“Der Weg in den Abgrund 1900-1941”, J. Röhl

In het Tijdschrift voor Geschiedenis, jaargang 23, 2010, nr. 1. publiceerde F.J.M. Reurs van het Ned. Instituut voor Oorlogsdocumentatie een recensie over de biografie van Wilhelm II door J. Röhl, “Der Weg in den Abgrund 1900-1941”.

Reurs opent met de ‘opvallende”zin: “Tegenwoordig wordt er door niemand meer aan getwijfeld dat Duitsland en Oostenrijk-Hongarije de hoofdverantwoordelijkheid droegen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog”.

 

Ik neem aan dat Reurs niet uit naam van het NIOD spreekt want ik vrees dat dit eerbiedwaardige instituut deze uitspraak niet voor zijn verantwoording zal willen nemen.

Dat Röhl, die er zijn levenwerk van heeft gemaakt om de keizer tot de scapegoat van de geschiedenis te maken, dit standpunt uitdraagt is bekend. Dat zijn mening echter niet door iedereen gedeeld wordt bleek recent nog eens duidelijk tijdens het Symposium te Doorn waarbij met name historici als Christopher Clark en Hirschfeld duidelijk afstand namen van de zeer eenzijdige visie van Röhl. Dat zou Reurs toch moeten weten want dit symposium werd voorgezeten door de ex-NIOD directeur en een der sprekers was een NIOD historica.

 

De schuldvraag is, in tegenstelling tot wat Reurs stelt, nog lang niet vastgesteld, in tegendeel, de stelling dat Duitsland en Oostenrijk-Hongarije de alléén-schuld aan deze wereldbrand moet worden aangerekend werd al tijdens de vredesbesprekingen te Versailles in twijfel getrokken en was reden voor de Amerikanen om het verdrag niet te ratificeren. Al tijdens deze vredesbesprekingen sprak de Britse regering zich uit voor herziening van de in het verdrag opgenomen bepalingen en machtigde de Britse premier, Lloyd George, om zich er tegen te verzetten en eventueel zijn medewerking te weigeren,(meeting Britse kabinet 30 mei en 1 juni 1919) een dreigement dat hij, na felle oppositie van Clemenceau en Wilson, moest intrekken.Ook de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lansing, achtte het verdrag onjuist en merkte op: “The victors in this war intend to impose their combined will upon the vanquished and to subordinate all interests to their own”(Lansing, p.274)

Maar Lansing was niet de enige, Keynes merkte op dat het verdrag “immoral but also incompetent” was en Nicholson schreef: “It is sheer lunacy, the real crime is the reparation and indemnity chapter which is immoral and senseless”.

Generaal Smuts noteerde: “It is not justice, it is not even intelligent planning. Unless the treaty is thoroughly revised, the Allies will soon regret having forced Germany to sign the document at the point of a bajonet”. En Bullit was van mening dat: “Principles and prudence are violated by Wilson (Bullit.p.799). Berle was van mening dat: “The treaty will stand as a monument of shame above the graves of the millions who had suffered and died”.

 

Tijdens de vredesbesprekingen protesteerde Duitsland tegen de aanklacht dat Duitsland de alléén-schuld had aan de oorlog en weigerde het verdrag in eerste instantie te tekenen. Men verzocht om een onafhankelijk en neutraal onderzoek naar de oorzaken hetgeen werd geweigerd. Pas nadat de revolutie in Duitsland was uitgebroken en de geallieerden met bezetting van geheel Duitsland dreigden, tekende de Duitse regering, onder protest, het verdrag van Versailles, inderdaad, zoals Smuts opmerkte, “at the point of a bajonet”.

 

Uit de documenten die na de oorlog zijn verschenen is duidelijk gebleken dat de schuldvraag nog lang niet definitief kan worden vastgesteld, en dat de rol die met name Gr.Brittannië, Frankrijk en Rusland hebben gespeeld, een zeer kwalijke is geweest. Als men van schuld aan de Eerste Wereldoorlog spreekt mag men de rol bij het onstaan van die oorlog van die landen niet zo maar vergeten.

Daar komt nog bij dat tijdens de vredesbesprekingen te Versailles door de geallieerden een commissie werd geïnstalleerd (commission on the responsibility of the Authors of the War and on enforcement of Penalties) welke opdracht kreeg de schuld van de Duitse keizer “for his responsibility for the invasion of Belgium in breach of international law”, te onderzoeken

De commissie kwam, tot grote spijt van Lloyd George, tot de conclussie: “that no criminal charges can be made against the responsible authorities or individuals and notably the ex-Kaiser, on the special head of the breaches of neutrality”. en ontraadde dan ook de aanklacht te handhaven hetgeen ook inderdaad is gebeurd.

 

Maar ook de andere aanklachten tegen Wilhelm II zijn nooit onderzocht terwijl daar, vooral ook uit het oogpunt van het destijds geldende volkerenrecht, toch alle aanleiding voor was.

Opvallend is ook dat voornoemde commissie dan wel de schuldvraag moest onderzoeken maar daarbij de rol van de geallieerden zelf geheel over het hoofd zag terwijl er toch alle aanleiding voor was dat nu juist wel te doen wilde men althans spreken van een neutraal en objectief strafrechtproces. Duitsland had aangeboden ten volle te zullen medewerken aan zo’n neutraal onderzoek, door onafhankelijke en neutrale rechters maar, zoals gezegd, dit verzoek werd van de hand gewezen. Redenen te over om bij het klakkeloos overnemen van Röhls ‘’eenzijdige en bevooroordeelde visie” toch wat voorzichtiger te zijn.

Indien de kennis ontbreekt neemt men vaak maar al te gretig de theorieën over van (wat men beschouwt als) “experts” als Röhl .

De schuldvraag en de rol van Wilhelm II is in ons land voor zover ik kan nagaan, helaas nimmer echt serieus onderzocht en dat is jammer, temeer, omdat er vandaag de dag voldoende bronnenmateriaal aanwezig is om zich een juist inzicht te vormen in wat zich destijds afspeelde, Reeds jaren pleit ik voor zo’n onderzoek door Nederlandse historici. Ons land bleef destijds buiten de oorlog en Nederlandse historici zouden daarom bij uitstek geschikt zijn om in alle neutraliteit, zo’n onderzoek uit te voeren waarbij dan ook de rol van de andere aan die oorlog deelnemende landen nu natuurlijk niet vergeten mag worden. Zoals uit de oude en ook moderne literatuur blijkt, zijn de meeste Angelsaksische historici, de goeden niet te na gesproken, daar meestal niet toe in staat.

Het is jammer dat Reurs de indruk wekt uit naam van het NIOD te spreken. Voor zover mij bekend houdt dit instituut zich tot nu toe voornamelijk met de Tweede Wereldoorlog bezig. Het is dan niet zo logisch om te pretenderen dat over de Eerste Wereldoorlog evenveel kennis aanwezig is. Natuurlijk is het mogelijk dat Reurs, hoewel hij met NIOD ondertekent, als privé onderzoeker spreekt. In dat geval moet ik constateren dat hij zich door Röhl fors heeft laten inpakken.

 

Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog

J.H.J. Andriessen
Voorzitter

overzicht: