Van Belgische naar Nederlandse exploitatie

door Dr. G.J.B. Verbeet

Gewaardeerde Belgische hulp bij de exploitatie van de Nederlandse kolenmijnen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Belgische krijgsgevangenen als vrijwilliger werkzaam in de mijnstreek rond Heerlen en Kerkrade.

De Eerste Wereldoorlog zou voor de exploitatie van de Nederlandse steenkolenmijnen cruciale gevolgen kennen. Tot ongeveer 1910 was de Nederlandse nationale steenkoolbehoefte op jaarbasis ca. 100.000 ton. Het merendeel daarvan werd vanuit het Ruhrgebied rond Essen via de Rijn per schip in Rotterdam aangevoerd en daar omgeslagen. Het waren activiteiten van de Steenkolen Handels Vereniging (SHV) met als grote eigenaar de familie Fentener van Vlissingen, die ten deze een akkoord kende met het Rheinisches Westfälisches Kohlensyndikat.

De steenkoolproductie van de mijnen rond Heerlen en Kerkrade vond in Nederland weinig afzet. Meestal was het alleen in regionale verkoop in zoverre de steenkolen per paard en wagen naar de bestemming konden worden vervoerd. Dat kwam als gevolg van de SHV, grenzende aan een boycot. Limburgse kolen zouden, zo werd de particuliere kolenhandelaar voorgehouden, van inferieure kwaliteit zijn. Soms zelfs dreigde men de kolenhandelaar uit te sluiten als die Limburgse kolen verhandelde. De in Limburg gedolven kolen werden grotendeels vervoerd naar Belgische bestemmingen, vooral de hoogovenindustrie van Luik. Nog geen 10% werd in het eigen land geconsumeerd.

Tot 1903 waren de kolenmijnen in Heerlen alleen Belgische kapitaalinvesteringen: de Oranje-Nassau mijnen, de Laura en Vereeniging, de Willem Sophie en de Dominiale mijnen.

Sinds de Nederlandse Mijnwet van 1901 dat mogelijk maakte, was de Wilhelmina in Terwinselen in 1903 de eerste Nederlandse Staatsmijn in exploitatie gekomen. De volgende werd de Emma in 1908.

In 1914 bedroeg de totale steenkolenproductie 1.928.540 ton, waarvan de Staatsmijnen 546.757 ton leverden, slechts ca. 30% (1).

De Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog bracht voor Nederland nagenoeg opeens de gehele kolenimport tot stilstand, tot nog slechts 10% van het jaar 1910. De voornaamste importeur Duitsland was alleen dan bereid tot beperkte kolenleverantie als daar compensaties tegenover zouden staan, vooral van graan. De Nederlandse jaarproductie daarvan dekte ternauwernood de eigen nationale behoefte. Deze deal met Duitsland kon niet worden aangegaan.

De nood kwam in Nederland echt aan de man toen in 1915 de reservevoorraden kolen opgebruikt raakten. Een daarbij komend probleem was het gegeven dat de Nederlandse mijnen grote verliezen aan het mijnwerkersaantal leden sinds Duitse en Oostenrijkse onderdanen voor militaire dienstplicht naar hun vaderland werden teruggeroepen. Men miste ca. 25% van de arbeiders (2).

Belgische mijnwerkers als militair geïnterneerden in Nederlandse mijnen

Nederland kende sinds augustus 1914 het probleem dat 30.000 Belgische militairen geïnterneerd werden in kampen, o.a. in Zeist. In de speciaal ingerichte kampen, o.a. op de Veluwe, werd huisvesting verleend aan 100.000 Belgische burgers, de vluchtelingen voor de Duitse inval. Velen van hen vonden arbeid voor hun onderhoud in particulier werk, o.a. in de landbouw.

Dit was voor de geïnteresseerde militairen niet mogelijk. Krachtens de bepaling van de Conventie van Génève moesten die in bewaakte kampen verblijven (3).

Bestudering van de mogelijkheden van de Conventie van Génève bood de directie van de kolenmijnen en de ambtenaren van het Ministerie van Defensie een oplossing die van de nood een deugd maakte.

Men slaagde erin “In ’s Lands Belang”, zo heette het, gebruik te maken van de internationaal erkende afspraken om in overleg en met goedkeuring van de desbetreffende vrijwilligers te komen tot een contract waarbij krijgsgevangen militairen tegen een redelijke betaling bereid waren als ondergronder, hun beroep, werkzaam te zijn in de Limburgse steenkolenmijnen.

Het Departement ontwierp voorschriften ten deze, die de mijndirecties wilden uitvoeren. Het dagloon dat op een spaarbank werd gestort zou ƒ 0,10 per dag zijn.

De militaire mijnwerkers prefereerden werkzaamheid in een kolenmijn boven de verveling van het kampleven. Een aantrekkelijk aspect was ook dat contact met familie mogelijk werd. Bij de Belgische militairen bleek voldoende bereidheid tot dienstaanneming in de Limburgse mijnen te bestaan.

De tewerkstelling

De aanpak van deze mijnwerkers was militair opgezet. Een eigen officier en onderofficieren waren verantwoordelijk voor de orde. In militaire marsorde werd naar de dienst gemarcheerd. Het geheel kende een Nederlandse bewaking.

De productiviteit van de werkers was vergelijkbaar met die van het overige personeel. De belangrijkste huisvesting werd het kamp Beersdal te Heerlen, waar de mensen werden ondergebracht in 43 woningen van 15 blokken, aangepast op een wijze zoals die in alle andere Belgische kampen gebruikelijk was.

Aanwezige vrouwen, vaak familie, zorgden in 3 ploegen voor de voedselvoorziening. Er kwamen bescheiden kantines. Aan analfabeten kon onderwijs gegeven worden. Op een bescheiden, maar behoorlijke voedselvoorziening, werd gelet, noodzakelijk bij zware arbeid.

Op zondag was er een beperkte bewegingsvrijheid en gelegenheid tot het bijwonen van kerkdiensten bij eigen aalmoezeniers.

Voor medische verzorging werden enkele plaatselijke huisartsen ingeschakeld. Ernstige ziekten werden verzorgd in het Sint Joseph-ziekenhuis te Heerlen dan wel in Calvariënberg te Maastricht.

Desertie kwam weinig voor. Voor meerdere militairen werd het werkverblijf draaglijker toen zich bij hen familieleden konden vervoegen. Er waren ook particuliere onderkomens in Spekholzerheide, Eygelshoven en Schaesberg.

De eerste groepen mijnwerkers werden ingezet bij de Oranje-Nassau-mijnen I en II, de Willem Sophie en de Laura en Vereeniging. Later werden ook werkers ingezet bij de Staatsmijnen Emma en Wilhelmina.

Was in juni 1916 gestart met 837 arbeiders, het aantal liep geleidelijk op tot 1636 in 1918. Hun jaarproductie liep naar schatting op tot 50.000 ton (4).

In het katholieke Zuid-Limburg, waar de kerkelijke bedienaren op voorgaan van de priester-aalmoezenier Dr. H.A. Poels er zeer nauwgezet naar streefden om het katholieke karakter van de streek te behouden, werd met zorg en argwaan gereageerd op de nieuwe aanwezigheid van Waals-sprekende mijnwerkers van socialistische signatuur.

Arbeidsstaking in Nederland

In de periode rond 1916/1917 was er bij de gestegen kosten van levensonderhoud bij de arbeiders sprake van wensen tot loonsverhoging. De Algemene Mijnwerkersbond steunde deze wensen, terwijl de Christelijke Mijnwerkersbond met de directies van de mijnen de noodzaak tot loonsverhoging betwijfelden.

De Belgische mijnwerkers stelden zich in het gevecht om de arbeidsvoorwaarden solidair op toen in juni 1917 een kortdurende werkstaking in gang kwam. Met spanning werd afgewacht hoe de eerste werkploeg van de dag zich bij aankomst aan de Oranje-Nassau I zou gedragen. Zij staakten mee, wetende dat deelname aan de staking terugzending zou betekenen naar het kamp te Zeist. Dat gebeurde kort erna dan ook.

De roep om kolen in Nederland bleek groter dan de wens om stakers het werk te ontnemen. Na enkele dagen werd over de misstap niet meer gesproken. Men werd weer in Zuid-Limburg tewerkgesteld (5).

Kort na 11 november 1918 werden de Belgen in twee extra treinen via Roosendaal-Esschen weer naar hun vaderland getransporteerd. Het intussen verdiende bescheiden loon werd de weken tevoren uitbetaald per bank.

Een ereteken in Heerlen

In Heerlen werd in 1925 een eregraf ingericht, aldus eer betuigend aan de bijdrage van de Belgische mijnwerkers in de Eerste Wereldoorlog (6).

Een les

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Nederland duidelijk dat het belangrijk is om te beschikken over een eigen kolenproductie voor nationale consumptie. Tussen 1916 en 1918 slaagde men erin, mede dankzij de inzet van Belgische krijgsgevangenen de productie op te voeren van 1,9 miljoen naar 3,4 miljoen ton in 1919. Die ontwikkeling zette zich voort. Rond 1929, na 10 jaar, was de situatie in die zin veranderd dat de Nederlandse kolenmijnen voor het grootste deel konden voorzien in de nationale behoefte. Dit was een les die men in de tijd van de Eerste Wereldoorlog had geleerd.

Sinds in 1917 de exploitatie van de Belgisch-Limburgse steenkolenmijnen in gang kwam werden van daaruit de steenkoolleveranties doorgaans naar Brussel, Luik en Antwerpen afgeleverd. Dat was o.a. een opvolging van de leveranties door de Nederlandse mijnen.

Voetnoten

  1. A. de Graaf, De kolenvoorziening van Nederland, Haarlem, 1943.
    R. van Kamp, De kolenvoorziening van Nederland gedurende de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, 1968.
  2. C.L. Matze, De economische positie van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog en de energievoorziening. Uit: De grote Oorlog, deel 10, pag. 132-170, Soesterberg, 2006.
    F. Cammaert, Oostelijk Zuid-Limburg in de Eerste Wereldoorlog, uit: Land van Herle, pag. 11-25, Heerlen, 2008.
  3. Evelyn de Roodt, Oorlogsgasten, vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog, Zaltbommel, 1993.
  4. J.T. Oosterman, Internering van vreemde militairen in Nederland gedurende de oorlogsjaren 1914-1919, 13 banden, Machineschrift, Een verslag met gegevens van het Ministerie van Defensie, Legermuseum Delft / Den-Haag, 1921.
  5. F. Cammaert, Tijdens de oorlogen. Artikel: De mijnen in Limburg. Weet je nog koempel, deel 14, pag. 323-330, Zwolle, 2005.
  6. M.A. van der Wijst, het Belgische grafmonument te Heerlen. Herinnering aan een ballingschap. Uit: De Limmel, pag. 22-26, 1979.

overzicht: