines and torpedoes in the war, Hodder and Stoughton, 1914.

11) Fürst von Bülow, B.- Denkwürdigkeiten: Weltkrieg und Zusammenbruch, Ullstein.

12) Kemp, P.- H.M. Submarines, Landsborough Publications 1960.

13) Hackmann, W.- Seek & Strike, sonar, anti-submarine warfare and the Royal Navy 1914-54, Her Majesty’s Stationery Office 1984.

14) Hughes, D./ Sheerness Local Studies Library- Making History: HMS Bulwark and HMS Princess Irene 2002.

15) Herzog, B. Deutsche U-Boote 1906-1966, Karl Müller Verlag 1993.

16) Hadley, Michael L.- Der Mythos der deutschen U-Bootwaffe, E.S. Mittler & Sohn, 2001.

17) Bendert, H.- Die UB-Boote der Kaiserlichen Marine 1914-1918, Einsätze-Erfolge-Schicksal, E.S. Mittler & Sohn, 2000.

18) Admiraal Scheer- Deutschlands Hochseeflotte im Weltkrieg.

19) V.E. Tarrant- The U-boat offensive 1914-1945, Cassell & Co, London 2000

20) W. Hubatsch- Deutschland im Weltkrieg 1914-1918, Ullstein 1966

21) H. Herzfeld- Der Erste Weltkrieg, band 1

22) B.H. Liddell Hart- History of the First World War, Cassell & Co London 1970

23) Paul König- Die Fahrt der Deutschland, Ullstein Verlag, Berlin 1916

24) Lord Jellicoe- The Submarine Peril

24) H. Sauer- L’enfer sous L’eau, le sous-marin UC55 dans la guerre mondiale, (Franse vertaling van Die Höllenmaschine im U-Boot 1928), Payot, Paris 1930

25) Freiherr Spiegel von und zu Peckelsheim- Oorlogsdagboek van de U202, W. ten Have, Amsterdam 1916

26) Walter Forstmann- U39, auf Jagd im Mittelmeer, Ullstein Verlag, Berlin-Wien 1918

27) Meyers Großes Konversationslexikon- Kriegsnachtrag, eerste en tweede deel, Bibliographisches Institut, Leipzig-Wien 1920

28) Dank is verschuldigd aan Jannette Witvliet voor het vertalen van enige passages uit H. Sauer- L’enfer sous l’eau

overzicht: