“Die enge man met dat armpje”

De beweerde krankzinnigheid van Wilhelm II en zijn onmogelijk karakter

Door:  J.H.J. Andriessen

Tijdens een toespraak op een bijeenkomst in Huis Doorn, de vroegere verblijfplaats van de laatste Duitse keizer Wilhelm ll, werd door de spreker terloops de figuur van de keizer aangehaald. Hij refereerde daarbij aan hem als „die enge man met dat armpje”. Met deze uitspraak werd een lange traditie van negatieve berichtgeving over Wilhelm ll voorgezet die begon bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en tot op de dag van vandaag nog steeds en welhaast automatisch wordt gecontinueerd.

Wilhelm geestelijk ovolwaardig?

In de literatuur die het licht zag na Wilhelm’s abdicatie van de troon is het karakter en de geestelijke gezondheid van de keizer nog immer een belangrijk onderwerp van discussie.

De keizer zou, althans volgens historici, waaronder Röhl, Lutz, Kohut, Ludwig, Albertini, Palmer e.a, hebben geleden aan een scala van lichamelijke maar vooral ook psychische afwijkingen. Als oorzaak werd dan o.a zijn moeilijke geboorte genoemd waarbij hij niet alleen een verminkte arm, maar ook nog hersenletsel zou hebben opgelopen. Voorts zou zijn moeilijke jeugd, zijn liefdeloze moeder en de Spartaanse opvoeding door zijn tutor Hinzpeter een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verdere vervorming van zijn geest en karakter. Daarbij buitelen zij soms over elkaar heen bij het benoemen van de psychische afwijkingen waaraan Wilhelm zou hebben geleden en sommigen gaan daarbij toch wel zeer ver. (om er maar enkele te noemen; hereditary psychic degeneration (Friedlander), ceasarian madness (Röhl, prophyria (Kohut) repressed homosexsuality (Kohut,Röhl)  etc.

Over de oorzaken van die gebreken wordt nog wel eens verschillend gedacht maar over het feit dat Wilhelm de facto een psychiatrisch patiënt was, is men het over het algemeen toch wel eens.

Opvallend daarbij is dat een aantal historici bij hun beoordeling van ‘s keizers geestelijke vermogens en niet gehinderd door professionele kennis van de psychiatrie, elkaar nog steeds naar hartelust napraten.

Een kleine bloemlezing uit de gepropageerde meningen moge dat illustreren.

De Britse auteur Alan Parker suggereerde in zijn boek „The Kaiser” dat Wilhelm’s verminkte arm in wekelijkheid slechts een uitwendig teken was van een veel dieper gaande geestelijke onbekwaamheid (p.3) waarbij hij er op wees dat Wilhelm stamde uit een familie waarin geestelijke onvolwaardigheid meer voorkwam zoals bij zijn oudoom Frederick Wilhelm lV van Pruisen die in 1858 officieel seniel werd verklaard,  en van Tsaar Paul en koning George lll die eveneens  geestelijk gestoord waren geweest.

De Duitse historicus en Wilhelm specialist Schubler schreef over Wilhelm;

„Er ist ein Mensch voller Widerspruche, Zartsinn und rücksichtsloze Launenhaftigkeit, keine Erziehung und keine Disziplinierung, unglaubliche Taktlosigkeit und entzuckende Liebenswurdigkeit, groszte Eitelkeit und Besserwissen”.  (in Kaiser,Kanzler,Präsidenten van v.Rheinhaven p 21)

Thomas Kohut, in zijn „William ll and the Germans” stelde vast dat de keizer leed aan psychische instabiliteit en hij schreef dat toe aan de zeer slechte verhouding van Wilhelm met zijn moeder (William ll and the Germans, Kohut p.43)

De bekende historicus J.Röhl, was van mening dat Wilhelm’s abnormaliteit veroorzaakt werd door de problemen welke bij zijn geboorte ontstonden als gevolg van onvoldoende zuurstof toevoer naar de hersenen.(J.Röhl,  Kaiser Wilhelm ll, Eine Studie  über Cäarenwahnsinn in Christopher Clark p.20, zie noot 63  p 26).

Ook de historicus Albertini, was er, na het lezen van de brief die Wilhelm op 27 juli 1905 aan de RussischeTsaar schreef over een mogelijke alliantie tussen de dual alliance en de tripple alliance, van overtuigd dat Wilhelm geestelijk niet in orde was. Hij riep uit;

„En zo’n man was voor een groot deel verantwoordelijk voor het lot van de gehele wereld. Zij, die onder hem dienden, met von Bülow aan het hoofd, vroegen zich regelmatig af  of ze hem niet onder curatele moesten stellen maar dat hebben ze nimmer aangedurfd.” (*Albertini vol 1 p.160)

Edward Grey, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, die de keizer, overigens net als de meeste andere critici,  nimmer had ontmoet, was ook van mening dat Wilhelm geestelijk niet normaal was. Niet alleen abnormaal maar ook nog eens uitermate oppervlakkig.

De eerder genoemde historicus Röhl, die een omvangrijke studie schreef genaamd „Wilhelm II, der aufbau der Persönliche Monarchie”, (drie delen en samen ca 4600 blz) geeft vele voorbeelden om te bewijzen dat Wilhelm geestelijk onvolwaardig moet zijn geweest.

In het hoofdstuk :Nervenschwache, Geistesstorung, schlechtes Blut”(*p. 1169) put hij onder meer uit het dagboek van Generaal Walderzee die hij maar liefst negentien keer citeert.

Deze bij Wilhelm (terecht) in ongenade gevallen generaal, maakte zich jarenlang achtereen ‘bezorgd’ over de geestesgesteldheid van de keizer waarbij hij steeds opnieuw een acute aanval van krankzinnigheid voorspelde zonder dat die zich overigens ooit manifesteerde.

Röhl draagt verder van alle kanten zijn ‘bewijsmateriaal, met opmerkelijke gretigheid aan. Zo sleept hij er het dagboek bij van de dochter van de Britse minister Salisbury van maart 1888. Zij memoreert daarin aan een gesprek dat de particuliere secretaris van de premier met de Britse chirurg dr.John Erichsen zou hebben gehad. Deze zou hem in maart van dat jaar een uitermate belangrijke mededeling hebben gedaan over de geestelijke gezondheid van de Duitse keizer. Erichsen zou hebben gewaarschuwd dat de toenmalige Duitse kroonprins al op 14 a 16 jarige leeftijd aanleiding had gegeven tot ernstige zorgen over zijn geestelijke vermogens. Duitse artsen zouden hem daarover uitvoerige inlichtingen hebben verstrekt waaruit kon worden opgemaakt dat Wilhelm geen normale man was en dat ook nooit zou worden. Vermeld werd dat de geesteszieke Wilhelm regelmatig woedeaanvallen zou krijgen waardoor hij volstrekt incapabel zou zijn om zijn taak van staatshoofd te vervullen.

Erichsen zou, nog steeds volgens het dagboek van de dochter van de minister, diens privé-secretaris hebben gewaarschuwd dat de keizer daardoor een groot gevaar zou kunnen opleveren voor Europa.

Helaas verzuimt  Röhl, die duizenden documenten heeft bestudeerd, juist die aantekeningen te produceren die Erichsen beweerde te hebben ontvangen van Duitse artsen en hoewel Erichson later, toen Wilhelm al jaren als keizer van Duitsland functioneerde, moest toegeven dat zijn voorspellingen tot dan toe niet waren uitgekomen, blijft Röhl dit ‘bewijs’ zowel in zijn eerste als in zijn tweede deel  herhalen.

Daar bleef het echter niet bij.

De keizer zou ook aan krankzinnige waanideeën (Cäsarian madness) hebben geleden en Röhl aarzelt dan niet om de jongste zoon van Wilhelm, Joachim, die later zelfmoord heeft gepleegd, naar voren te halen als bewijs om aan te tonen dat ook de vader dus niet helemaal normaal kon zijn. Röhl, zelf geen medicus noch psychiater, voert dan als verklaring voor ‘s keizers beweerde abnormaliteit aan, dat die veroorzaakt zou zijn door de problemen welke bij zijn geboorte waren ontstaan als gevolg van onvoldoende zuurstof toevoer naar de hersenen.(J.Röhl,  Kaiser Wilhelm ll, Eine Studie  über Cäsarenwahnsinn in Christopher Clark p.20, zie noot 63  p 26) Deze theorie is echter, net als de andere theorieën over zijn beweerde krankzinnigheid,  nimmer door enig wetenschappelijk bewijs onderbouwd en we moeten de uitleg van Röhl dus maar nemen voor wat ze is.  Overigens, de Australische psychiater Dr.G.Miller stelde nadrukkelijk dat het door Röhl genoemde begrip ‘cesarrenwhansinn’ zeker geen psychiatrische aandoening genoemd mag worden en kwalificeerde de bewering zelf als ‘nonsens’. (*email, Miller to Andriessen 9-3-05)

Keizerlijke schuttingtaal

Thomas.A. Kohut ging nog een stapje verder en zag allerlei verbanden tussen ‘s keizers verbale uitlatingen en zijn lichamelijke onvolwaardigheid. (p.250.e.v).

Zo constateerde hij dat de keizer wanneer deze zich uitliet over problemen bij de marine, uitdrukkingen bezigde die nauw verband hielden met zijn fysieke handicap.  Zo zou hij in 1896 de marine een „verschrompelde” („zusammenschrümpfende”) organisatie genoemd hebben en in 1897 was hij van mening dat het  het Rijk „verlamd” was als gevolg van het gebrek aan een grote vloot.  In 1899 beschreef hij een vermeende actie van Engeland in Afrika om Duitsland en Frankrijk in zee te duwen met de woorden dat dit slechts een „slight movement of the elbow” zou vereisen en Kohut zag daar weer een verband met de invalide arm van de keizer in.

Wilhelm zou tenslotte, nog steeds volgens Kohut,  een vreselijke hekel hebben gehad aan het woord ‘disarmament,.

Hij betrapte de keizer voorts op het regelmatig gebruik van schuttingwoorden die zouden wijzen op zijn onbewuste angst voor castratie. Kohut refereert daarbij aan een gesprek dat Wilhelm eens voerde over de kans dat Duitse schepen „might be cut off” door de mobilisatie van de Russische Zwarte Zeevloot. Voorts zou Wilhelm de Duitse ambassadeur in Londen in 1908 opdracht hebben gegeven  om de Britse voorstellen tot vermindering  van het Duitse vlootbouwprogramma te beantwoorden met „kiss my ass” en in een brief aan von Bulow  van 29 oktober 1899 zou hij de kans dat de Duitse marine door de Britse vloot zou kunnen worden overvallen, omschreven hebben als; being caught with ones pants down. Aan dat alles verbond Kohut de conclusie dat Wilhelm het gemis aan een machtige marine , als een vorm van castratie, als een gemis van een vitaal lichaamsdeel onderging en hij legde een direct verband tussen dit soort door Wilhelm gebezigde uitdrukkingen, die allemaal te maken hadden met essentiële lichamelijke functies, met zijn wens om een machtige marine op te bouwen en de vernedering die hij zou hebben gevoeld toen hij merkte daar niet toe in staat te zijn. (kohut, Wilhelm ll and the Germans, p.250 ev)

Het is opvallend dat bovengenoemde observaties niet afkomstig zijn van een gelicenseerd psychiater, maar van een historicus. Zoals zijn voorwoord ons leert, heeft hij naar hartelust gegrasduind in psychiatrische modellen en psychoanalytische perspectieven en hij ontpopt zich zelfs als een volleerd deskundige als hij de geboorte van wilhelm en de daarbij ontstane problemen beschrijft. Allemaal erg interessant en indrukwekkend, maar zijn analyses wemelen van de veronderstellingen en hij faalt volkomen bij het leveren van ook maar het geringste stukje medisch bewijs.

Wilhelm homoseksueel of rokkenjager?

Ook de seksuele instelling van Wilhelm was natuurlijk dankbaar onderwerp van discussie.

Thyler Whittle, overigens een der weinige historici die een redelijk en objectief  beeld van Wilhelm geeft, verwees in zijn boek  „The Last Kaiser” naar de auteur Pound die suggereerde dat Wilhelm biseksueel moet zijn geweest.  Pound baseerde dat op geruchten die in Berlijn de ronde zouden hebben gedaan en hij was van mening dat het duidelijk was dat Wilhelm het gezelschap van mannen boven dat van vrouwen zou hebben verkozen. Tenslotte merkte hij op dat ‘de duidelijk geprononceerde curven van Wilhelm’s  heupen’  duidden op een ‘androgynous  element in his physique’.

Röhl, die eerder had verklaard dat Wilhelm duidelijk homoseksuele kenmerken vertoonde, kwam daar in het ‘Spiegel’ interview (2004) echter weer op terug toen hij desgevraagd moest toegeven dat hij zich had vergist. Hij zou inmiddels meer te weten zijn gekomen over Wilhelms ‘vrouwen geschiedenissen en zijn onechte kinderen’. Ook hier komt Röhl echter weer niet met harde bewijzen en na vele pagina’s te hebben volgeschreven over ‘ene mrs Love’ waar Wilhelm een verhouding mee zou hebben gehad en over een onechte dochter waarmede men hem had willen chanteren komt dan toch de aap uit de mouw. Het bewijs zou helaas niet voor de onderzoekende historicus beschikbaar zijn want dat bewijs zou men verborgen houden in een kluis in Duitsland. (Röhl.vol..p489(?  Overigens, de affaires waar Röhl zo uitgebreid over schreef, werden door de historicus Whittle weer openlijk betwijfeld. Deze constateerde voorts dat ook de beweerde homoseksualiteit van Wilhelm nergens is aangetoond en dat daar ook nooit het geringste bewijs voor is geleverd. Opgemerkt moge in dit verband worden dat de Britse koning Edward Vll  er jarenlang een officiële maîtresse op na hield maar toch schijnt dat niemand op de gedachte te hebben gebracht om daarbij aan zijn geestesvermogens te gaan twijfelen.

De kleren van de keizer

Een ander onderwerp dat in dit verband de onverdeelde aandacht van een groot aantal auteurs genoot, zijn de uniformen van Wilhelm. Zij vormen een dankbaar onderwerp voor kritische en vooral spottende beschouwingen en worden vaak aangehaald als bewijs voor een van de vele afwijkingen waaraan de keizer zou lijden, nl, excessieve ijdelheid.

D.J.Goodspeed, een bekend en over het algemeen zeer goed gedocumenteerde en objectieve historicus kon de verleiding kennelijk niet weerstaan zijn steentje aan de mythevorming bij te dragen  toen hij de eindeloos herhaalde fabel over Wilhelm’s ijdelheid te berde bracht. Goodspeed schreef:

„Wilhelm was uniformgek. Hij bezat meer dan 200 uniformen  en bij de première van de opera „de vliegende Hollander” verscheen hij in de keizerlijke loge  in het gala uniform van admiraal van de Duitse Kriegsmarine. Toen hij een bezoek bracht aan het heilige land, kon men hem maar met moeite weerhouden om een kruisvaarders outfit aan te trekken.  *Goodspeed, The German Wars 1914-1945 p.34.

Ook de bekende historicus Gary Sheffield schreef nog in 2001 in zijn ‘The origins of the First World War ;

„Wilhelm never matured, loved dressing up in uniforms and may have been a repressed homosexual.”

Dit soort nonsens,  in alle ernst neergeschreven door een toch alom gerespecteerd historicus maakt duidelijk hoever de mythevorming over de Duitse keizer ook in kringen van gerespecteerde historici inmiddels is doorgedrongen en hoe gemakkelijk men zin en onzin in de loop der jaren is gaan verwarren.

Ook anderen lieten zich in die zin over de keizer uit. Zo schreef de historicus Massie enkele jaren geleden nog: „Wilhelm was een dwaze oude pauw. Hij bezat meer dan 200 uniformen die door 12 knechten in continue dienst werden onderhouden. Hij paste zijn kleding aan aan de omstandigheden. Als hij naar Wagners opera „de vliegende Hollander ” ging trok hij zijn admiraals uniform aan.”,(*Massie, Castles of Steel, p.9) en een ander schreef; „als hij een Engelse plumpudding verorberde deed hij dat in het uniform van een Britse veldmaarschalk”. Kennelijk waren deze auteurs niet op de hoogte van het feit dat Wilhelm niet van opera’s hield en al helemaal niet van Wagner, die hij niet „volkstumlich” achtte. (*der Kaiser, .Gorlitz 1965)

Nu weet ik niet hoeveel uniformen Wilhelm precies had, het kunnen er 200 maar misschien ook wel 400 geweest zijn. Maar dat het er veel waren staat wel vast en daar was ook een goede reden voor. Tijdens zijn bezoeken aan de troepen droeg Wilhelm vaak het uniform van het regiment dat hij ging inspecteren en zoals we weten was het Duitse leger vrij omvangrijk en bezat tientallen regimenten. De keizer was ook erekolonel in veel buitenlandse legers en tijdens bezoeken aan die landen werd hij dan geacht het uniform dat bij zijn kolonelschap behoorde, te dragen. Of men daaruit nu de gevolgtrekking kan maken dat hij uniformgek was gaat dan toch wel ver. Men zou zich dan toch ook wel kunnen afvragen of het waar was dat de Britse koning Edward Vll , bekend om zijn spreekwoordelijke ijdelheid,(*Röhl, der Aufbau…p.113) ruim 1100 paar schoenen had en de Russische tsaar zelfs tijdens het zwemmen zijn uniformpet bleef ophouden. (tijdens het tennissen in elk geval wel)

Ook de tsaar, van wie Staatsraad Polovtsow in 1901 vaststelde dat deze  op geen enkel gebied een principieel, weldoordacht en consistent regeringsbeleid voerde en dat diens  handelingen steeds impulsief, op goed geluk en onder ingeving van het moment genomen werden, (*Lieven,D.C.B., Nicholas ll, Emperor of all the Russians.London  1993 p.99),  zag men eigenlijk nimmer zonder uniform maar dat schijnt niemand te hebben gehinderd.

In Duitsland was het dragen van een uniform in die tijd een maatschappelijk gegeven en zo was het bijv heel gewoon dat een leraar Gymnasium zijn uniform van reserve luitenant in de aula droeg, de stationchef z’n  ambtelijke sabel omgordde en de Rijkskanselier zich in de Rijksdag in een militair uniform kompleet met degen en Pickelhaube vertoonde. Duitsland was wellicht zelfs het enige land ter wereld waar ook de ministers vaak in uniform met degen rondliepen. Wilhelm onderscheidde zich daarbij in niets van zijn landgenoten en was dan ook  bepaald geen uitzondering. Het behoorde gewoon tot de toenmalige mode.

Kortom de uniformenkwestie is een van die ‘historische‘ gegevens  die, als het over Wilhelm gaat, te pas en te onpas worden genoemd met de duidelijke bedoeling de keizer belachelijk te maken en hem als abnormale en ijdele dwaze pauw te etaleren.  Het is merkwaardig dat zelfs historici van naam zich daartoe hebben geleend.

De amateur psychiaters

Wie de literatuur er op naziet, kan haast niet anders dan tot de conclusie komen dat keizer Wilhelm II een wandelende krankzinnige, een totaal gestoorde figuur moet zijn geweest wiens afwijkingen het gehele omvangrijke gebied der psychiatrie omvatte.  Men moet  zich dan wel verbazen over het feit dat, om nog maar eens met Albertini te spreken; ‘zo’n man voor een groot deel verantwoordelijk was voor het lot van de gehele wereld’ en zich bijna 30  jaar heeft kunnen handhaven.

Bij het analyseren van al de ‘bewijzen’ voor de zieke psyche van de keizer valt, zoals eerder reeds opgemerkt, dan overigens  wel op dat het merendeel van de genoemde auteurs op het terrein van de psychiatrie geen enkele deskundigheid bezitten maar in hun geschriften toch zonder enige schroom hun mening over ‘s keizers psyche etaleren. Voor zover die kennis wel aanwezig is, verzuimt men bovendien medische bewijsgronden aan te voeren. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat ook de overige door historici naar voren gebrachte bewijsvoering over Wilhelm’s ‘afwijkingen’ over het algemeen flinterdun zijn en nergens echt door de feiten, bijv. een op de persoon uitgevoerde psychoanalyse  of een officiële medische verklaring, wordt onderbouwd.

De vraag is dan ook gerechtvaardigd of Wilhelm’s psyche nu echt wel zo vervormd was en of hij daardoor inderdaad, zoals zo vaak wordt beweerd, niet in staat zou zijn geweest om naar behoren als vorst en keizer te functioneren. In mijn optiek is voor die stelling nimmer ook maar het geringste harde bewijs aangeleverd en kunnen we veel van de beweringen gevoeglijk als „pseudo wetenschappelijk gebabbel” kwalificeren.

Röhl verwijst dan wel naar een uitspraak van Freud die de keizer uitermate instabiel noemde maar het was dezelfde Freud die van president Wilson van Amerika verklaarde dat deze er van overtuigd was de zoon van God op aarde te zijn. Freud, die Wilson zelf nimmer had ontmoet, schreef voor de bewijsvoering van zijn stelling een lijvig boek dat naar later bleek voortkwam uit persoonlijke wraakgevoelens t.o.v de president.

Hij zou zich teleurgesteld hebben gevoeld over het door Wilson gevoerde beleid. Vakmensen zullen voor dit merkwaardige optreden van Freud overigens vast wel een psychiatrische verklaring kunnen bedenken.  Ook hier is het weer zo dat de criticus, in dit geval dus Freud, de keizer nimmer heeft gesproken of kunnen onderzoeken.

Zowel van Wilhelm als van president Wilson werd nimmer een psychoanalyse gemaakt en Freud’s vaststelling kan men dan ook moeilijk aux serieus nemen.

Al deze beweerde psychische afwijkingen van de keizer zijn nooit door officiële medische verklaringen of rapporten onderbouwd. Men zou toch wat kritischer moeten zijn t.o.v historici die niet schromen om zich op medisch en/of psychiatrisch gebied te begeven en daarbij dan toch moeilijk als gezaghebbend kunnen worden beschouwd.

Allereerst moeten we vaststellen dat veel van de beweringen over Wilhelm’s karakter afkomstig waren van ondergeschikten en dan ook vaak nog van ondergeschikten, met von Bulow en Waldersee aan het hoofd, die op een of andere wijze in ongenade waren gevallen. Anderen, zoals bijv. zijn chef van het Marineamt,  admiraal Muller, die gedurende de gehele oorlog bij de keizer in zijn hoofdkwartier was, hadden ook veel kritiek maar die had veel meer betrekking op de persoon van Wilhelm en zeker niet op zijn geestesvermogen. Ook de kritiek die zijn adjudant Ilseman later op hem uitoefende had daar zeker geen betrekking op. Wilhelm was mogelijk nogal excentriek, zelfs soms onaangenaam, maar gek zeker niet. Veel van de ‘analyses’ van de geestesvermogens van de Duitse keizer werden trouwens pas na zijn dood gemaakt en we moeten dan ook grote vraagtekens zetten bij de betrouwbaarheid daarvan.

Recent schreef de Britse historicus Christopher Clark in zijn uitstekende biografie over de Duitse keizer, in dat verband het volgende:*Christopher Clark’ Kaiser Wilhelm)

„De psychoanalyse van reeds overleden personen is natuurlijk wel fascinerend maar ook zeer speculatief. De problemen die naar voren komen bij het toepassen van de diagnostische categorieën worden er zeker niet minder op door de onduidelijke en elkaar veelal tegensprekende bronnen. Met name de mening dat Wilhelm bij zijn geboorte hersenletsel zou hebben opgelopen wordt slechts gesteund door diagnostische aannamen die elkaar op verschillende manieren tegenspreken en in ‘t geheel niet gedekt worden door medische verklaringen. Integendeel, geen van de artsen die Wilhelm in zijn jeugd  behandelden hebben tekenen geconstateerd van psychische afwijkingen of zelfs maar  hun twijfel daarover uitgesproken.”

en zijn latere lijfarts dr.Leutholt verwierp de beweerde krankzinnigheid van Wilhelm dan ook als een fabel. (Röhl.p.1176)

Clark merkt dan verder op dat: „De beweerde krankzinnigheid van vorsten  nogal eens door politieke in plaats van medische achtergronden werd ingegeven.” en hij verwijst daarbij naar de Russische Tsaar Alexander l die door de Britten voor krankzinnig werd versleten, maar alleen dan als ze vonden dat hij weer eens tegen de Britse belangen in ging. 

Wat Wilhelm betreft, zo vervolgt Clark; „tijdgenoten hebben vastgesteld dat de geruchten over ‘s keizers geestelijke gezondheid die vanaf 1890 de ronde deden, veelal politiek gemotiveerd waren al ontkenden ze niet dat het vaak wat excentrieke gedrag van de keizer mede aanleiding is geweest tot het ontstaan van die geruchten” (*.Clark.p.20/21)

Ook bij Wilhelm was het zo dat veel beweringen over zijn geestesgesteldheid afkomstig waren van diegenen die het niet met hem eens waren of die bij hem in ongenade waren gevallen en hem daarna dan beschuldigden van psychische instabiliteit.

Clark maakte nog een andere zeer interessante observatie. Hij stelde vast dat: „de diverse diagnoses over Wilhelm’s beweerde psychische afwijkingen steeds veranderden en wel erg vaak de op dat moment geldende trend in de psychiatrische wetenschap volgden”.

En dat is inderdaad een opvallend gegeven. Zo luidde de diagnose in 1890 „nervous debility”. In 1914 heette het dat Wilhelm leed aan „manisch depressieve psychoses”, in 1916  werd dat „periodic disturbedness”.

Gedurende de tijd van de republiek veranderde de trend wederom en was men van mening dat Wilhelm het slachtoffer was van wat men noemde „dynastic degeneration”. In de jaren rond 1920 kwam de term „Freudian paradigm” voor Wilhelms beweerde afwijking in zwang. Rond 1970, toen homoseksualiteit vooraan in de aandacht stond, werden de beweerde psychische stoornissen toegeschreven aan „repressed homoxsexuality”, rond 1980 werd gemeld dat hij moet hebben geleden aan „neurologische afwijkingen” en de laatste jaren hoort men beweren dat hij leed aan „prophyria”, een genetische afwijking onder de naam van „de genen van George de derde”. (*Clark.)

In dit verband mag nog worden opgemerkt dat er aan deze opsomming nog steeds geen eind is gekomen want in juli 2004) kon men nog lezen dat de keizer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geleden heeft aan „pseudologica fantastica” een geestesafwijking waarbij de patiënt niet meer in staat is fantasie van werkelijkheid te onderscheiden terwijl  in het prachtige Duitse historisch blad „Geo Epoche”  no 12 van febr/maart 2004 nog eens wordt gemeld dat volgens de bekende psychiater Emil Kraepelin, Wilhelm een typisch geval was van „manisch depressieve psychose”. Natuurlijk duikt dan ook weer het verhaal op van de zich minstens 6x per dag verkledende keizer die er plezier in had tijdens gymnastiekoefeningen aan boord van zijn jacht, de bretels van zijn bukkende admiraals door te knippen. (*Geo Epoche febr/mrt 2004) of gebukt staande zwaarlijvige onderdanen een zetje te geven.

Indien men deze  bonte verzameling van controversiële diagnoses werkelijk zou moeten geloven, dan moet Wilhelm toch wel een uiermate apart psychiatrisch fenomeen zijn geweest.  We dienen dan ook grote vraagtekens te zetten bij de wetenschappelijke waarde en betrouwbaarheid van deze enorme variëteit aan diagnoses.

Zijn dus een aantal hedendaagse historici nog steeds van mening dat Wilhelm in mindere of meerdere mate gestoord moet zijn geweest, hedendaagse psychiaters blijken daarbij toch veel voorzichtiger in te zijn. Wilhelm mag dan, zo stelt men, misschien wel excentriek zijn geweest, het is maar zeer de vraag of hij werkelijk aan persoonlijkheidsstoornissen leed, een criterium dat vandaag de dag noodzakelijk zou zijn om iemand gedwongen te laten opnemen in een psychiatrische instelling, een criterium ook waarvan men voor wat betreft Wilhelm vooralsnog geen enkel bewijs aanwezig acht. Naar aanleiding van de vele beweringen dat Wilhelm zou hebben geleden aan Porphyria nam ik contact op met de Australische neuroloog dr.Geoffrey Miller, die een studie maakte naar de geestesgesteldheid van Wilhelm en ik vroeg hem naar zijn mening daaromtrent. Miller schreef mij daarop het volgende:

„I understand that the later book by Rohl was co-authored with two respected geneticists and between them they do make the case that Wilhelm had both the potential to be afflicted by the rogue gene and had exhibited symptoms.

But my understanding of this type of illness is not so much that one automatically become afflicted and start raving , rather, it grows subtly and it fits and starts in a similar manner to Parkinsons Disease. It seems to lie dormant and undetected through childhood, until one  or more symptoms  may manifest themselves in early or mid-adult life. And although the chemical balance in the mind can be affected, like Parkinsons, it seems that the mental impairment does not follow a fixed pattern. So, to say that someone is „mad” because they have prophyria is the wrong way round. Rather a combination of one or more symptoms, at various strengths and at various times, would lead to the conclusion that porphyria was manifesting itself. Diagnosis and predicting outcomes are made more difficult because the „purple” strain of the disease is not quite the same as the „common” strain.

Porphyria exists in several forms, the more important being acute intermittent porphyria and porphyria cutaqnca tarda, the type that gives rise to skin manifestations. There is absolutely no evidence that Wilhelm suffered from this latter type, which is often precipitated by exposure to sunlight.

Acute intermittent porphyria does have neurological manifestations, as well as attacks of acute abdominal pain and is a rare disease, except in certain families. I have been a consultant physician in America since 1961 and a medical practitioner for 50 years, yet I have seen about five cases in my medical lifetime.

The abdominal pain is basically neurological and is usually disabling and recurrent. I am not aware that Wilhelm suffered from attacks of these.  The urine is often discoloured during attacks, the so called „port wine urine”; physicians during Wilhelm’s lifetime  would have recognized this but as I understand it, they never did.

The neurological manifestations are associated with paralysis but rarely occurs before puberty. Wilhelm has well described atrophy (wasting) of one arm only and this has been well documented as following a birth injury and was present after birth; the paralysis of porphyria are usually multiple and progressive. Wilhelm’s arm weakness was stable all his life. Wilhelm had none of the neurological manifestations of porphyria”.

Miller vervolgde dan zijn observatie met de mening dat;

„Psychiatric symptoms of porphyria are variable and include anxiety, depression, insomnia, disorientation, hallucinations and paranoia. The patient may become floridly psychotic. These symptoms are certainly not specific to porphyria and, in fact, I would fail any medical student who gave porphyria as being the most common case of these symptoms in a final examination.

I have always considered Wilhelm to be sane although prone to volatility. He had a „thing” about his arm weakness and was ashamed of it, but many others have the same attitude, particularly during the tine when he lived.

In summary, I have never read any evidence that Wilhelm suffered from porphyria; he does not appear to have had any of the psychiatric abdominal nor neurological manifestations and although a number of geneticists may say what they like, I cannot find any evidence that Wilhelm was a sufferer of this condition”. (*Dr,Geoffrey Miller,email to Andriessen 24/2/05)

Duidelijker kan het niet dachten we!

De Nederlandse psychiater Dr.J.Hofman voegde daar nog als zijn mening aan toe;

„Het lijkt mij aannemelijk dat Wilhelm door de omstandigheden van zijn levensloop naar gangbare normen gerekend wel een min of meer afwijkende persoonlijkheid was maar dat rechtvaardigt, die omstandigheden in aanmerking genomen, geen specifieke psychiatrische diagnose. In wil er op wijzen dat hoewel de psychiatrie in hoge mate een subjectief vakgebied is en bij de huidige stand van de wetenschap met betrekking tot de samenhang tussen psychische stoornissen en afwijkingen van de hersenen ook niet kan zijn, er mede op grond van de veelheid van de gestelde diagnoses geen duidelijk beeld van de persoonlijkheid van Wilhelm kan worden gegeven, of deze persoonlijkheid nu gestoord is of niet.”(email Hofman-Andriessen, april 2005)

Ik heb daar verder niets aan toe te voegen.

De eerder genoemde historicus Clark merkte  terecht op  dat al die „wetenschappelijke” diagnoses, geen enkele ruimte  lieten voor een wat rationeler benadering waarbij de zaken meer in hun context werden gezet. Als voorbeeld wees hij op de analyse van Röhl die, om zijn stelling te bewijzen dat Wilhelm zou hebben geleden aan krankzinnige waanideeën of wel „Caesarian madness” een aantal episodes op zodanige wijze achter elkaar heeft gezet dat ze tenslotte zijn theorie over het gedrag van Wilhelm zijn gaan ondersteunen.

Clark leverde ook kritiek op het feit dat Röhl een opmerking van Wilhelm  waarin deze zijn admiraals zou hebben  toegevoegd: „Jullie weten nergens iets van, Ik ben de enige die weet waarover het gaat en ik ben de enige die beslist”. (Röhl Casarenwahnsinn p.14-15, Clark p.22)  gebruikte om zijn theorie te ondersteunen.

De auteur merkte hierover voorts op dat als men er maar van uitgaat dat de keizer inderdaad geestelijk gestoord was, men zo’n opmerking letterlijk neemt, als bewijs van een vertroebelde geest. „Als we echter”, aldus Clark, „deze opmerking in z’n context plaatsen dan is ze helemaal niet zo vreemd. De keizer was omgeven door mensen die een bedreiging konden vormen voor zijn persoonlijke autoriteit en hoewel niet erg tactisch, kan men in deze uitbarsting toch niet meer zien dan wat ze was. Een uitbarsting tijdens een discussie waarbij de irritaties waarschijnlijk hoog waren opgelopen.”.

Wilhelm’s karakter

Natuurlijk was Wilhelm qua karakter nu niet direct de meest ongecompliceerde man en inderdaad had hij ook niet het meest aangename en prettige karakter ter wereld. Het is wel zeker dat hij niet altijd even gelijkmatig en stabiel was. Ja, hij kon soms in woede uitbarsten,  hij kon inderdaad niet tegen kritiek en het waren altijd anderen die de schuld hadden als er iets mis ging.

Evenzo is het welhaast zeker dat de slechte verhouding met zijn moeder, zijn vreugdeloze jeugd en uitermate harde opvoeding hun sporen op het karakter van de keizer hebben nagelaten en men behoeft geen psychiater te zijn om de bewijzen daarvan soms in zijn latere uitingen en handelingen terug te vinden. Maar dat betekent nog niet automatisch dat dit zijn functioneren als keizer van Duitsland dusdanig heeft beïnvloed, dat hij totaal ongeschikt zou zijn geweest om die functie uit te oefenen.   

We zouden pas tot een redelijk goed oordeel kunnen komen over Wilhelm’s gedragingen indien we konden beschikken over vergelijkende karakterstudies van zijn mede monarchen en staatshoofden uit die tijd zoals bijv. de Tsaar, koning Edward Vll, keizer Franz Joseph, president Poincaré van Frankrijk en de Amerikaanse president Wilson (over wie Freud en zijn vriend Bullitt een psychoanalytische biografie schreven waarin ze Wilson een ‘geestelijk gedesintegreerde persoonlijkheid’ noemden omdat hij er van overtuigd zou zijn de zoon van God op aarde te zijn)  etc.etc. (*Thomas Woodrow Wilson, Sigmund Freud,William  C.Bullitt p 228 ev)

Het is dan maar zeer de vraag of het karakter en de gedragingen van Wilhelm bij zo’n vergelijking wel in alle opzichten zo opvallend zouden  afsteken.

Andere meningen

Zoals gezegd, veel van de analyses welke men van de psyche van de keizer heeft gepubliceerd,dateren van de periode tijdens en van na de oorlog.

Bezien we de publicaties van vóór 1914 en de opinie die men toen in brede kringen had over Wilhelm,  dan ontstaat er een heel ander beeld. Het wordt dan ook tijd dat ook aan die observaties eens wat aandacht wordt besteed.

Een kleine bloemlezing daarvan lijkt dan op zijn plaats:

De Russische minister van Buitenlandse Zaken, Giers, schreef n.a.v de missie die  Wilhelm, toen nog prins, in opdracht van Bismarck in Rusland met groot succes uitvoerde, opgetogen:

„Wie ook op de gedachte is gekomen om de prins voor deze missie aan te wijzen, verdient te worden gecomplimenteerd”.

Prof. John W.Burgess, (1844-1931) de vader van de Amerikaanse Politieke Wetenschappen en bekend auteur schreef in oktober 1914 o.a:

„De manier waarop men nu ineens in Engeland over de Duitse keizer schrijft is een herhaling van de wijze waarop de Britse pers in 1860-1864 Abraham Lincoln behandelde.  Ze creëerden een nachtmerrie en gaven die de gedaante van president Lincoln. Het was destijds volstrekt zinloos om iets te zijner verdediging te berde te brengen. Ik ben door mijn functie vele malen in contact met de Duitse keizer gekomen maar ik herken niets in de karakteristieken welke hem momenteel door de Britse en Amerikaanse pers worden toebedacht.

Ik heb de keizer leren kennen als een uitzonderlijk intelligent en gecultiveerd man. Zijn algemene ontwikkeling is immens en soms zelfs verbazingwekkend en zijn interessesfeer is dat eveneens. Wat me het meest is opgevallen is zijn diepgaand verantwoordelijkheid gevoel en zijn bereidheid tot zelfopoffering voor het welzijn van zijn volk”. (*New York Times Current History, vol 1 p.507.ev.)

De Duitse admiraal Müller, hoofd van het Marine Kabinet vóór en tijdens de oorlog en duidelijk geen vriend van de keizer (hij hield een dagboek bij waarin hij op bijna elke pagina kritiek leverde op de keizer) schreef desondanks toch dat:

„De keizer tijdens de dagelijkse sessies met zijn generaals en ministers hun voordrachten op uitstekende wijze beoordeelde, De vragen die hij hen stelde raakten steeds de kern van hun rapportage en gingen zeer diep. Hij drukte zich daarbij zeer duidelijk uit en liet zich niet met halve argumenten afschepen en zijn kritiek was doorgaans zeer terecht.”(*Muller, Der Kaiser, p 29)

en wat verder merkt hij op:

„Ik weet uit eigen ervaring dat de keizer een opmerkelijk inzicht had, ook op technisch gebied, en over een verbazingwekkend geheugen beschikte. Hij had de gave uit het hoofd zijn redevoeringen te houden. Zijn geheugen stelde hem zelfs in staat eerder gehouden redevoeringen woord voor woord op een later tijdstip te herhalen”.(*Müller.p 159)

Het was de Britse staatsman Chamberlain die van mening was dat Wilhelm een buitengewoon goed inzicht in Europese kwesties had. Hij schreef althans:

„Ik had een lang gesprek met de keizer hetgeen mijn eerdere gedachten over hem, dat hij beschikte over een buitengewoon diepgaande kennis en inzicht in de Europese politiek, bevestigde”.  .(Dugdale.p 113, the growing antagonism)

De Britse minister van Oorlog, Haldane (1856-1928) voerde in 1912 besprekingen over een vermindering van de marine wapenwedloop tussen Duitsland en Gr.Brittannie en toonde zich onder de indruk van Wilhelm’s kennis van zaken en praktische instelling.  Hij schreef over zijn bespreking:

„I did not go to Berlin with power to make a Treaty. These affairs are to vast for that.But I went to investigate and discuss whether one could be made. My work up to this point has been attended with a measure of success that was neither foreseen nor expected”.(*Andriessen,J.H.J.,De andere waarheid., 3e druk, p.94 e.v.)

In 1869 werd de Brit, Lord Lonsdale geïnterviewd door het ‘Berliner Tageblatt’ nadat hij de manoeuvres  had bijgewoond. Hij vertelde daarbij:

„De keizer is buitengewoon op elk gebied.Z’n visie, energie, zijn bevattingsvermogen van alles waar hij interesse in heeft maar vooral zijn vooruitziende blik, is onvergelijkbaar en hij is hierin geniaal e noemen. Hij is op marinegebied een expert zoals hij eveneens volledig is ingevoerd in koloniale kwesties. Het is welhaast onbegrijpelijk. Zo hij al fouten heeft,dan komt dat doordat hij nog er jong is maar wat dat betreft leert hij nog elke dag”. (*Giles MacDonoch.the last Kaiser.p215).

Op 8 juni 1913 verscheen ter gelegenheid van het 25 jarige regeringsjubileum van Wilhelm ll een bijlage in de ‘New York Times’. Het bevatte onder meer huldeblijken van vooraanstaande  Amerikanen en Britten over de positieve invloed welke de keizer uitoefende op het welzijn van het Duitse Rijk en de gehele wereld waarbij men speciale aandacht besteedde aan het werk van de keizer voor de wereldvrede. President Roosevelt opende de lofuitingen door te verklaren dat hij, speciaal van Wilhelm ll, meer hulp had gekregen bij zijn pogingen om een eind te maken aan de Rusisch-Japanse oorlog dan van enig andere staatsman. (*N.Y.T. 8/6/13) President Butler van de Columbia Universiteit schreef in de zelfde bijlage dat Wilhelm de laatste tijd veel kritiek kreeg maar dat de geschiedenis zijn werkelijke betekenis voor de wereld wel recht zou doen. Hij gaf een groot aantal voorbeelden van de positieve invloed van de keizer op het wereldgebeuren en van zijn vredelievendheid en vredespogingen en eindigde met de woorden:

„If the German Emperor had not been born to monarchy, he would have been chosen monarch of Chief Excecutive by popular vote of any modern people among his lot might have benne cast”. (*N.M.Butler, New York Times 8 /6/13)

Ook de Amerikaanse minister van Justitie, Taft,  voegde zich bij deze lofuitingen en schreef dat de waarheid was dat de Duitse keizer gedurende zijn 25-jarige regering  de belangrijkste  individuele kracht  was geweest in het handhaven van de wereldvrede.( *Taft, NYT 6 en 8 juni 1913)

Ongeveer terzelfder tijd verscheen in de „Daily Mail’ eveneens een lovend artikel over de keizer met als titel „A friend in need is a friend indeed” en de Evening News schreef op 17 oktober 1913:

„We kennen de keizer als een gentleman op wiens eenmaal gegeven woord kan worden gerekend, een zeer welkome gast en een heerser die steeds het allerbeste met zijn onderdanen voor heeft net zoals dat ook bij ons vorstenhuis het geval is”.

Zijn kanselier en latere persoonlijke vijand, von Bülow, kon niet anders dan toegeven dat:„Wilhelm in politieke zaken veelal een juister en beter inzicht had dan zijn politieke adviseurs.” (Nintsjitsj,M., La crise Bosniaque 1908-1909. Paris 1937 quoted door Siccama.p.50 noot 35))  en ook „dat de vaak naar bloed en kruitdamp ruikende publieke uitingen van Wilhelm veelal slechts bedoeld waren de luisteraar te imponeren maar dat hij er in feite niets van meende”.*(Bülow, memoires.vol 1.p.348, Clark, p.86) 

Albertini, de bekende 1e wereldoorlog historicus en niet direct een fan van Wilhelm, (ook hij was van mening dat Wilhelm geestelijk niet gezond was) schreef desondanks toch dat : „Wilhelm, in staat was zaken snel te doorzien, hij was vaak veel intelligenter dan zijn ministers en schatte  snel de consequenties en gevolgen van politieke beslissingen juist in” en Nichols schreef tenslotte dat het Duitse volk na het vertrek van Bismarck vol verwachting maar ook vol vertrouwen in de jonge en dynamische Wilhelm, de toekomst tegemoet zag. (*Nichols, Germany after Bismarck.p.26)

Generaal Waldersee, later bij Wilhelm in ongenade gevallen, was in januari  1887 van mening dat de (toen nog) prins een eigen mening had en zeker niet zou toelaten dat zich rond hem een partijkliek zou vormen waarvan hij afhankelijk zou worden en tezelfdertijd roemden over het algemeen goed geïnformeerde observators zoals Holstein en  Herbert Bismark de prins om zijn koelbloedigheid en zijn opvallend vermogen zich afzijdig te houden van tegenstrijdige politieke ontwikkelingen en stromingen. *Clark, p 18) Nadat Waldersee in ongenade was gevallen begon hij echter plotseling de geestelijke gezondheid van de keizer openlijk in twijfel te trekken en deed er alles aan om hem zo zwart mogelijk te maken.

Overigens, werd in regeringskringen algemeen aangenomen dat het  Bismark zelf was die, na zijn ontslag, het gerucht verspreidde in binnen en buitenland, dat de keizer geestelijk instabiel was, uit wraak voor het feit dat hij het ten slotte tegen de keizer had moeten afleggen.* Clark 48.

Müller gaf nog enkele interessante doorkijkjes in het leven van de keizer. Zo vertelde hij dat de keizer niet van de muziek van Wagner hield  en geen begrip kon opbrengen voor moderne schilders maar gek was op landschappen, speciaal geschilderd door kunstenaars op Korfu, die hij steeds in grote aantallen aankocht en in zijn paleizen liet ophangen. Ook waardeerde hij de zeeschilders Salzmann, Bohrdt en St”Ower en de landschappenschilder Hans Dahl, die regelmatig aan boord van zijn jacht meevoeren. De keizer was overigens zelf een zeer verdienstelijk schilder waarbij hij zich vooral toelegde het schilderen van marineschepen in actie. Ook de fotografie had zijn speciale aandacht.

De keizer was, volgens Müller, voorts een begaafd tekenaar terwijl zijn interesse eveneens uitging naar beeldhouwen waarvoor hij contacten onderhield met bekende beeldhouwers als Achill uit Korfu,  Alexander Unger uit Noorwegen en de Noor, graaf Görtz.

Volgens Müller was de keizer zonder enige twijfel een gelovig Christen en regelmatig kerkbezoeker. Hij onderhield een briefwisseling met de Britse bisschop  von Ripon en was zeer onder de indruk van diens boek „De Mensenzoon onder de zonen der mensen” waarover hij met hem van gedachten wisselde en hoewel de keizer overtuigd protestant was, stond hij welwillend t.o.v de Roons katholieke kerk*(Müller, Der Kaiser. P.48)

Whittle bevestigt de observaties van Müller min of meer en komt tot de conclusie dat:

„Wilhelm’s intellectuele erfenis rijk was. Gedurende z’n gehele leven  was hij geïnteresseerd in archeologie en geschiedenis, militaire wetenschappen en schilderkunst. Hij las de meest belangrijke Duitse, Franse en Britse literatuur en toonde speciale belangstelling voor technische wetenschappen en kon moeiteloos en met kennis van zaken discussiëren over de meest uiteenlopende technische zaken variërende van agricultuur, machines, stoomketels, hijskranen, pompen, trams. Electro-dynamo’s, tandtechniek of scheepsbouw. Hij was trots op het feit dat Duitsland een industriële revolutie doormaakte die van Berlijn een wereldstad maakte”.

Daarenboven was, aldus Whittle, 

„Wilhelm een uitstekende verteller, blonk uit als zeiler en beheerste de paardrijkunst als geen ander, hetwelk bijzonder was gezien zijn handicap. Hij was tenslotte zowel fysiek als mentaal een moedig man, absoluut onvermoeibaar en, bovenal beschikte hij over een uitstekend gevoel voor humor”.(* Tyler-Whittle,M., The Last Kaiser, p.115) en de historicus Gerhard Masur schreef in zijn ‘Imperial Berlin’, dat;

„zelfs zijn grootste critici onder de indruk waren van Wilhelm’s fascinerende persoonlijkheid en zijn gave iedereen die met hem in aanraking kwam te imponeren”.

Wellicht de meest gezaghebbende van degene die een positief oordeel over de keizer velde was de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, dr.Alfred.H.Fried. Hij wijdde in 1912 een boek, „The German Emperor and the Peace of the World” aan de vredeswil van Wilhelm ll waarin hij o.a  wees op de verdragen die Duitsland sloot en waarmede de vrede was gediend zoals het Brits-Duitse arbitrageverdrag en het daarop volgende  Duits-Amerikaanse arbitrageverdrag,van 1904. Ook wees Fried op de keren dat Duitsland meewerkte aan het op vreedzame wijze oplossen van geschillen en via Den Haag arbitrage vroeg of accepteerde zoals in 1899 bij een geschil tussen Amerika,Gr.Brittannie en Duitsland, in 1904 bij het geschil met Venezuela,  en bij het Duits-Japanse geschil in mei 1904 en in 1909 bij het geschil over Casablanca, de Algeciras overeenkomst van 1907, het Marokkoverdrag van 1909, het Noordzee en Baltische verdrag en de overeenkomsten van Den Haag van 1899 en 1907. Allemaal bewijzen, aldus Fried van de vredeswil van de Duitse keizer die nu al ruim 25 jaar aan de macht is en al die tijd de vrede heeft weten te bewaren. Hij openbaarde tenslotte dat het aan de invloed en het persoonlijk ingrijpen van de keizer te danken was dat het Permanente Hof van Arbitrage, ondanks veel weerstand,  kon worden geïnstalleerd  waarmede de Eerste Haagse Conferentie van mislukking werd gered.

En dan hebben we nog de opmerking van de Britse minister-president Balfour die na een ontmoeting met de keizer vertelde dat hij nooit eerder zo’n inspirerend gesprek had mogen voeren en hij voegde daar aan toe dat; „Wilhelm en koning George V de enige personen van koninklijke bloede waren waarmede hij een gesprek van man tot man had kunnen voeren”.(Whittle.p.116)

Tenslotte schreef Kohut, de man die Wilhelm eerder voor volslagen krankzinnig had verklaard nog in zijn „Wilhelm II and the Germans” : „Zijn brede educatie en fabelachtige geheugen, stelde hem in staat grote hoeveelheden informatie vast te houden, maakte het hem mogelijk met iedereen over praktisch elk onderwerp op intelligente en kundige wijze te spreken, of het nu ging over muziek, schilderkunst, Historie, antropologie, theologie, militaire strategie, marinebouw of commercie enz.enz.” . (*Kohut, p.141-142)

Toch niet gek voor een krankzinnige zou ik zo zeggen.

Kortom, in tegenstelling wat de propaganda tijdens en na de oorlog van Wilhelm ll heeft pogen te maken krijgen  we uit de geschriften van vóór 1914 toch wel een totaal ander beeld van de keizer en komt hij, naast zijn gebreken, impulsiviteit, opvliegendheid, mogelijke labiliteit en andere eerder genoemde menselijke karakterfouten, over als een intelligente man.met een uitstekende opleiding, een hoge algemene ontwikkeling, een enorm doorzettingsvermogen, grote en vele interesses, belezen en erudiet, zeker niet oppervlakkig en met een op veel gebieden grote kennis van zaken. Daarenboven valt op dat zijn werk voor - en zijn bijdragen aan het handhaven van de wereldvrede algemeen geroemd en erkend werd.

Hier komt dus een andere Wilhelm naar voren, een man die populair was bij het Duitse volk en ver daar buiten, een man die om zijn kwaliteiten door velen werd gewaardeerd.

Het was, zoals Heinrich Mann schreef, een feit dat de keizer zich vaak zonder schroom uitliet over zaken die op de achtergrond in ieders gedachten leefden.  De liberaal Friedrich Naumann vond dat als de Duitsers kritiek hadden op de keizer, ze eens in de spiegel moesten kijken terwijl Walther Rathenau van mening was dat de keizer geheel voldeed aan het beeld dat het Duitse volk zich, bewust of onbewust, van een keizer gevormd had.

De redenen

Hoe komt het dan toch dat ook nog vandaag de dag, de meningen over Wilhelm,s persoon, zijn karakter en zijn geestestoestand nog steeds zo eensluidend zijn?

De belangrijkste schuldige daaraan is toch wel de enorme propaganda die tijdens de oorlog over hem is uitgestort. De geallieerden beschikten over een enorm propaganda apparaat dat er vier jaar lang geheel op was gericht om „het Duitse kwaad” te personifiëren en het was de keizer die de rol van de grote schuldige, de aartsschurk, kreeg toebedeeld. Vier jaar lang werd hij bespottelijk gemaakt en op allerlei manieren als de grote Satan ten tonele gebracht en ook na de oorlog werd die propaganda nog met een  opvallende felheid doorgezet. Het is dan ook niet onlogisch dat het effect hier van nog lang voelbaar is gebleven en zich zelfs nog tot in onze tijd heeft voortgezet. En natuurlijk was de keizer zelf ook schuldig aan het slechte imago die hij in de loop der jaren had opgebouwd. Zijn vaak zeer provocerende taal, zijn arrogantie,wispelturigheid  en zijn soms ook zeer onverstandige uitingen gaven ook vaak voedsel aan de negatieve beoordeling van zijn karakter en persoon.

Ondanks al zijn negatieve karaktertrekken moet de conclusie toch luiden dat er geen betrouwbare medische noch psychiatrische aanwijzingen zijn die  voornoemde meningen  over ‘s keizers geestesgesteldheid ook maar in de verste verte ondersteunen.

Het al dan niet functioneren van de keizer en de mogelijke foute beslissingen gedurende zijn meer dan 25 jarig keizerschap kan dan ook niet vanuit een beweerd geestelijk onvermogen worden verklaard.

Moeten we nu dus aannemen dat alle informatie over Wilhelm’s labiliteit, rusteloosheid en negatief beoordeelde  karaktereigenschappen  maar naar het rijk der fabelen moet worden verwezen. Het antwoord daarop is natuurlijk; neen!. Wilhelm was wel degelijk een nogal excentrieke man zoals overigens de meeste van zijn mede monarchen in het licht van de hedendaagse tijd nogal excentriek overkomen.

Maar wel moet worden vastgesteld dat al zijn al dan niet vermeende en werkelijke  gebreken in de loop van de oorlogsjaren vooral door een gigantische geallieerde propaganda dusdanig zijn uitvergroot dat er een karikatuur van de werkelijkheid ontstond, een karikatuur die een eigen leven is gaan leiden en  die tot op de dag van vandaag nog steeds opgeld doet. Het is het doel van dit artikel daarin op z’n minst enige relevantie aan te brengen.

overzicht: