De duikbootoorlog als onderdeel van de ‘Entscheidungsschlacht’

Door: Dr. Perry Pierik

 

Artikel eerder verschenen in: IJzeren doodsdkisten; Het onderzeebootwapen in de Eerste Wereldoorlogd, uitgeverij Aspekt Soesterberg

 

De militair Erich Ludendorff speelde een belangrijke rol bij de inzet van het Duitse duikbootwapen in de Eerste Wereldoorlog. Het uitlichten van Ludendorff met betrekking tot deze geschiedenis behoeft enige uitleg, want was immers Ludendorff niet de rechterhand van Paul von Hindenburg, zijn superieur, en zou het daarom niet logischer zijn om diens geschiedenis met betrekking tot het Duitse duikbootwapen te volgen? Ook valt direct al in de titel het woord ‘Entscheidungsschlacht’ , een heel specifieke term voor die tijd en voor het denken in die dagen. De duikbootoorlog ontwikkelde zich op een bepaald moment tot een hoeksteen van deze gedachte. We zullen daarom stil staan bij de ontstaansgeschiedenis van deze theorie en de rol van de onderzeeërs. Tot slot zullen we kijken waarom het OHL , Oberste Heeresleitung (het Duitse opperbevel) uiteindelijk zijn fiat gaf aan de dramatische start van de onbeperkte duikbootoorlog met al zijn gevolgen voor het conflict en de afloop van de Eerste Wereldoorlog. We zullen zien dat deze persoonlijke redenen niet alleen door militair-strategische redenen werden gevoed, maar ook door de politieke strijd tussen met name Ludendorff en kanselier Bethmann Hollweg.

 

 

Als de Eerste Wereldoorlog op een persoon aan Duitse kant is toe te spitsen, kan  alleen Erich Ludendorff daarvoor in aanmerking komen. Niet alleen heeft hij de oorlog rücksichtslos, ook ten aanzien van zijn eigen persoon en gezondheid, met een niet aflatende taaiheid geleid, gestuurd en uitgedacht, ook werd hij in de loop der jaren meer en meer de spil van het Duitse militaire apparaat, of beter gezegd, de Duitse oorlogsmobilisatie, met alle economische, propagandistische, administratieve en politieke zaken inbegrepen. Tegenstanders van de steeds verder reikende hand van deze man noemde het dan ook de ‘dictatuur Ludendorff’ waarin duidelijk werd dat velen vonden dat Ludendorff zichzelf teveel macht toeeigende. Anderen meenden ook dat hij zijn hand overspeelde. Dit had een permanente overbelasting van de kleine Duitse top tot gevolg. De te smalle machtspolitieke basis stond een objectieve kijk in de weg. Critici van de politiek van het OHL, waarin Ludendorff een cruciale rol speelde, waren monddood gemaakt. Pas in de loop van 1918, na de zenuwinstorting- of althans zenuwcrisis – van Erich Ludendorff,  kwam er wat ruimte voor anderen binnen het zenuwcentrum van de Duitse  ‘grand strategy’.1

 

Dit beeld van Ludendorff staat enigszins haaks op de schets van een aantal biografen die Paul von Beneckendorff und von Hindenburg, zoals de Duitse bevelhebber volledig heette,  hebben uitverkoren tot hun hoofdspersoon.2 Toegegeven, Hindenburg, de ‘zwijgzame eik’, was zo mogelijk nog ‘indrukwekkender’dan Ludendorff. Ludendorff was lichter, kleiner van stuk en stond op iedere prent altijd een meter achter Hindenburg. En eigenlijk niet alleen op de prenten, ook zijn militaire opereren vond plaats achter de beschermende rug van Hindenburg. De Duitse bevelhebber ving als een onbeweeglijke en onverstoorbare sfinx de kritiek, vragen, veronderstellingen en alternatieve plannen op, opdat de succesvol en begenadigde ‘tovenaarsleerling’ Ludendorff, alle ruimte zou krijgen om het ‘artistieke’ oorlogsvak tot in diepste finesse gestalte te kunnen geven. Hindenburg vormde het podium, Ludendorff sloeg op de pauken. De orchestratie eindigde in een diep, donker geroffel waarbij de poorten van Dante’s hel zich opende in de vorm van het Duitse voorjaarsoffensief van 1918. Tegen die tijd stond de zaak voor Duitsland al op meer dan scherp. Amerikaanse troepen stroomden in Europa aan wal en de duikbootoorlog was al over het cummunilatiepunt heen.

 

Ludendorff en Hindenburg vormden samen de kern van het OHL, waartoe men, met een knipoog, ook de Duitse keizer kon rekenen.3

Aanvankelijk stonden zij niet aan het roer, maar waren zij de opvolgers van Helmuth Johannes Ludwig von Moltke  en van Von Falkenhayn. Aanvankelijk waren de beide officieren meer ‘outsiders’ dan ‘insiders’. Wat zij gemeenschappelijk hadden, en dat maakte hen misschien wel tot zo’n succesvol duo, was het feit dat zij beiden voor augustus 1914 als lastpakken waren ‘weggewerkt’. Hindenburg was na een conflict met de keizer met pensioen gestuurd en Ludendorff was uit de staf van het Duitse leger gewerkt om ‘discipline te leren’ als liaison-officier. Beide officieren stonden dus voor hun zaak, ook als dat hun meerderen onwelgevallig was. Toen oorlog zich in 1914 direct anders ontwikkelde dan verwacht, waren zelfstandige geesten als Ludendorff en Hindenburg ineens meer dan welkom en werden ze als het ware herontdekt. Beide mannen grepen deze kans met twee handen en wisten onnoemelijk veel macht naar zich toe te trekken.4

 

De eerste samenwerking had plaats in het oosten, waar de tsaristische legers veel sneller in het offensief gingen dat iemand voor mogelijk had gehouden. Dit leverde een groot probleem op, want hierdoor werd Duitsland al direct met een tweefrontenoorlog geconfronteerd. Het Schlieffen-plan van 1905 behelsde een snelle aanval in het westen, gekenmerkt door straffe etappemarsen die Frankrijk moesten verslaan. Dit moest gebeuren voor de verwachte trage Russische mobilisatie. Na het verslaan van Frankrijk kon het Duitse leger zich geheel richten op het Tsaristische leger. Maar in augustus 1914 deed zich een geheel andere werkelijkheid voor. Er was direct een grootschalige Russische troepenmacht aan de grens met oost-Pruisen in actie gekomen en deze drong de Duitse eenheden, die niet van eerste klas kwaliteit waren en onzeker geleid werden door Maximilian von Prittwitz und Gaffron, snel terug in westelijke richting. Oost-Pruisen was in groot gevaar! Bij het Duitse opperbevel kwamen verontrustende mededelingen binnen: vluchtelingenstromen kwamen op gang –kozakkenangst!-  en Von Prittwitz  wilde zijn troepen al ver in Pruisen laten terugtrekken. Even werd zelfs voor Berlijn gevreesd! Aan de ambities van de Russen lag het niet, al rukten de legers van het Njemen en Narew leger nogal ongecoördineerd naar het westen op.5

Deze onverwachte en fataal ogende ontwikkelingen brachten Ludendorff en Hindenburg in de voorhoede positie van de Duitse generale staf. Hindenburgs verzoek tot ‘bevrijding’ uit zijn pensioen werd gehonoreerd en Ludendorffs doortastende optreden bij de Belgische garnizoensstad Luik, alwaar hij op eigen houtje de citadel veroverde en de voor het Schlieffen-plan belangrijke bruggen over de rivier de Maas veilig stelde, maakte het duo geschikt om Von Prittwitz te vervangen. Hun gemeenschappelijke optreden leidde tot de legendarische Duitse overwinningen bij Tannenberg en de slag bij de Masoerische meren.

 

Tegen februari 1915 had het commando Oberost de situatie onder controle. Hun voornaamste zorg was dat de meer zuidelijk opererende Oostenrijks-Hongaarse troepen, die nog slechter presteerden dan de Russen, niet ineen zouden storten.6 

 

In Duitsland verrezen standbeelden voor Hindenburg, maar de werkelijke schepper achter het bijzondere Duitse succes was Erich Ludendorff. Hindenburg besefte dat ook en gedurende de hele oorlog keurde hij vrijwel ieder militair voorstel van Ludendorff goed. Het is van belang dit in het oog te houden met betrekking tot de politiek en strategie ten aanzien van de duikbootoorlog. Hindenburgs talent was dat hij de capaciteiten en het moeilijke karakter van Ludendorff goed kon inschatten, waardoor hij veel ergernissen en problemen op het pad van Ludendorff kon gladstrijken, inclusief zijn moeilijke omgang met  keizer Wilhelm II.  Op zijn manier probeerde Wilhelm II een modus te vinden tussen zijn eigen complexe  karakter en dat van zijn koppige militaire genie. Hij bood verschillende malen aan om Ludendorff, die van betrekkelijk eenvoudige komaf was, in de adelstand te verheffen, maar Ludendorff weigerde. Voor Ludendorff was dit alles uiterlijk vertoon. Maar het toonde ook aan dat Ludendorff in veel opzichten een ‘nur-Soldat’ was en dat had een slechte uitwerking  bij gecompliceerde multidisciplinaire beslissingen rond de duikbootoorlog.

 

Toch kende de ‘nur-Soldat’ ook onvermoede talenten die aan de basis stonden van de  ‘dictatuur Ludendorff’. Binnen deze politieke context werd het besluit tot de onbeperkte duikbootoorlog genomen.  Eén van Ludendorffs sterke punten was een groot organisatorisch  talent, ook op het politieke vlak. Dit kwam tot uiting in het oorlogsbestuur van Ludendorff vanuit de stad Kovno aan het noordelijk deel van het oostfront. Terwijl de doodsmolen in het westen bij Verdun begint te draaien, bestuurt Ludendorff  een groot stuk Pools-Russisch grondgebied. Dit deed hij  bepaald niet onverdienstelijk, zo getuigen onder andere zijn biografen Hans Frentz en de D.J. Goodspeed.7 

De ‘bestuurlijke functie’ met betrekking tot  (bezetting)politiek, bevolkingspolitiek, administratieve taken, media, oorlogseconomie, en landbouw was een goede leerschool voor datgene wat onvermijdelijk was: de doorstart naar de ‘Oberste Heeresleiting’. Die stap kon gemaakt worden toen de doodsmolen van Verdun vastdraaide in de honderdduizenden die in deze ‘doodbloed’-slagen waren geofferd. Toen Ludendorff en Hindenburg, in de nazomer van 1916, het roer overnamen, was het stopzetten van de gekte van Verdun hun eerste maatregel.

 

Een belangrijk signaal ter onderstreping dat Ludendorff, in de nieuwe functie op het OHL, geen ondergeschikte was van Hindenburg  was dat er een speciale rang voor hem werd bedacht. In plaats van ‘Zweiter Generalstabchef ‘werd hij benoemd tot ‘Erster Generalquartiermeister’. Natuurlijk was dit een beetje kinderachtig, maar aan de andere kant kwam het wel meer met de feiten overeen. Want toen Von Falkenhayn afscheid nam, had de keizer na twee mislukte benoemingen, waarin hij zijn eigen wil had doorgedreven, aan macht ingeboet. Het ‘gelukkige huwelijk’ tussen Hindenburg en Ludendorff was daarom het enige alternatief. De ‘lastpak’ Ludendorff had het hoogtepunt van zijn roem bereikt.

 

De stopzetting van de offensieve oorlogsvoering, door Ludendorff en Hindenburg, zette een zekere rationalisering van de oorlogsvoering in die hoopgevend was. Inderdaad werd deze houding beloond door een relatief gunstige verliesverhouding ten opzichte van de Entente-eenheden (die wel aanvielen) in de loop van 1917. Desalniettemin bleef de situatie voor Duitsland zeer problematisch door problemen die ook door een afwachtende houding niet konden worden weggepoetst.  Zo produceerden de centrale machten waartoe Duitsland behoorde 19% van werelds industriële goederen, terwijl de Ententemachten 28% produceerden. Demografisch gezien stond Duitsland eveneens op enorme achterstand, met 144 miljoen inwoners aan kant van de Centralen , tegenover 656 miljoen aan de zijde van de Entente.8  Daarbij had Duitsland aan het begin van de oorlog direct haar overzeese gebiedsdelen verloren of was men er het fysieke contact mee kwijtgeraakt, terwijl de Entente kon blijven profiteren van dit mensen- en grondstoffenreservoir. Ondanks de redelijk succesvolle tactiek van het duo Ludendorff-Hindenburg spraken de cijfers tegen Duitsland. In feite was dit ook al aan het begin van de oorlog het geval, en was zelfs al een gegeven toen Schlieffen, in het begin van de twintigste eeuw, zijn militaire concept ontwierp. Binnen de strategische school van Schlieffen, waarmee Ludendorff en Hindenburg zich vergaand vereenzelvigden, bestond er maar een antwoord: de ‘Entscheidungsschlacht’.

 

Dit ontstaan van het concept had alles te maken met de bijzondere situatie van Duitsland in het hart van Europa. Tijdens het Congres van Wenen in 1816, in een poging de pre-Napoleontische constellatie van Europa te herstellen, had de ‘Duitse’ afgezant Wilhelm von Humboldt al aangegeven dat het in het belang was van Europa dat er nimmer een Duitse eenheidsstaat zou ontstaan. Dit land zou zonder meer in conflict komen met de buurlanden en naar expansie streven, al was het maar omdat geen ander land zoveel buurlanden had als Duitsland. Maar de geschiedenis verliep anders. Ingelijst aan de muur in het ouderlijk huis van Erich Ludendorff, hing een stuk van een vloerkleed uit Versailles. Midden in dit kroondomein van Frankrijk was het Duitse keizerrijk vol overmoed uitgeroepen.9 

Maar ondanks de roemruchtige overwinningen uit de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871, zat Duitsland ‘gevangen’ in een geopolitieke constellatie die bijzonder gecompliceerd was. En alleen op te vangen was door een verstandige mix van ‘Realpolitik’ en militaire superioriteit.

 

Met dat laatste zat het wel goed, maar het politieke instinct van keizer Wilhelm II liet te wensen over. Toen een Roemeens diplomaat eens een onverstoorbare doormars van Duitse troepen naar het front zag, meende hij tegenover zijn Duitse gast dat het spijtig was dat het Duits militair talent het Duitse politieke onvermogen versluierde.10 

 

Daar waar het diplomatieke talent ontbrak was er wel oog voor de strategische positie van Duitsland. Al vanuit Clausewitz Napoleontische dagen, alsmede bij latere denkers over de Duitse veiligheid, speelde het ‘omsingelingsgevoel’ een grote rol. Turgot, een Franse geopoliticoloog, meende al in 1750 dat politici te weinig rekening hielden met geografische factoren. Maar na het ontstaan van de Duitse eenheidsstaat kon Duitsland deze luxe niet veroorloven. Theoretisch werden deze theorieën in de Eerste Wereldoorlog en daarna vooral verwoord door een aantal wetenschappers, zoals Rudolf Kjéllen en Friedrich Ratzel. Zij meenden dat men op een onafwendbaar conflict  afspoedde, waar de eindstrijd zou gaan tussen het pan-Germanisme (hij noemde dit ook wel pan-teutonisme), pan-anglicisme, pan-latinisme en het pan-slavisme. Het zou hierbij een strijd op leven en dood zijn. Een zeker spoor naar Hitlers latere ‘Kontinentalimperium’ middels zijn ‘Lebensraum’ politiek tekent zich af. Ook de Brit Sir Halford Mackinder sprak zich op deze wijze uit, hij meende dat de eindstrijd om het ‘Heartland’ Europa zou uitbreken (bovenal tussen Duitsland en Rusland) en dat daarna de strijd tegen de ‘World Island’(de VS) zou uitbreken. De Duitse variant hiervan leverde de geopoliticoloog Karl Haushofer, die kort na de Eerste Wereldoorlog dit vakgebied in Duitsland opstuwde, met zijn visies op het ‘Kernraum Europa’, dat tot een ‘Kontinentalblock’ moest worden omgevormd. Zijn conclusie was dat handhaving van de status quo de ondergang van Duitsland zou zijn.11 

 

Ludendorff worstelde ook met dergelijke geopolitieke concepten en werd naast de grote strategische lijnen sterk in beslag genomen door allerlei vragen van tactische aard. Het geopolitieke dilemma van het OHL was gevangen in de asymetrie van de demografische, geografische en economische superioriteit  van de Entente tegenover de Centralen. Ludendorff zocht sinds augustus 1916 een uitweg uit deze situatie. De praktijk had al geleerd dat de ‘Entscheidungsschlacht’ een verschrikkelijk moeilijke zaak was om te bewerkstelligen. In samenwerking met Hindenburg had Ludendorff  aan het oostfront een reeks belangwekkende overwinningen behaald en hele legers van de Tsaar verslagen. Geen van deze slagen was echter in die zin zo beslissend geweest dat het Russische leger was uitgeschakeld. De afwachtende houding en frontverkortingen in het westen hadden Duitsland eerder adempauze opgeleverd dan de eindoverwinning. De tijd tikte, gezien de asymetrie, niet in het voordeel van Duitsland.12 

Er moest naar een uitweg worden gezocht, natuurlijk kozen militairen voor een militaire oplossing. Naast de militaire druk die Ludendorff voelde, begon zich ook het thuisfront langzaam te roeren. Gezien de Britse hongerblokkade bestond er toenemende schaarste in het vaderland. De bevolking begon vraagtekens te zetten bij de offers die er van hen verwacht werden. Door de hongerblokkade kwam het maritieme vraagstuk bij Ludendorff steeds hoger op de agenda te staan.13 

 

Hier kwam Ludendorff  klem te zitten in wat positief gezegd ‘gecalculeerde risico’s’ kon worden genoemd. Als er een principiële kritiek –in de lijn van historicus Fritz Fischer 14- op het Duits optreden in ’14-’18 geleverd kan worden, is dat alle scenario’s veel te risicovol waren, en een ‘alles of niets’ karakter hadden. Het Schlieffen-plan was hierdoor getekend geweest. Ook bij de slag bij Tannenberg en de Masoerische meren had Ludendorff enorme risico’s gelopen. Ludendorffs vertrouwde bij zijn acties, en terecht, op zijn strakke  voorbereiding, de discipline van de troepen, zijn etappekennis en het laten rouleren van eenheden, waardoor men met relatief weinig eenheden een ‘fris’ leger behield. Ook schrok hij er niet voor  terug revolutionaire frontverkortingen door te voeren, welke de Duitse posities aanmerkelijk gunstiger maakten. Als gevolg hiervan schraapte het OHL langzaam de eenheden bijeen voor wat de grootste Duitse gok sinds 1914 moest worden: het zoeken naar  de ‘Entscheidungsschlacht’ , het macabere voorspel van het voorjaarsoffensief van 1918, de ‘Kaissersschlachten’. Daarnaast speelde een andere zaak op: de duikbootoorlog.

 

De besluitvorming over de duikbootoorlog vond voor het OHL onder de moeilijkste omstandigheden plaats. In de eerste plaats was Ludendorff nog volop bezig zijn ‘dictatuur’ te vestigen. Er waren allerhande militaire problemen: er was op z’n best pariteit aan het westfront, een slepende oorlog in Italië, een soms sterk oplevend oostfront (Brusilov-offensief), nieuwe wapentechnieken waarmee de Entente succesvoller opereerde dan de Duitsers (luchtwapen en vooral het tankwapen), sluimerende gasoorlog (met voor Duitsland nadelige westenwind!) en voortdurende vooral Britse (Somme) offensieven. Er waren eigenlijk maar drie oplossingen voor deze situatie:vrede, maar dat was een zaak van diplomaten; een overwinning (‘Entscheidungsschlacht’) door een nieuw Duits offensief; of een alternatief:de duikbootoorlog, een uitgestoken helpende hand vanuit de marine naar een wanhopige Ludendorff.

 

Voorafgaand aan voor de marine vermeende noodzaak tot een verheviging van de duikbootoorlog moge het duidelijk zijn dat deze optie, gezien de harde feiten, direct op de warme belangstelling van het Duitse OHL mocht rekenen:

 

-Oost- en westfront waren min of meer stabiel maar een ‘Entscheidungsschlacht’ was nog buiten bereik. De duikbootoorlog zou een alternatief kunnen vormen.

 

-Het duikbootoffensief kon eerder worden ingezet dan het landoffensief.

 

-Het Britse expeditieleger zou bij een succesvol duikbootoffensief worden afgesneden van Groot-Brittannië.

 

-Een gunstig effect van de duikbootoorlog kon de oorlogsmoede partijen in de Entente, en vooral in Groot-Brittannië, doen inzien dat de oorlog een doodlopende weg was. Dit zou Groot-Brittannië van Frankrijk kunnen scheiden.

 

-Het duikbootoffensief zou Duitsland bevrijden van de hongerblokkade en hierdoor de stabiliteit aan het thuisfront vergroten.

 

Ten aanzien van de VS waren er voor de ‘optimisten’ ook een aantal positieve argumenten voor de duikbootoorlog:

 

-De VS dreigden bij een onbeperkte Duitse duikbootoorlog met ingrijpen in het conflict. In werkelijkheid was de VS al bij het conflict betrokken door middel van wapenleveranties aan Groot-Brittannië. De duikbootoorlog  kon deze leveranties voorkomen.

 

-De VS dreigden wel met een oorlog maar beschikten nog niet over een groot staand leger. De nadelen van een Amerikaanse ingrijpen als gevolg van een grootschalige duikbootoorlog zouden hierdoor beperkt blijven.

 

-De Admiraliteit voorspelde dat de komst van Amerikaanse eenheden zeker een jaar op zich zou laten wachten.

 

-Bij een doorslaggevend succes van het Duitse duikbootwapen zou de Amerikaanse vloot niet eens in staat zijn massaal troepen naar Europa per schip te verplaatsen.

 

Tot slot was er nog een belangrijk argument dat bij Ludendorff de ogen opende voor de militaire en politieke mogelijkheden van een onbeperkte duikbootoorlog: de marine was optimistisch over de kans van slagen om Groot-Brittannië op de knieën te krijgen.

 

Aan de duikboot-optie als uitweg voor het strategische dilemma van het OHL lag een ‘Denkschrift’ van de marine ten grondslag. Dit ‘Denkschrift’ klonk het OHL als muziek in de oren. Hierin werd beweerd dat Groot-Brittannië in vijf maanden tijd door het Duitse duikbootwapen op de knieën gedwongen kon worden als men overging tot de zogenaamde onbeperkte duikbootoorlog. 

 

Deze optie was historisch gezien nieuw. Ook binnen het Duitse militair-strategisch denken. Toen de Eerste Wereldoorlog begon was het duikbootwapen geen speerpunt voor de Duitse vlootchef Alfred von Tirpitz. De duikboten die men had werden vooral gezien als verkenningsvaartuigen. Maar de tegenslagen van de gewone Duitse vloot maakte dat het duikbootwapen zich evolueerde tot een aanvalswapen. Daarnaast vormden de duikboten ook een wapen tegen de blokkade die door de Britse vloot rond Duitsland werd opgeworpen. Ook de kwetsbaarheid van het Britse expeditieleger in Frankrijk, dat afhankelijk was van zeetransporten vanuit Engeland, maakte het Duitse duikbootwapen belangrijk. De Duitse admiraliteit verlegde haar aandacht naar een offensieve duikbootoorlog, waarbij ook steeds meer handelsschepen getorpedeerd werden, met als tragisch dieptepunt het tot zinken brengen van het passagiersschip ‘Lusitania’ in mei 1915. De internationale druk die hierop volgde leidde er toe dat de onbeperkte duikbootoorlog in de ijskast verdween, maar Von Tirpitz verzet hier tegen bleef onderhuids bij de marine bestaan, ondanks zijn aftreden in maart 1916. Eind 1916 deed de Duitse marinestaf, onder bevel van de offensief-gerichtte Reinhard Scheer, een steeds sterker appèl aan het OHL om de ruimte voor het Duitse duikbootwapen weer op te rekken.

 

De oorsprong van dit verzoek van Scheer ging terug tot de gevolgtrekkingen van de onbevredigende uitslag van de zeeslag bij Skagerrak. Hier was een Duitse overwinning uitgebleven. Scheer schreef op 4 juli 1916 aan Wilhelm II dat men uit de slag bij Skagerrak moest concluderen dat de Duitse toekomst bij het duikbootwapen lag. In de loop van dat jaar en in de loop van 1917 laat een aantal bewaard gebleven documenten zien dat deze lijn steeds consequenter werd gevolgd. Dit alles cummuleerde in het ‘Denkschrift des Admiralstabes’ van 22 december 1916 waarin de marine pleitte voor de start van de onbeperkte duikbootoorlog die uiteindelijk in februari 1917 van start ging. Uit een brief van admiraal Henning von Holtzendorff uit december 1916 aan het OHL blijkt duidelijk dat Ludendorff en de marine elkaar uiteindelijk gevonden hadden op het punt van de ‘Entscheidungsschlacht’.  ‘De oorlog heeft een beslissing nodig voor de herfst van 1917’, meende Von Holtzendorff, waarmee hij direct het optimisme over de komende duikbootoperaties inzichtelijk maakt. Volgens de inschatting van de marine, die Ludendorff vanuit zijn moeizame positie maar al te graag wilde geloven, werden de uitgeputte Franse en Italiaanse legers slechts nog op de been gehouden door de Britten. Als de aanvoer van de Britse legers door de onbeperkte duikbootoorlog konden worden uitgeschakeld, zou het westfront ineenstorten. De Britse ‘ruggegraat’ moest worden gebroken. Voor Von Holtzendorff was het duidelijk waaruit deze ruggegraat bestond: de Britse vloot! Maar de marine was ook duidelijk in haar voorwaarde, slechts bij onbeperkte duikbootoorlog zou dit doel bewerkstelligd kunnen worden. Al lang ijverde de duikbootadmiraliteit voor optimale speelruimte, maar de politieke en militaire leiding had dit met het oog op de politieke gevolgen en militaire alternatieven altijd weer voorkomen. En ook nu, toen de landmacht met de rug tegen de muur stond, was er vanuit de politiek nog verzet. Ditmaal kreeg de duikbootadmiraliteit  hulp van het OHL.

 

De belangrijkste politieke opponent voor het OHL  aan de vooravond van het besluit tot de onbeperkte duikbootoorlog was kanselier Theobald von Bethmann Hollweg. Deze moest natuurlijk meer dan Ludendorff oog hebben voor de politieke consequenties van de onbeperkte duikbootoorlog. De beslissing viel uiteindelijk tijdens de vergadering van de Duitse militaire en politieke top op 9 januari 1917 in het grote hoofdkwartier te Pless in het bijzijn van de keizer, het OHL in de personen van Von Hindenburg en Ludendorff alsmede Von Bethmann Hollweg. De weken daarvoor waren vol politieke schermutselingen geweest, en de sceptische kanselier stond geïsoleerd. Zowel de keizer, de Admiraliteit als ook het OHL zochten naar een militaire oplossing en Bethmann Hollweg bekende tijdens de bespreking dat de onbeperkte duikbootoorlog de ‘laatste kaart’ was.  Maar hij voegde er wel aan toe dat dit besluit een ‘zeer ernstig besluit was’. Men was de kanselier tegemoet gekomen door in de weken daarvoor duidelijk signalen van goede wil af te geven aan de neutrale mogendheden, bovenal Denemarken, Nederland en Zwitserland, die te lijden zouden hebben onder de eventuele onbeperkte duikbootoorlog. Van de VS vreesde Bethmann Hollweg terecht ernstige represailles. Maar onder druk van hen die zochten naar de ‘Entscheidungsschlacht’ ging de kanselier overstag. ‘Als het succes wenkt dan moeten wij handelen’. Ludendorff onderstreepte de te verwachte resultaten zoals de marine die voorschotelde en stelde de kanselier gerust door cavalerie-eenheden naar de Deense grens te verplaatsen. Daarbij stelde Ludendorff dat de inzet van het duikbootoffensief een nieuw ‘Somme-offensief’ zou voorkomen, hij verwees hierbij naar de uitputtende gevechten tegen Britse en Franse troepen tussen juli en november 1916.

 

Bethmann Hollweg was, en dat moeten we ons goed realiseren, geen pacifistische vredesduif. Hij was opgegroeid met de beklemmende ‘Einkreisungs’-gedachte. In zijn politieke carièrre zocht hij een uitweg uit dit geopolitieke dilemma en had hierbij een zekere sympathie voor Groot-Brittannië. Hij deed zijn best om Londen uit de Triple-Entente te houden, zonder succes. Bethmann Hollweg was, na een reis in 1912 naar Rusland, in de ban van het gevaar van het Tsarenrijk. Een ‘extra’ conflict met de Britten moest dan ook kostte wat het kost vermeden worden. Mogelijk dat vanuit dat oogpunt Bethmann Hollweg meer gefocust was op het continentale conflict en huiverig tegenover hoogdravende ambities van de admiraliteit stond. Al vanaf februari 1915 stond de duikbootoorlog op de politieke agenda. Slechts de dramatische ondergang van de ‘Lusitania’ had bijgedragen aan een herziening op dit gebied. Bethmann Hollweg had van het moment gebruikgemaakt om zich te ontdoen van Von Tirpitz, maar won daarmee slechts tijd. De nieuwe continentale belofte, Von Falkenhayn, faalde immers voor Verdun, dit baande de weg voor een nieuw ‘titanenpaar’ in de gedaante van Ludendorff en Hindenburg. Bethmann Hollweg toonde zijn havikachtige gestalte door mee te werken aan de dwangdeportatie van Belgische en Pools arbeiders naar Duitsland om daar te werken in de oorlogsindustrie, en ook legde hij de ‘dictatuur Ludendorff’ geen principiële bezwaren in de weg.18 

Bethmann Hollweg lag grotendeels op koers met de ‘Neuorientierung’ die in gang was gezet. Maar daar waar Bethmenann-Hollweg zocht naar een ‘Verstaendigung’, koos Ludendorff voor het ‘Entscheidungs’-concept, en werd hierbij op zijn wenken bediend door de admiraliteit die de Tirpitz-nederlaag graag wilde wreken op Bethmann Hollweg. Deze laatsten zagen in Bethmann Hollweg  een ‘socialistenvriend’ die ‘te weinig Allduits ‘ was in zijn gedachten. Het overleg van 9 januari 1917 liet slechts ruimte voor een ‘ja’ of ‘nee’ ten aanzien van de onbeperkte duikbootoorlog.  Bethmann Hollwegs aarzelende ‘ja’ was voldoende om de toorn van Ludendorff over zich af te roepen. Maar Bethmann Hollweg was ook een overlever, en toen hij zag dat de Duitse keizer akkoord ging liet hij zijn verzet varen. Dit werd hem later kwalijk genomen.19

 

Ludendorffs toorn laat zich het best verklaren uit zijn strenge geloof in het militair-strategisch denken van Schlieffen.  Tijdens zijn opereren in de Eerste Wereldoorlog toonde hij ook aan dat hij een absolute specialist was in het etappe-opereren, het organiseren en verplaatsen van grote legers over lange spoorlijnen. Dit maakte hem bovenal een sterk tactisch militair, met een enigszins beperkte strategische visie. Dit kwam ook tot uiting in de latere ‘Kaisersschlachten, operatie ‘Michael’ in het voorjaar van 1918 waarbij Ludendorff de neiging had elke keer zijn oorspronkelijke plan te verlaten om bij te sturen waar hij nieuwe kansen meende te zien. Hierdoor verloor hij de ‘grand strategy’ uit het oog. Hetzelfde gebeurde min of meer bij de besluitvorming rond de duikbootoorlog. Ludendorff was gefocust op die ene en alles verpletterende overwinning beloofd door de Admiraliteit. Hierbij zag hij over het hoofd dat beide kampen: landmacht en marine, gevangen zaten in hetzelfde concept. Zowel de marine als de landmacht hadden het onorthodoxe wapen van de onbeperkte duikbootoorlog nodig om de oorlog met een overwinning te kunnen afsluiten. Men sloot de ogen voor de risico’s en politieke alternatieven.20 

 

Zowel de politiek als het OHL konden zich in het duikbootvraagstuk voor een klein deel achter de hoogmoed van de marine verschuilen. Het is eigenlijk vergelijkbaar met politici van twee verschillende partijen die een verstandige uitspraak moeten doen over wel of geen  kernenergie, maar waarbij de vraag rijst: wie kan de ‘waarheid’ aantonen en overzien? Er speelde als het ware en stukje ‘geloof ‘ in mee. Iedereen verantwoordde zijn beslissing op eigen manier, Ludendorff natuurlijk omdat de ‘Entscheidungsschlacht’ de enige redding was voor Duitsland. Bethmann Hollweg verdedigde zijn aanblijven en uiteindelijke ondersteuning van deze politiek vanuit zijn ‘politieke onmisbaarheid’ als verbindende spil tussen de verschillende politiek partijen.

 

De duikbootoorlog boekte grote successen  maar de beslissende wending bleef uit.  Wederom was Duitsland niet tot de ‘Entscheidungsschlacht’ in staat gebleken. Tot overmaat van ramp trad de VS op 6 april 1917 toe tot de Eerste Wereldoorlog, al bleef een conflict met Denemarken, Nederland en Zwitserland het keizerrijk bespaard. Het noodlot besliste verder dat de langdurige impasse bij het landleger door de Russische revolutie begin 1917 ineens een andere wending kreeg. Als gevolg van het wegvallen van het oostfront en door de daaruit voortvloeiende Vrede van Brest-Litowsk, maart 1918, kreeg Ludendorff ineens de beschikking over de troepen die hij nodig had om het front in het westen weer vlot te trekken. Het is niet uitgesloten dat als de Russische revolutie een paar maanden eerder was uitgebroken het OHL nimmer had ingestemd met de onbeperkte duikbootoorlog omdat er binnen Ludendorff eigen militaire veld nu ineens mogelijkheden lagen. Deze werden overigens ondanks het behalen van tactische successen tijdens de ‘Kaiserschlachten’ in het voorjaar van 1918 strategisch niet benut.

 

Ludendorffs laatste overwinning en nastoot van het duikboot-debat was de verwijdering van Bethmann Hollweg uit de Duitse politieke top. De aarzeling van Bethmann Hollweg over de onbeperkte duikbootoorlog werd door Ludendorff gezien als twijfel aan het idee van de ‘Entscheidungsschlacht. Ludendorffs visie sloot  aan bij die van de voormalige Minister van Defensie Karl von Einem, die ook meende dat Bethmann Hollweg ‘het karakter miste van een Clemenceau, Poincare of Lloyd George’. 21

De Entente-machten hadden het maar getroffen met hun politieke ijzervreters. De historicus Erich Czech- Jochberg wees erop dat Bethmann Hollweg in augustus 1914 had gepleit voor een ‘rustige mobilisering’. Dit was voor mensen als Ludendorff een doodzonde. Het debat over de duikbootoorlog kreeg in het najaar van 1916 dan ook nog een extra dynamiek, die meer te  maken had met een politieke strijd dan met het duikbootconflict zelf. ‘De professor zonder pathos’ (Von Einem over Bethmann Hollweg) legde het af  tegen Ludendorff,. Het OHL kreeg zijn onbeperkte duikbootoorlog en uiteindelijk ook de val van Bethmann Hollweg in juli 1917. Maar dat was slechts een prelude op de algehele ondergang van het Wilhelminische Duitsland dat deze fatale vlootpolitiek over de wereld had uitgeroepen..

 

Noten

  1. Inderdaad lopen de meningen uiteen of Ludendorff, die onder behandeling van een zenuwarts kwam te staan, nu werkelijk een zenuwinstorting kreeg of niet. Het lijkt er op, de feiten overziend, alsof de crisis van Ludendorff toch van relatief korte duur was, niet in de laatste plaats omdat Ludendorff zich niet verzette tegen de adviezen van zijn arts. De medicus Hochheimer was, mede op aandringen van direct betrokkenen die het goed met Ludendorff voorhadden, aangezocht. Ludendorff probeerde zich, op advies van zijn arts, daadwerkelijk meer te ontspannen en meer te slapen, wat direct resultaat opleverde. Niet alleen was Ludendorff al die jaren overbelast geweest, de vermoeiende eindstrijd in 1918 had hem ook zwaar aangegrepen. Na lange stilte aan het front was Duitsland na lange tijd weer in de aanval gegaan zonder de gewenste resultaten. Zie onder andere Dr.A.Stam; Ludendorff in het nauw, De afnemende invloed van het OHL, de koerswijziging van Ludendorff en zijn ontslag (maart-oktober 1918) in: De Eerste Wereldoorlog 14-18, nr.56, Duitsland raakt uitgeput./Franz Uhle-Wettler, Erich Ludendorff in seiner Zeit. Soldat- Stratege- Revolutionaer. Eine Neubewertung [1995] (Berg 1996) blz 350 Wolfgang Venohr, Ludendorff. Legende und Wirklichkeit. (Frankfurt am Main 1993) blz 351.
     
  2. Voor de biografen Butow en Maser is Von Hindenburg duidelijk de ‘grote man’. Maar tijdgenoten die samen met Ludendorff en Hindenburg in het veld stonden lieten er geen twijfel over bestaan dat Hindenburgs directe bemoeienissen met de gang van zaken opmerkelijk gering was. Daar werden zelfs grapjes over gemaakt, zoals door generaal Max Hoffmann in ‘Tannenberg, wie es wirklich war’ dat in  1926 uitkwam. Hierin werd beweerd dat Von Hindenburg tijdens de beroemde slag bij Tannenberg voornamelijk had geslapen. Hierin overdrijft Hoffmann natuurlijk –zoals hij ook zijn eigen rol wat aandikte- maar zijn bewoordingen waren wel meer dan toevallig. Het was de energieke en weerbasrtige Ludendorff die uiteindelijk de marsrichting bepaalde. De verschillende natuur van de beide veldheren komt ook tot uiting in hun memoires, Ludendorff leverde een serie boeken af, waaronder zijn bekende ‘Kriegserinnerungen’ welke hij uit zijn hoofd (!) schreef , nadat hij onder druk van de Radenrepublieken Duitsland na de Eerste Wereldoorlog ontvlucht was. Hindenburgs memoires zijn vlak en ambtelijk, de werkelijke betroekkenheid tot in het militaire detail ontbreekt, wat ook niet verwonderlijk is gezien zijn overijverige rechterhand Ludendorff. Wolf J.Buetow, Hindenburg, Heerfuehrer und Ersatzkaiser. (1984)/Werner Maser, Hindenburg, eine politische Biographie [1989] (1990), zie ook de wat oudere biografie van Schulze-Pfaelzer, Hindenburg. Drie Zeitalter deutscher Nation, en John W.-Bennet, Hindenburg the wooden Titan, hier gebruikt: Hindenburg der Hoelzerne Titan (Tuebingen 1969)/ General Hoffmann, Tannenberg wie es wirklich war (Berlin 1926) Ludendorffs belangrijkste memoires zijn: Meine kriegserinnerungen 1914-1918 (Berlin 1920) alsmede Urkunden der Obersten Heeresleiting (een soort witboek over Duitslands en Ludendorffs rol in de Eerste Wereldoorlog) (Berlin 1921) en Mein militarischer Werdegang. Blatter der Erinnerung an unser stolzes Heer (Muenchen 1935).Generalfeldmarschall Hindenburg, Aus meinem Leben (Leipzig 1919)
     
  3. De rol van de keizer was beperkter dan menigeen in die tijd, en ook nog enige tijd na de oorlog dacht. De keizer moest uit de krant vernemen dat er gas gebruikt was aan het front. Dat ontslaat hem, als vanzelfsprekend,  niet van verplichtingen en medeverantwoordelijkheid. Voor de rol van de keizer zie o.a. Tyler  Whitlle,  The Last Kaiser, hier gebruikt: Kaiser Wilhelm II. Biographie (1977)/Perry Pierik/Henk Pors, De verlaten monarch, keizer Wilhelm II in Nederland (Nieuwegein 1999)
     
  4. Hindenburg en Ludendorff kenden elkaar niet maar maakten kennis op een station onderweg naar het oostfront. Het klikte direct. Zie hierover de verschillende Hindenburg en Ludendorff-biografieen, Buetow deel II, hoofdstuk 2, Maser, blz 92 en volgenden.
     
  5. Voor Schlieffen-plan zie o.a. Eugen Bircher/Walter Bode, Schlieffen, Mann und Idee (Zuerich 1937) en meer recentelijk J.H.Buitenhuis, Het Duitse Von Schlieffen-plan in Hans Andriessen/Perry Pierik/Martin Ros, De grote oorlog, kroniek 1914-1918 deel 2 blz 188-207 (Soesterberg 2003). Een standaardwerk voor de gebeurtenissen in het oosten blijft Norman Stone, The Eastern Front 1914-1917 (London 1975). Voor de etappe-handleingen van Ludendorff-Hindenburg tussen augustsu 1914 en februari 1915 (tot en met Winterslag masoeren) zie: Perry Pierik, De pendel des doods, vijfmaal rokade, Oberost en de oorlog aan het oostfront tussen augustus 1914 en februari 1915 in: Hans Andriessen/Perry Pierik/Martin Ros (red.)., De Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918, deel 1 (Soesterberg 2002)
     
  6. Pierik, De pendel des doods
     
  7. Vooral het boek van Hans Frentz geeft een goede inkijk in het opereren van Oberost. Goodspeed, een onverdachte bron, bevestigd dit beeld. Hans Frentz, der Unbekannte Ludendorff. Der Feldherr in seiner Umwelt und Epoche (Wiesbaden 1972)/D.J.Goodspeed, Ludendorff (1966)
     
  8. Getallen ontnomen aan Niall Ferguson, The Pitty of War, hier gebruikt: Der Falsche krieg. Der Erste Weltkrieg und das 20. jahrhundert. [1998] (1999)(bzl 247-250
     
  9. In Ludendorffs boek Mein militaerischer Werdegang is een foto opgenomen van zijn vaders werkkamer. Daar hing buiten een stuk vloerbedekking van Versailles ook de sabels van de verschillende oorlogen naast een tekening van de ‘Siegersaule’ voor de Brandenburgertor in Berlijn.
     
  10. Neubacher,H., Sonder-Auftrag Suedost 1940-1945. Bericht eines fliegenden Diplomaten (Goettingen 1956)
     
  11. Ratzel,F., Politische Geographie (Muenchen 1897)/Kjellen,R., Der Staat als Lebensform (Leipzig 1917)/Haushofer,K.(hg.)., Die Grossmaechte vor und nach dem Weltkriege. (Leipzig/Berlin 1930)/G.Bakker., Duitse geopolitiek 1919-1945 (Assen 1967).Voor de rol van Mackinder is gebruik gemaakt van Raymond Aron., Paix et Guerre entre les nations, hier gebruikt: Frieden und Krieg. Eine Theorie der Staatenwelt. (Frankfurt am Main 1986)/Voor rol Haushofer zie ook typoscript Perry Pierik, Karl Haushofer en het nationaal-socialisme, zijn tijd, zijn werk, zijn invloed. (2003-ongepubliceerd)
     
  12. Voor het werk van Clausewitz zie Wolfgang Pickert/Wilhelm Ritter von Schramm (hersg.)., Carl von Clausewitz, Vom Kriege-Rowohlt Klassiker der Literatur und der Wissenschaft, Band 12 (1984) Voor Clausewitz interpreaties zie Michael I. handel, Clausewitz and Modern Strategy (London 1986). Ook de nazi’s hadden de neiging Clausewitz naar eigen inzichten te interpreteren, zie  Horst von Metzsch, Clausewitz Katechismus. (Berlin 1942). Voor invloed van Clausewitz op de laatste 200 jaar politieke en militaire planning zie ook Guenter Maschke, Frei und gefuerchtet zu Leben. Zum zweihundertsten Geburtstag von Carl von Clausewitz-abweichende aktuelle Bemerkungen in: Frankfurter Allgemeine Zeitung 31.Mai (1980)
     
  13. Zie Ferguson
     
  14. Fritz Fischer, Griff nach der Weltmacht. Die Kriegszielpolitik des kaiserlichen Deutschland 1914/18. (Duesseldorf 1961)
     
  15. Helmut Otto/ Karl Schmiedel, Der Erste Weltkrieg. Dokumente  (1983) blz 176-178
     
  16. Otto/Schmiedel, blz 174-176
     
  17. Otto/Schmiedel, blz 213-215
     
  18. Van dit plan kwam weinig terecht door praktische bezwaren.
     
  19. Voor Bethmann-Holweg zie o.a. Czech-Jochberg, Die Verantwortlichen im Weltkrieg (Leipzig 1932)/Fritz Fischer, Hitler war kein Betriebsunfall: hoofdstukTheobald von Bethmann Hollweg blz 136-173 (Muenchen 1992)
     
  20. Vooral Ludendorff-biograaf Venohr wijst op het ‘tactische overwicht’ bij Ludendorff.
     
  21. Generaloberst von Einem, Erinnerungen eines Soldaten blz 155-160 (Leipzig 1933)

 

Literatuur

Andriessen, J.H.J., De mythe van 1918, de werkelijkheid over de laatste honderd dagen van 1918 (Soesterberg 2004)

Aron,R., Paix et guerre entre les nations (hier gebruikt: Frieden und Krieg. Eine Theorie der Staatenwelt (Frankfurt am Main 1986)

Bircher, E. / Bode, W., Schlieffen. Mann und Idee. (Zuerich 1937)

Buetow, W.J., Hindenburg. Heerfuehrer und Ersatzkaiser. (1984)

Czech-Jochberg, E., Die Verantwortlichen im Weltkrieg (Leipzig 1932)

Einem, Generalobert Von., Erinnerungen  eines Soldaten (1933)

Ferguson, N., The Pity of War (hier gebruikt: Der Falsche Krieg. Der Esrte Weltkrieg und das 20.Jahrhundert. [1998] (Stuttgart 1999)

Fischer, F., Hitler war kein Betriebsunfall  (Muenchen 1992)

Fischer, F., Griff nach der Weltmacht. Die Kriegszielpolitik des kaiserlichen Deutschland 1914/18 (Duesseldorf 1961)

Frentz, H., Der unbekannte Ludendorff. Der Feldherr in seiner Umwelt und Epoche. (Wiesbaden 1972)

Goodspeed, D.J., Ludendorff  (1966)

Handel, M.I., (ed.).,Clausewitz and Modern Strategy (London 1986)

Haushofer, K.(hg.)., Die Grossmaechte vor und nach dem Weltkriege (Leipzig/Berlin 1930) (hier gebruikt 22ste druk)

Hindenburg, P. von., Aus meinem Leben (1919)

Hoffmann, M., Tannenberg. Wie es wirklich war. (Berlin 1926)

Kjellen, R., Der Staat als Lebensform (Leipzig 1917)

Ludendorff, E., Meine Kriegserinnerungen (Berlin 1920)

Ludendorff, E., Mein militaerischer Werdegang. Blaetter der Erinnerung an unser stolzes Heer  (Muenchen 1935)

Ludendorff, E., Urkunden der Oberstenheeresleitung  (Berlin 1921)

Maser, W., Hindenburg. Eine politische Biographie [1989] (1990)

Metzsch, H. von., Clausewitz Katechismus. (1937)

Neubacher, H., Sonder-Auftrag Suedost 1940-1945. Bericht eines fliegenden Diplomaten (Goettingen 1956)

Otto, H. / Schmiedel, K.., Der Erste Weltkrieg. Dokumente (Berlin 1983)

Pickert, W. / Schramm, W. Ritter von.(hg.)., Carl von Clausewitz, Vom kriege, Rowohlt Klassiker der Literatur  und der Wissenschaft band 12 (1984)

Pierik, P. / Pors, H., De verlaten monarch. Keizer Wilhelm-II in Nederland (Nieuwegein 1999)

Pierik, P., Karl Haushofer en het nationaal-socialisme. Zijn tijd, zijn werk, zijn invloed (Soesterberg 2003) (ongepubliceerd typoscript)

Ratzel, F., Politische Geographie (Muenchen 1897)

Schulze-Pfaelzer, G., Hindenburg. Drei Zeitalter deutscher Nation (Leipzig/Zuerich)

Stone, N., The Eastern Front 1914-1917. (London 1975)

Tschuppik, K., Ludendorff. Die Tragoedie des Fachmanns. (Wien/Leipzig 1931)

Uhle-Wettler, F., Erich Ludendorff in seiner Zeit. Soldat – Stratege-Revolutionaer. Eine Neubewertung [1995] (Berg1996)

Venohr, W., Ludendorff. Legende und Wirklichkeit (Frankfurt am Main 1993)

artikelen:

Wheeler-Nennett, J.W., The Wooden Titan (hier gebruikt: Der hoelzerne Titan) [1967] (Tuebingen 1969)

Whittle, T., The Last Kaiser (hier gebruikt: Kaiser Wilhelm II. Biographie [1977] (Muenchen  979)

 

Artikelen

Buitenhuis, J.H., Het Duitse Von Schlieffen-plan bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in: Hans Andriessen/Perry Pierik/Martin Ros (red.)., De grote oorlog, kroniek 1914-1918 deel 2 (Soesterberg 2003)

Maschke, G., Frei und gefuerchtet zu leben. Zum zweihundertsten Geburtstag von Carl von Clausewitz-abweichende aktuelle Bemerkungen in: Frankfurter Allgemeine Zeitung Samtag 31.Mai (1980) nr.125

Pierik, P., De pendel des doods. Vijfmaal rokade. Oberost en de oorlog aan het oostfront tussen augustus 1914 en februari 1915 in: Hans Andriessen/Perry Pierik/Martin Ros (red.)., De grote oorlog, kroniek 1914-1918 deel 1 (Soesterberg 2002)

Stam, A., Ludendorff in het nauw. De afnemende invloed van het OHL, de koerswijziging van Ludendorff en zijn ontslag in: De Eerste Wereldoorlog 14-18 nr.56

overzicht: