Bijlage 12: Antwoord Nederlandse regering op uitleveringsverzoek

(Brief Karnebeek aan Millerand, dd 21 januari 1921 in: ‘De Keizer questie’ R. ter Sluis, p.197)

’s-Gravenhage, 21 Januari 1920

‘Bij note verbale van 15 januari 1920, overhandigd aan Harer Majesteit’s gezant te Parijs, vragen de mogendheden, onder verwijzing naar artikel 227 van het Verdrag van Versailles, aan de Nederlandse regeering, Wilhelm Von Hohenzollern, gewezen Keizer van Duitschland in hare handen te stellen teneinde te worden gevonnist.

Ter ondersteuning van dit verzoek doen zij opmerken dat, indien de gewezen Keizer in Duitschland gebleven ware, de Duitsche Regeering krachtens het bepaalde bij artikel 228 van het Vredesverdrag verplicht zou zijn geweest hem over te leveren.

Terwijl de mogendheden als opzettelijke schendingen van de internationale verdragen en ten bezijze van de stelselmatige terzijdestelling van de allereerste regelen van het Volkenrecht, tal van handelingen, in den oorlog door de Duitsche overheid gepleegd in herinnering brengen, doen zij de verantwoordelijkheid, althans de zedelijke verantwoordelijkheid daarvan opklimmen tot de gewezen Keizer.

Zij spreken de mening uit dat Nederland zijn internationale plicht niet zou vervullen, indien het weigerde zich naar de mate zijner kracht, bij haar aan te sluiten om de bestraffing van de begane misdrijven na te streven of die althans niet te belemmeren.

Zij doen het bijzonder karakter uitkomen van haar verzoek, dat niet een juridische inbeschuldigingstelling, maar een daad van hooge internationale politiek beoogd en zij doen een beroep op Nederland’s eerbied voor het recht en rechtvaardigheidszin, opdat het niet met zijn zedelijk gezag de verkrachting door Duitschland dekke van de grondbeginselen der solidariteit tusschen de volkeren.

 

Harer Majesteit’s Regeering heeft de eer aanstonds te doen opmerken dat de verplichtingen welke voor Duitschland zouden hebben kunnen voortvloeien uit artikel 228 van het Vredesverdrag, niet kunnen dienen om de plichten te bepalen van Nederland, dat bij dat verdrag geen partij is.


Hare Majesteit’s Regeering , harerzijds eveneens bewogen door onaantastbare redenen, kan de door het verzoek der mogendheden gerezen vraag niet anders beschouwen dan uit het oogpunt harer eigen plichten.

Zij is volkomen vreemd geweest aan de omstandigheden waaruiti de oorlog is voortgekomen en heeft, niet zonder moeite, hare onzijdigheid tot den einde toe bewaard. Zij staat mitsdien tegenover de oorlogsfeiten anders dan de mogendheden. Zij wijst met kracht elke verdenking af als zoude zij met haar soeverein recht en haar zedelijk gezag schendingen van de grondbeginselen der solidariteit tusschen de volkeren willen dekken; maar zij kan geen internationale plicht erkennen om mede te werken tot de daad van hooge internationale politiek der mogendheden. Indien in de toekomst door den Volkenbond eene internationale rechtspraak mocht worden in gesteld, welke bevoegd zou zijn om, in het geval van een oorlog, recht te spreken over feiten welke tot misdrijf gestempeld en aan sanctie onderworpen zijn door een aan de pleging voorafgaand statuut, zal het aan Nederland staan zich bij die nieuwe orde van zaken aan te sluiten.


Harer Majesteit’s Regeering kan in het tegenwoordige geval geen anderen plicht erkennen dan dien, welken haar de wetten des Rijks en de nationale traditie opleggen.

Welnu, noch de op alom erkende rechtsbeginselen gegronde fundamenteele wetgeving des Rijks, noch eene eerbiedwaardige traditie van eeuwen her, welke van dit land te allen tijde een toevluchtsoord heeft gemaakt voor hen, die in internationale conflicten het onderspit hebben gedolven, veroorloven aan de Nederlandsche Regeering gevolg te geven aan het verlangen der mogendheden en aan den gewezen Keizer de bescherming van die wetten en die traditie te onttrekken. Het recht en de nationale eer, welke te eerbiedigen een heilige plicht is, verzetten zich daartegen. Het Nederlandsche volk, geleid door gevoelens waaraan in de geschiedenis der wereld recht heeft doen wedervaren, zou het vertrouwen niet kunnen beschamen van hen die zich op zijne vrije instellingen hebben verlaten.


Harer Majesteit’s Regeering vertrouwt dat de mogendheden de gegrondheid zullen erkennen van deze overwegingen, welke zich boven eenige beoordeling van menschen verheffen en welke haar zoo afdoende voorkomen, dat zij redelijker wijze geen vrijheid kunnen geven Nederland in een verkeerd daglicht te stellen.

w.g. Karnebeek

overzicht: