Beeld van de twintigste eeuw

Beeld van de twintigste eeuw¹

Het boek begint met een juweel van een inleiding voor middelbare scholieren. Een samenvatting: De wereld in 1917. ‘De wereldoorlog bepaalde het gezicht van het jaar 1917. Weinigen hadden in 1914 voorzien, dat drie jaar later nog steeds geen einde zou zijn gekomen aan het conflict dat op de Balkan begonnen was.

Behalve de oorlog vonden er in dat jaar nog meer belangrijke gebeurtenissen plaats. In Rusland voltrok zich in november een revolutie, die de wereld ingrijpend zou beïnvloeden: het aan de macht komen van de bolsjewiki, later communisten genoemd.

Uitersten zullen in de volgende hoofdstukken het beeld bepalen: oorlog een vrede; chaos en ordening; menselijk vernuft en onmenselijkheid; technische vooruitgang en vernietiging; hoop en wanhoop. Al deze uitersten zijn in de twintigste eeuw aanwezig. Met name valt de tegenstelling op tussen technische vooruitgang en mensenvernietiging op een tot nog toe ongekende schaal.’

Daarna beschrijft hoofdstuk 1 De Eerste Wereldoorlog, inclusief achtergronden en het Oostenrijkse ultimatum aan Servië. In hoofdstuk 3 (Vrede en Volkenbond) vijf bladzijden gedegen uitleg over de vredesregelingen in Parijs.

De bronnen en opdrachten in beide hoofdstukken zijn goed. De bronnen A t/m E in hoofdstuk 1 gaan over de schuldvraag van de Eerste wereldoorlog.

Bron A luidt: Artikel 231 van het Verdrag van Versailles, in 1919 gesloten tussen de geallieerden en Duitsland. Hierna wordt dit artikel geciteerd.

De vraag aan de leerling luidt: Wat zegt deze bron over de schuldvraag?

Bron B luidt: Passages uit de troonrede van keizer Wilhelm II, 4 augustus 1914 (samengevat). Hierin maakt de keizer duidelijk dat Duitsland in het voorste gelid stond om de Europese volken te vrijwaren van een oorlog tussen de grote mogendheden. Met de moord op zijn vriend, de aartshertog Frans Ferdinant, opende zich een afgrond. Frans Jozef was gedwongen naar de wapens te grijpen en de keizer steunt deze actie. Met verdriet mobiliseert hij zijn leger. De keizer eindigt met de woorden: wij worden niet gedreven door veroveringszucht, ons bezielt de onbuigzame wil om de plaats te beschermen, die God ons gegeven heeft, voor ons en voor ons komende geslachten.

Gevraagd wordt aan de leerling welke mening Wilhelm II verkondigt ten aanzien van de schuldvraag.

Bron C luidt: Enkele gedeelten uit het programma van oorlogsdoelen van de Duitse Rijkskanselier Bethmann Hollweg, 9 september 1914 (samengevat).

Frankrijk. Het goudveld van Briey, noodzakelijk om onze industrie van goud te voorzien, moet in elk geval afgestaan worden.

Verder een oorlogsschadestelling die in termijnen betaald kan worden; zij moet hoog genoeg zijn om Frankrijk ervan te weerhouden in de komende vijftien tot twintig jaar belangrijke bedragen te besteden aan bewapening.

België moet teruggebracht worden tot de positie van een vazalstaat.

De leerling krijgt de volgende opdracht: Vergelijk de bronnen B en C. Spreken deze twee bronnen elkaar tegen of vullen ze elkaar juist aan? Licht je antwoord toe.

Bron E is een plaatje van tekenaar Albert Hahn. Het stelt een ondergesneeuwd kerkgebouw voor met op de voordeur een bordje met de tekst: GEEN DIENST DAAR DE CHRISTENEN IN OORLOG ZIJN.

Eronder staat: Kerstnacht in het jaar onzes Heeren 1914.

Aan de leerlingen worden twee vragen gesteld. a. Wat bedoelde de tekenaar met deze spotprent? b. Welke gegevens levert deze prent op om tot een conclusie over de schuldvraag te komen?

Hierna nog wat algemene vragen die uit de leerstof te halen zijn. In niet één geschiedenisleerboek heb ik de schuldvraag met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog zo expliciet behandeld gezien.

De andere bronnen gaan over het beruchte Zimmermann-telegram van 16 januari 1917. Uitstekende stof voor de leerlingen om mee om te gaan.

In hoofdstuk 3 gaan de bronnen en opdrachten over De Geallieerden en het verslagen Duitsland. Ook weer uitstekend, maar in het kader van dit essay kan ik ze niet opnemen.

Eindconclusie: Een uitstekend leerboek waarbij de leerlingen hun mening moeten geven over kernvragen. Dit kom je voor 1998, het jaar van de invoering van de tweede fase, weinig tegen. Hulde voor de schrijvers.

overzicht: