De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller, geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog

Bewerkt, ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door

J.H.J. ANDRIESSEN

 Auteur van o.a

„De Andere Waarheid”

„Verdun 1916 (samen met S.Dagniaux)

„De Eerste Wereldoorlog in foto’s”

„The collapse of Imperial Germany 1918”

De Mythe van 1918

Keizer Wilhelm II, Mythe en werkelijkheid.

 

Ijzeren doodskisten, het onderzeebootwapen in de Eerste Wereldoorlog (co-auteur)

(De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller is verkrijgbaar in de boekhandel,
isbn 90-5911-197-4 Uitgeverij Aspekt. Soesterberg 2003)

 

Korte biografie

Carl Heller werd geboren op 27 juli 1894 in het Pruisische plaatsje Elberfeld en vertrok reeds op jeugdige leeftijd met zijn ouders naar Nederland waar zijn vader mede oprichter was van de Hengelosche Trijpweverij. In 1908 volgde Carl zijn vaders voetsporen en trad op 14 jarige leeftijd eveneens in dienst van deze weverij. Hij werd te werk gesteld aan de Spul & scheermachine en opgeleid tot Plusch-& Moquettwever. In het getuigschrift dat hij later ontving werd vermeld dat hij een „goed verstand” had en in 1913, op 19 jarige leeftijd benoemd werd tot assistent werkmeester Een jaar later,bij het uitbreken van de oorlog, werd Carl opgeroepen voor de militaire dienst en vertrok naar Duitsland waar hij, in afwachting van zijn definitieve oproep, nog even werkzaam was bij de firma Forstmann & Huffmann als wever. Op 1 mei 1915 werd hij ingelijfd bij de 1e compagnie van het 145e Regiment Infanterie van de 34e Infanterie Divisie met als plaats van opkomst Paderborn.

Uit de Divisie Geschiedenis lezen we dat de 34e Infanterie Divisie onderdeel was van het Duitse 16e Legerkorps (Metz) en bij het uitbreken van de oorlog ingedeeld werd hij het 5e Leger van Kroonprins Wilhelm van Pruisen (Zoon van de keizer). De divisie kwam op 21 augustus in Frankrijk aan en werd al direct ingezet bij de slag om de Marne waarbij het zware verliezen leed.en werd daarna overgeplaatst naar het Argonnewoud waar ze tot 15 augustus 1916 zou blijven liggen. Gedurende deze periode nam ze deel aan de zware gevechten van januari en juli 1915 waarbij wederom zware verliezen werden geleden..

Dat de gevechten zwaar waren bleek wel uit het feit dat alleen al op 18 januari, een van de vier regimenten van de divisie, het 30e Infanterie regiment, 56 officieren en 2723 manschappen verloor.. Ook bij de gevechten in juli werden grote verliezen geleden en het was tijdens deze gevechten dat Heller de vuurdoop kreeg en de eerste aantekeningen maakte over zijn belevenissen

Die eindigden eind november 1918 toen hij, voor de tweede keer gewond, in een Duits hospitaal lag en aldaar het eind van de oorlog meemaakte..

Na de oorlog keerde Heller, die op 7 september 1917 de dapperheids onderscheiding, het IJzeren Kruis 2e klasse, uitgereikt kreeg , naar Nederland terug. Hij nam weer dienst bij de Hengelosche Trijpweverij, trad in het huwelijk en kreeg een dochter. In 1935 vroeg en verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit bij Koninklijk Besluit van 4 maart 1935, maakte als gewoon burger de Tweede Wereldoorlog mede en ontving op 14 april 1949 de Ere-Medaille in goud, verbonden aan de orde van Oranje Nassau. Hij was hiermede naar alle waarschijnlijkheid, een der zeer zeldzame dragers van het Duitse IJzeren Kruis op wiens borst ook de Nederlandse Koninklijke orde van Oranje Nassau prijkte. Heller stierf op hoge leeftijd en werd te Hengelo begraven..

Het relaas dat hier volgt is Heller’s eigen verhaal en aan de inhoud daarvan is niets veranderd. Ik heb slechts getracht het geheel, door het toevoegen van korte uittreksels uit de divisie geschiedenissen, het toevoegen van door de familie welwillend afgestane foto’s alsmede het plaatsen van enkele relevante kaartjes van het oorlogsgebied, nog wat toegankelijker te maken. Het is aan de lezer te beoordelen of ik daar in ben geslaagd.

HOOFDSTUK 2

1915-1916: IN DE LOOPGRAVEN

Uit de divisiegeschiedenis:

„De 34e divisie verbleef in de Argonnesector van september 1914 tot 15 augustus 1916.

Het nam deel aan de offensieven van januari en juli 1915 waarbij het zware verliezen leed. Op 18 januari 1915 had het 30e regiment infanterie alleen al, 56 officieren en 2723 man verloren.. Na deze gevechten werd de divisie weer met reservetroepen aangevuld.Na de zware gevechten van juli bleven de verdere verliezen beperkt. De divisie werd op 16 augustus 1916 afgelost”.

Heller, die pas eind juli 1915 aan het front arriveerde, miste dus de zware gevechten die de divisie in de weken er voor had moeten leveren De divisiegeschiedenis maakte geen melding van de ontploffing van een munitiedepot waarbij 167 doden en ongeveer 200 gewonden vielen en waaraan Heller door een gelukkig toeval ontsnapte. Ook onderging hij zijn eerste gasaanval waarbij tientallen slachtoffers waren te betreuren.

In deze periode werd hij ingedeeld bij een afdeling belast met het graven van mijnschachten onder vijandelijke stellingen en nam hij deel aan een aanval op een vijandelijke mijnschacht waarbij de helft van zijn kameraden sneuvelde.

Zodra het even begon te schemeren, kroop ik uit het hol, het was daarbinnen niet meer om uit te houden. Buiten was het wat rustiger geworden. Slechts nu en dan viel een enkel geweerschot waardoor de zware nevel, die overal hing, telkens een trilling ondervond.

Er kwam een patrouille voorbij waarin ik een bekende ontdekte die samen met mij in de opleiding was geweest. Na elkaar de hand te hebben geschud nodigde hij me uit mee naar de voorste linie te gaan. Hoewel angstig, won mijn nieuwsgierigheid het en ik liep met hem mee.

Op weg naar voren door de smalle loopgraven, kwamen we tal van onderstanden en gaten tegen waarvoor overal dekens en zakken hingen om de koude buiten te houden en om te voorkomen dat er licht naar buiten zou dringen.

Hier was pas goed te zien wat het constante granaatvuur had aangericht. Geen boom stond er meer overeind, hier en daar slechts enkele stompen, Heuvels en vlakten waar vroeger hele bossen hadden gestaan waren nu kaal en ondersteboven gehaald. Uiteindelijk kwamen we in de voorste linie. De loopgraven waren hier wel 2,5 meter diep en ook veel breder. De schildwachten stonden hier op verhogingen en achter stalen pantserplaten waarin schietgaten waren gemaakt. Deze posten stonden op ongeveer 30 meter van elkaar af, gehuld in dikke jassen en met inspanning luisterend naar verdachte geluiden, terwijl ze met hun ogen de dichte mist trachtten te doorboren. Hun geweren en handgranaten lagen gereed maar toch werden ze nog vaak verrast want menigmaal vonden men bij het aanbreken van de dag, een wachtpost die was doodgestoken zonder dat iemand er iets van gemerkt had. Zo werd bijv een paar maanden eerder, twee nachten achter elkaar op de zelfde plaats, een dubbelpost vermoord en niemand , ook de nabije posten niet, had daar ook maar iets van gehoord. De derde nacht waren alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen om de daders te pakken te krijgen en dit gelukte dan ook. Het waren drie Senegalezen, meesters in het sluipen en alleen gewapend met hun lange messen. Twee er van werden doodgeschoten maar de derde wist te ontsnappen. Onbegrijpelijk was het dat de kerels het drie keer op het zelfde punt probeerden. Deze anders zo sluwe gasten kon dat nu niet bepaald als slimheid worden aangerekend.

Met de patrouille ging ik nu verder door de voorste linie, zo zacht mogelijk want hier kon de vijand ons horen lopen en spreken. De wachtposten waren niet erg te spreken over deze patrouilles. Ze vonden dat die te veel lawaai maakten en ‘s nachts waren ze in onzekerheid of het nu vriend of vijand was die er aan kwam. Maar het moest gebeuren, al was het maar om hen in de rug te vrijwaren van overvallen en voorts om de loopgraven op indringers te controleren.

Die konden namelijk zonder veel moeite in het diepe duister een loopgraaf tussen twee wachtposten in, binnen dringen zonder dat dit werd opgemerkt.

Overdag werden de meeste posten ingetrokken. Dan werd er meer in de loopgraven gewerkt en werden onderstanden en mijnschachten gebouwd.

Op een gegeven moment moesten we over enkele lijken heen stappen die in de loopgraaf lagen en ‘s nachts getroffen waren. Een mortiermijn had hen geveld. Nu lagen ze daar om naar het kerkhof te worden getransporteerd.

Ik moest weer terug naar mijn eigen onderstand waar de anderen inmiddels wakker waren geworden en zich klaar maakten om koffie te halen. Dat wakker worden nam niet veel tijd in beslag. Men kreeg een por, kroop naar buiten en was gereed. Kleden, wassen en ontbijten was een luxe en dus niet nodig.

In de loop van de volgende dag kregen we opdracht onze eerder gesneuvelde kameraad te begraven. In een deken gewikkeld die aan beide zijden werd dichtgeknoopt , werd hij aan een stevige knuppel die door twee man op de schouder gedragen werd, weggedragen.

Op het kerkhof groeven we een graf van ongeveer een meter diep en legden hem daarin met deken en al in. Na een kort gebed en met ontbloot hoofd, gooiden we zijn graf daarna dicht. Een stammetje van kreupelhout werd gespleten en op het witte hout werd zijn naam en sterfdag geschreven. Het overige geschiedde door de sergeant-majoor die hem ook zijn papieren had afgenomen. Toen we later in rust achter het front waren, maakten we grote houten kruizen die we op de graven plaatsten van hen die gevallen waren.

Tegen de avond, we kwamen juist van de keuken terug, werden we direct naar de eerste linie gecommandeerd. Daar was een mortier bij een onderkomen ingeslagen en had allen die er in lagen, levend begraven. We werkten met vereende krachten om ze er uit te halen, helaas, het mocht niet baten. Alle zes vonden de dood, waaronder ook de twee waar ik eerder mee op patrouille was gegaan. Het tragische van de zaak was wel dat het een eigen mijn was geweest die de ramp had veroorzaakt. Bij het afschieten was er iets misgegaan en ze was in de eigen linie terecht gekomen.Hier aan het front, waar men zich voortdurend in levensgevaar bevond, leerde ik eerst echte kameraadschap kennen en menig stille heldendaad, die nooit aan het licht kwam,werd hier verricht.door elkaar in tijd van gevaar te helpen en bij te staan.

Mijn grootste angst had ik inmiddels wel overwonnen en als we in onze onderstand zaten, voelden we ons zo veilig alsof we thuis waren, ja, we lachten er om als buiten de mijnen en granaten hun verwoestende arbeid verrichtten. Dan werden er grappen gemaakt, gezongen etc. Want hoe ernstig en kloek deze mannen ook waren in het gevaar, zo vrolijk en opgewekt waren ze onder elkaar als de toestand dat een ogenblik toeliet. De intiemste familieaangelegenheden werden hier voor elkaar opgedist en iedereen was blij even over z’n huisgenoten te kunnen vertellen. De brieven welke van thuis kwamen, werden voorgelezen en iedereen stelde belang in het burger bestaan van de ander.

Het prettigste uur van de dag was dan ook als de post ordonnansen langs kwam en de brieven en pakjes van huis afleverde. Wat men dan ontving, het was overigens in de regel niet veel want het maximaal toegestane gewicht was slechts een pond, werd broederlijk gedeeld. Dat werd als vanzelfsprekend aanvaard en dan ook zonder dank aangenomen.

Enkele weken waren zo, met zwaar werk, voorbij gegaan. Voor mij was er elke dag wel wat nieuws te beleven. Zo langzamerhand begon ik te wennen aan dit leven en al het vreselijke dat ik dagelijks om me heen zag gebeuren, maakte ook mij al snel hard en onverschillig. Het leven stelde men in deze omgeving ook niet meer zo op prijs om de eenvoudige reden dat men er ook niet veel meer aan had. De voortdurende ontberingen en de uitputting, maakte menigeen bijna levensmoe. Maar, zoals elk dier aan zijn leven gehecht is. Zo vergaat het ook de mens. Al heeft men vaak niet meer de moed en kracht om het gevaar te ontlopen,het instinct maant toch telkens weer tot voorzichtigheid. Hier, waar de dood continue en in vele gedaanten loerde, waar men elk moment in een zee van ellende gestort kon worden door verminking of ziekte, probeerde men toch steeds instinctmatig een ramp te ontlopen.

In welke gemoedsstemming men ook verkeerde, door het gevaar verrast, dan zorgde het instinct er telkenmale weer voor dat men zich daar zo goed mogelijk tegen indekte. En menigmaal vroeg ik me later af hoe ik toch steeds, van uit een schijnbaar hopeloze positie, weer veilig te voorschijn kwam.

Dag na dag ging zo voorbij, vaak wisten we niet eens meer welke dag het was. Het interesseerde ons ook niet meer zo. Van de vroege ochtend tot de late avond en vaak ook ‘s nachts moest hard worden gewerkt en kwam men dan moe en badend in het zweet van het lopen door de gevaarlijke zones, eindelijk weer in de onderstand aan, dan rilde men een ogenblik later weer van koude en kon men zich vaak in de nauwe ruimte amper bewegen. Dan kwam ook het ongedierte in de kleding in beweging hetgeen door het transpireren nog bevorderd werd.

Op zekere dag, we waren bij de keukens, schrokken allen van een vreselijke klap en een hevige luchtdruk.Er viel een diepe duisternis en een zware rookwolk steeg op waarna een hagel van alle mogelijke projectielen en voorwerpen uit de lucht naar beneden kwamen.

Er ontstond een vreselijke paniek, mensen renden schreeuwend door elkaar en overal zag men vreselijk bloedende en gewonde mensen liggen. Op het zelfde moment volgde een tweede, nog zwaardere explosie en de grond dreunde en trilde onder onze voeten. Al spoedig bleek dat een vijandelijke granaat het munitiedepot getroffen had en dit in de lucht had doen vliegen. Van de kameraden die daar verbleven was natuurlijk niet veel meer over. Overal in de omgeving lagen xwaar gekwetsten en stervenden en het gekerm sneed door merg en been. Van alle kanten kwam hulp opdagen, maar helaas, de vijand signaleerde de geweldige rookwolk die ontstaan was en verdubbelde nu haar vuur. Hierdoor kwam bij een 10 cm granaatinslag nog eens zeven man om het leven en vielen er vele gewonden. Een oudere soldaat werd aan het hoofd gewond en werd van schrik en pijn waanzinnig. Woest heen en weer rennende sloeg hij met een bijl op iedereen in, die hem voor zijn voeten kwam. Bloedend en vreselijk brullend zwaaide hij met zijn bijl waardoor hij het reddingswerk ook nog hinderde. Een kogel maakte aan zijn verschrikkelijk lijden een einde.

Ook ik hielp zo goed als ik kon met het verbinden van de slachtoffers en de verbandcursus die ik in het garnizoen gevolgd had, kwam mij nu goed van pas. Het gelukkigste waren de mannen die slechts een lichte wond hadden opgelopen en zichzelf konden helpen om dan naar het hospitaal te worden afgevoerd. Hoe vaak niet heb ik later naar een kleine verwonding (Heimatschuss) verlangd, alleen maar om weg te kunnen komen van deze plaats der verschrikkingen!

Het aantal doden die we, na de ontploffing telden, bedroeg 167, dat der gewonden bereikte bijna de 200. Alleen al van onze eerste compagnie, welke dicht bij het munitiedepot in reserve had gelegen,waren 92 man gedood.

Op onze eigen plaats hadden we kolossaal geluk gehad want we maakten juist aanstalten om met onze koffievaten naar voren te gaan en we zouden dan het depot hebben moeten passeren. Een onschuldig voorval zorgde er voor dat we even werden opgehouden en slechts enkele ogenblikken later ontplofte de zaak.

Enkele uren later moesten we toch naar voren. Op het moment dat we boven op de heuvel aankwamen werden we door een vijandelijke vlieger opgemerkt. Deze gaf onze positie via draadloze telegrafie aan de artillerie door die onmiddellijk het vuur op ons opende. Hoewel we er allemaal heelhuids van afkwamen, moesten we toch onze vaten koffie in de steek laten en deze rolden dan ook de heuvel weer af. Onze makkers in de voorste linie moesten het maar weer eens zonder koffie stellen.. Dat gebeurde helaas maar al te vaak en betekende een groot ongerief omdat drinkwater in de voorste linie niet te krijgen was. Vooral als het warm was betekende dit dat men voortdurend dorst had.

Op zekere nacht, we lagen in reserve rechts van het keukendal, werden we gealarmeerd. De vijand beschoot ons dal. Granaat na granaat kwam net over de heuvelrug heen en viel , met een eigenaardig dof geluid, in ons kamp, een witte nevel achterlatend. Eerst hadden wij daar nog plezier van omdat we dachten dat het allemaal blindgangers waren. Vooral de laatste tijd kwam dat nogal vaak voor, voornamelijk onder de Amerikaanse munitie. Helaas, zo onschuldig bleek het ditmaal niet te zijn. Plotseling klonk een wanhopige kreet:”Gas!”

Giftige gassen. Er ontstond paniek, geen mens wist raad en iedereen rende zo snel mogelijk weg van de plek des onheil. Velen kropen in hun onderstanden en sloten die dmv dekens zo goed mogelijk van buiten af. Maar juist dat was hun ongeluk, de volgende ochtend waren ze allen dood. Diegenen die in hun onderstanden boven aan de heuvel waren gekropen, kwamen er wel goed af. Het gas, zwaarder dan de lucht, was in het dal blijven hangen en had de laagste punten opgezocht.

Enkele dagen later, toen de lucht weer zuiver was,werden de lijken uit hun onderkomens gehaald en in enkele oude schuilplaatsen onder gebracht. Ze werden daarna dichtgemaakt en vormden zodoende een graf voor telkens 20 a 30 makkers.. De lijken bleken zwart te zijn geworden door het gas .Die nacht waren er velen omgekomen terwijl anderen in hospitalen werden opgenomen om daar uiteindelijk, onder vreselijke pijnen, alsnog te sterven.

Een paar weken later kregen we onze eerste gasmaskers. Tot dan toe hadden wij wel primitieve maskers gehad, kleine neus en mondkappen van watten, die telkens in een vloeistof moesten worden gedrenkt.. Ze boden echter absoluut geen bescherming. We waren overigens wel reeds bekend met het gebruik van gas. De vijand liet soms, bij een gunstige windrichting, gas ontsnappen uit cilinders die in hun voorste loopgraven werden opgesteld, maar met gasgranaten hadden wij echter nog nimmer kennis gemaakt.

Helaas trad tot ons aller ongerief een regenperiode in. De regen doorweekte in een ommezien de weke leemgrond en de wanden van de loopgraven stortten overal in. Dat betekende zwaar werk voor ons soldaten. De roosters op de grond waren overal bedekt met een dikke leemlaag, die, door het vele geloop, al snel tot een dikke brei werden, waarin schoenen en laarzen bleven steken. Het was als een stevig deeg en het maakte het lopen tot een erg vermoeiende bezigheid. Ook kon men deze rommel haast niet uit de loopgraven verwijderen want ze bleef aan de schop kleven als men ze over de rand wilde gooien, Al snel zaten onze kleren van onder tot boven vol slijk en we hadden geen droge draad meer aan ons lichaam. Vooral in de onderstanden was dit zeer onaangenaam, al was het alleen al vanwege de stank die het natte goed verspreidde. Ook stond hier nu continue water in en we moesten dag en nacht hozen, anders liep hij vol. Dat duurde zo ongeveer drie weken. Er werd al van aflossing gesproken, dwz dat we weer in reserve zouden gaan en de hoop en het verlangen naar rust nam dan ook met de dag toe. Maar helaas, onze aflossingstroepen werden naar de Champagne gezonden waar toen het grote Franse offensief begonnen was, en waar versterkingen dringend noodzakelijk bleken te zijn. Dagenlang was de artillerie daar al aan het vuren geweest en de Fransen hadden daar reeds grote vorderingen gemaakt.Ook bij ons in het Argonnewoud werd het daardoor onrustiger.

Doordat de linies van de vijand en die van ons zo dicht bij elkaar lagen kon de wederzijdse artillerie hier niet veel uitrichten, daar ze dan gevaar liep om ook de eigen linies te raken. Toch had men een middel gevonden elkaar ook hier zoveel mogelijk afbreuk te doen. Men ging elkaars stellingen ondermijnen.Van beide kanten werden verticale schachten in de grond gegraven.. Op een diepte van 20 a 30 meter werd dan een horizontale gang gegraven tot onder de vijandelijke stellingen. Daar aangekomen werd de gang vol met springstof gestouwd, met zandzakken weer dichtgemaakt en door middel van een lange lont,later door een elektrische vonk, werd de hele zaak dan tot ontploffing gebracht. Dan vloog de hele stelling, soms wel over een oppervlak van 100 m2, in de lucht en allen die in de stelling waren werden dan gedood of onder de aarde bedolven.

Zo hadden wij in het gebied dat door onze compagnie bezet werd, 15 van zulke gangen gegraven maar ook de vijand had gangen onder onze stelling gegraven. Het ging er dan telkens om te weten te komen in welke gang de vijand aan het werk was. Om hem dan voor te zijn lieten we dan een van onze eigen gangen,die daar het dichtste bij was, tot ontploffing brengen waardoor de vijandelijke gang instortte en onbruikbaar werd..

Je moest over stalen zenuwen beschikken om in zo’n onderaardse gang te werken, want je moest er voortdurend op bedacht zijn dat je elk moment levend kon worden begraven en absoluut verloren was als de vijand zijn eigen tunnel tot ontploffing zou brengen. Helaas gebeurde dat toentertijd bijna dagelijks.. Zo’n ontploffing leek op een kleine aardbeving die tot ver in de omtrek werd gevoeld. Het gevaarlijkste was daarbij nog dat er met gifgas werd gewerkt, die dan na de explosie overal uit de aardspleten te voorschijn kwam en in de onderstanden en gaten, de diepste punten, bleef hangen. Tegen dit soort gassen waren onze gasmaskers toen nog niet bestand. Als men dan de explosie al had overleefd, werd men alsnog het slachtoffer van het gas.en dagenlang bleven de gangen en onderstanden dan ontoegankelijk. Om dit te voorkomen werden er in veel gangen en onderstanden grote, met de hand bediende, ventilatoren aangebracht die de gassen door grote buizen afvoerden en in de richting van de vijand stuurden…

Het was dus zeer belangrijk om te weten te komen of- en waar de vijand in zijn eigen mijnen aan het werk was. Zolang hij aan het werk was konden we dat horen en konden we zeker zijn dat hij ons niet zou opblazen.want dan waren z’n eigen mensen natuurlijk ook verloren. Daarom werd in elke mijnschacht een luisterpost geplaatst die moest waarschuwen als het werk daar beneden ophield. Diep onder de grond kon men het graven zeer goed horen vooral ook omdat er met houwelen gewerkt moest worden om de harde grond los te krijgen. Al snel echter begon men elkaar te misleiden door een houweel via een schacht aan een touw, heen en weer te trekken en op de grond te laten vallen. Het kunstmatige gehak wekte dan de indruk dat er daar beneden werd gewerkt en dus was men dan toch nooit geheel zeker of een onverwachte explosie zou losbarsten of niet. Omdat er bij het luisteren daar beneden toch te veel mensen verloren gingen, werden later aan de ingangen elektrische luisterapparaten geplaatst waardoor het uitluisteren gelukkig een stuk veiliger werd.

Ik zelf was voor een periode van een maand bij de „mijnwerkers” ingedeeld. Als ik dan diep onder de grond zat, dan voelde ik me wel veilig voor het artillerievuur en handgranaten, maar leefde toch steeds in angst voor onverwachte ontploffingen en de kans dan levend te worden begraven. Al snel begon ik te verlangen naar het verleden, toen alles nog veilig was en men een onbezorgd leven kon leiden en alles geregeld zijn gang ging.

Op zekere dag wilde ik juist mijn vier uren gaan luisteren, toen er een geweldige explosie volgde op ongeveer 100 meter links van me. Door de schok vloog ik in de lucht en kwam op de rand van de loopgraaf terecht.en mijn hele lichaam deed me pijn, als was ik geradbraakt. Natuurlijk liet ik mij direct weer naar beneden glijden want onmiddellijk na de explosie zette de vijand een verschrikkelijke beschieting in. Tussen het gegil van de gewonden en half bedolvenen, klonken de bevelen van de officieren. Een aanval werd verwacht en iedereen vloog naar z’n post. Onze artillerie, we hadden toentertijd in de Argonne slechts bitter weinig batterijen tot onze beschikking, had de groene lichtsignalen uit onze stellingen inmiddels opgemerkt en begon te vuren en uit de tweede linie rukten de reserves direct naar voren, zeer belemmerd door het zware Franse vuur. Plotseling, als met een slag, werd het Franse vuur verder naar achteren verlegd en daar kwam de Franse infanterie aangestormd, tenminste, naar hun hoera geroep te oordelen want zien konden we ze niet omdat alles in rook en stof gehuld was als in een dikke mist. Onze mitrailleurs ratelden op hoogste capaciteit en maaiden het terrein af; de vonken vlogen uit de draadversperringen die voor ons door de kogels geraakt werden. Men kon geen vier meter ver zien. Met geweren werd niet geschoten, alleen met handgranaten gegooid.

De aanval duurde ongeveer een uur waarna het langzamerhand weer wat rustiger werd. Af en toe sloeg hier en daar nog een granaat in maar ook dat hield weldra op en het duurde niet lang meer of alles was afgelopen, de lucht werd langzamerhand weer helder en de zon kwam weer te voorschijn. Maar ach, voor de ogen van de weinigen die de aanval hadden overleefd, ontrolde zich een vreselijk schouwspel. Voor ons, in de prikkeldraadversperringen, hingen dode en gewonde Fransen. Sommige gewonde soldaten kermden en smeekten om hulp. Ook in onze loopgraven, waarvan de meeste waren ingeschoten, lagen vol met bedolven dode of gewonde soldaten en het was een niet te beschrijven wanorde. Hospitaal soldaten hadden de handen vol. Degenen die het er levend hadden afgebracht mochten niet helpen maar moesten direct weer hun post bemannen omdat elk moment een nieuwe aanval verwacht kon worden. Gelukkig bleef die echter uit, tenminste voor die dag.

De aanval had hoofdzakelijk onze naburige compagnie gegolden en daar was de vijand ook in onze linie doorgedrongen en had zelfs gevangenen gemaakt, bij ons hadden ze slechts een schijnaanval uitgevoerd. Het ergste was dat men de gewonden in de onderstanden had gedragen om zo de doorgang in de loopgraven vrij te houden. De meeste daarvan vonden we later door terug, gestikt door de gassen die na de ontploffing uit de grond omhoog kwamen.

Zij die nog leefden, leden verschrikkelijke pijnen en kampten met benauwdheid om dan later alsnog te sterven.

Tegen het middaguur werd bij de vijand de Rode Kruisvlag getoond. Drie man kwamen langzaam en voorzichtig, zonder wapens op ons toe, ons beduidende, dat ze hun gewonden wilden halen. Omdat van onze kant niet geschoten werd, togen ze aan het werk Telkens droegen ze met twee man een gewonde weg, steeds gevolgd door een derde met de vlag. We zagen dat de gewonden meest kleurlingen waren die van overzee waren gehaald om voor Frankrijk te vechten. Onze compagnie, voor de aanval 91 man sterk, telde nu nog slechts 43 man. Ook onze beide officieren waren gesneuveld en een sergeant-majoor voerde nu het bevel. De volgende nacht kwamen we tot de ontdekking dat de vijand zich gereed maakte om weer een mijnschacht , welke blijkbaar reeds met springstof geladen was zonder dat wij dit hadden bemerkt, tot ontploffing te doen brengen. Het was voor ons te laat om dat nog te beletten, bijv. door het graven van een tegengang, want we vermoedden dat het nog slechts een kwestie van enkele uren zou zijn alvorens hij zijn plan zou uitvoeren. In de regel gebeurde dat ‘s morgens tegen het aanbreken van de dag. We kregen nu bevel tot de aanval over te gaan en zo mogelijk de ingang van de mijnschacht te vinden en te vernietigen. Binnen een half uur waren de twaalf man die de order moesten uitvoeren, gereed. Onze artillerie concentreerde plotseling al haar vuur op de vijandelijke eerste en tweede linie en ook onze loopgraafmortieren lieten zich niet onbetuigd. Nadat de vijandelijke stelling tien minuten lang stormrijp was geschoten, werd op het afgesproken tijdstip, het vuren plotseling verder naar achteren verlegd om de vijand zo te beletten reserves naar voren te zenden. Nu volgde het bevel „aanvallen” waarna wij over het gevaarlijke, met ontelbare granaattrechters, stukgeschoten boomstammen en hopen prikkeldraad bezaaide „niemandsland”, dat op deze plaats ongeveer dertig meter diep was, naar voren stormden. Het was een vreselijk moeilijke weg want door de duisternis konden we niet precies zien waar we liepen en zo struikelden we ontelbare malen, ons de huid en kleren aan alle kanten open scheurende.

Het eerste moment was de vijand verrast en verbluft, maar al spoedig ratelde uit zijn tweede en derde linie de machinegeweren en floten de kogels ons om de oren. Nu ging het er om in de vijandelijke loopgraaf te komen want daar was men veiliger; daar kon ons het mitrailleurvuur niet meer treffen. Ik sprong in een „sappe”, een vooruitstekend stuk loopgraaf, en kwam midden in een latrine terecht, ik vloekte, ook dat nog, maar had verder geen tijd hier beschouwingen over te houden en rende verder. Daar sprongen nog twee kameraden in de loopgraaf waarvan er een zich direct op mij wierp en me trachtte te wurgen. Gelukkig bemerkte hij zijn vergissing bijtijds. We waren in de eerste vijandelijke linie. „Pardon,messieurs,pardon” klonk het ons tegen. Voor ons lagen enkele gewonden.Ik stormde over hen heen en gooide nu enkele handgranaten in de volgende bocht, om na de ontploffingen weer verder te rennen, zodoende de loopgraaf „oprollende”. Weer klonk het „pardon, Pardon”, nu uit verschillende richtingen en ongeveer 10 Fransen, meest gewond en allen zonder wapenen, kwamen ons tegemoet. Ze moesten in een onderstand kruipen en een van ons hield ervoor de wacht,waarbij hen duidelijk werd gemaakt dat hij bij de minste of geringste problemen direct een handgranaat in het hol zou gooien.. Intussen kwamen van de andere kant nog meer kameraden aanrennen zodat de loopgraaf nu geheel bezet was. Ieder vloog nu naar de, al voor de aanval afgesproken plaats. Twee man moesten de wacht betrekken aan de linker zijde van de loopgraaf en twee man aan de rechter kant. Onze sergeant kwam aanstormen en riep „volg mij”. Ik rende samen met twee andere kameraden achter hem aan en gelukkig vonden we al snel de betreffende mijnschacht. Snel knipten we de elektrische leiding door en trokken die naar boven tot ze brak. Daarna blokkeerden we de ingang met alles wat we maar konden vinden, hout, zakken met zand die van de rand van de ingang werden weg gerukt, lattenroosters, handgranaten, geweren, een eetketel enz.enz. Een dynamietpatroon werd in de ingang gelegd, de lont aangestoken en toen wegwezen. Even later volgde een ontploffing en hoorden we hoe de ingang verwoest werd.

Even later gaf een groene vuurpijl ons het signaal voor de terugtocht. Maar dat ging niet zo makkelijk. Alles had zich tot dan toe in razende haast afgespeeld, het doel was bereikt, maar nu kwam de grootste moeilijkheid, We moesten weer in onze eigen loopgraven zien te komen. Van gat tot gat, van trechter tot trechter kropen wij, steeds dekking zoekend tegen de ratelende machinegeweren uit de vijandelijke linies. Men gooide ons tientallen handgranaten na, die echter veelal over ons heen gingen en dicht bij onze loopgraven ontploften. Eindelijk, uren later, kwamen we uitgeput weer in onze eigen linie aan waar ik direct in mijn onderstand kroop om wat op verhaal te komen. De vijandelijke granaten sloegen nog onafgebroken in onze linies en hadden daar al grote verwoestingen aangericht. Toen het eindelijk licht geworden was werd alles weer rustig, alsof er niets gebeurd was….

Van onze twaalf man waren er vier weer teruggekeerd en pas de volgende dag kwamen er nog twee man en de sergeant, welke door het granaatvuur niet meer terug konden komen en zich gedurende de hele dag in een diepe trechter op slechts tien meter van de vijandelijke loopgraaf hadden schuil gehouden. De overigen waren, op een man na die gevangen werd genomen, op de terugtocht gesneuveld.

Het doel van de onderneming werd volkomen bereikt, de vijandelijke mijnschacht was niet tot ontploffing gekomen. Onze tegengang, die snel gegraven werd, werd op zodanige manier tot ontploffing gebracht dat de Franse mijngang volledig instortte en niet meer kon worden gebruikt. Enkele dagen later kreeg ik bevel mij met mijn gevechtsbepakking achter het front te vervoegen. Het is duidelijk dat ik in de wolken was. In minder dan geen tijd was ik dan ook bepakt en bezakt en marcheerde terug. Onderweg kreeg ik het nog een ogenblik zwaar te verduren toen ik midden in een artilleriebeschieting terecht kwam en de granaten links en rechts om mij heen vielen. Overgelukkig was ik toen het schieten ophield en ik mij even later in het gras kon laten vallen en een paar vogels hoorde fluiten..

overzicht: