20 punten van kritiek op het boek: Drie oorlogen, een kleine geschiedenis van de 20e eeuw

Geschreven door Prof. dr. Maarten Van Rossum

Uitgeverij: Nieuw Amsterdam, isbn 978 90 468 0321 9. Prijs € 18

Vierde druk 2008

 

Gaven wij in een eerdere recensie reeds kritiek op de stelling van Prof. dr. Maarten van Rossum dat de Eerste Wereldoorlog een door Duitsland welbewust veroorzaakt conflict is geweest, zonder dat hij daar ook maar het geringste bewijs voor leverde, in zijn boek ‘Drie oorlogen, een kleine geschiedenis van de 20e eeuw’ herhaalt hij deze stelling niet alleen maar voegt daaraan in hoofdstuk 1,”de Eerste Wereldoorlog” nog een fors aantal andere discutabele stellingen aan toe.

Het betreft hier een auteur die een hoge post in het academisch onderwijs vervult en geacht wordt zijn kennis aan studenten door te geven.

Omdat er de laatste tijd nogal wat discussie is ontstaan over het onderwijs in Nederland en met name ook op het geschiedenisonderwijs en er dezerzijds forse kritiek is geleverd op de examenstof geschiedenis (1e Wereldoorlog) HAVO/VWO, trok het boek van Prof.van Rossum extra de aandacht.

Verwacht mocht toch worden dat er van een historicus van dit niveau die aan een der respectabele universiteiten van ons land geschiedenis doceert, een visie voor het voetlicht gebracht zou worden waarbij de student zich een juist beeld van deze belangrijke periode in de geschiedenis van Europa zou kunnen vormen.

Onze recensie beperkt zich nadrukkelijk tot het eerste deel van „Drie Oorlogen”, het deel dat over de Eerste Wereldoorlog gaat. Over de andere twee delen hebben wij geen oordeel, maar gezegd kan worden dat die delen prettig leesbaar zijn en interessant overkomen.

Met betrekking tot de historische waarde van deel 1, ‘de Eerste Wereldoorlog’ ligt dat, met de uitzondering dan dat het prettig leesbaar is, helaas geheel anders en om dit te verduidelijken gaan wij in het hierna volgende uitvoerig op dit deel in.

Allereerst; het boek bevat merkwaardig genoeg geen bronvermelding, geen register en de bibliografie is uitermate beperkt en dat komt in de inhoud van het eerste deel dan ook nadrukkelijk tot uiting.

De auteur begint op de eerste blz. met de stelling dat:

1) de moord op Franz Ferdinand tot de Eerste Wereldoorlog leidde.

Kritiek:

Met zo’n bewering komt een Havo-student mogelijk nog wel weg maar voor iemand met de statuur van de auteur is dit toch wel erg simpel gesteld. Hedendaagse inzichten tonen ons dat de moord op de aartshertog voor Oostenrijk-Hongarije aanleiding (niet de oorzaak!) was om Servië de oorlog te verklaren. Daar had het bij kunnen blijven als niet de Russen daarop de algemene mobilisatie hadden uitgeroepen en daarmede de keten van acties en reacties in gang zetten die uiteindelijk tot de Eerste Wereldoorlog leidde.

2) Hij beweert dan verder dat de Oostenrijk-Hongaarse troepen in Bosnië zich zo realistisch mogelijk aan het vooorbereiden waren op een inval in Servië.

Kritiek: Waar van Rossum dat op baseert is een raadsel want het oefenschema van de destijds gehouden manoeuvres geeft een heel ander beeld. Ze wordt in extenso beschreven in Fay (vol.2.p.46 en 47) compleet met kaart, waaruit blijkt dat de oefening zich juist op het westen richtte en niet op het oosten.(zie ook; Neue Freie Presse june 27,28 1914)

 

3) Van Rossum constateert op diezelfde bladzijde dat de Servische regering niet achter de aanslag zat.

Kritiek:

Dat is een achterhaalde stelling.

Sydney Fay, in zijn The Origins of the World War,vol 2, p.64”, een boek dat niet door de auteur in zijn bibliografie wordt genoemd, geeft de volgende feiten:

„Ljuba Jovanovitch, voorzitter van het Servische parlement en minister van educatie onder minister president Pasitch ten tijde van de aanslag op de aarshertog schreef in het blad Krv Slovenstva . p. 9, met een toelichting daarop in ‘Novi Zivot’ en in de ‘Belgrade Politika”van 28 maart 1925 het volgende:

„ïk herinner mij dat op een dag, ergens eind mei of begin juni, mr. Pasitch ons mededeelde dat bepaalde personen op weg waren naar Serajevo om Franz Ferdinand te vermoorden die daar op St.Vitusdag ontvangen zou worden. Hij voegde daaraan toe dat deze criminelen tot een geheime organisatie van Bosnische studenten in Belgrado behoord en dat de minister van Buitenlandse Zaken, Protitch order had gegeven aan de autoriteiten ze aan de grens tegen te houden maar dat deze autoriteiten zelf ook tot de samenzwering behoorden en ze hadden doorgelaten waarna ze aan Belgrado gemeld hadden dat het te laat was.

Hoewel ik dus wist wat men daar aan het voorbereiden was, kreeg ik, toen ik het nieuws van de moord telefonisch doorkreeg, een enorme schok, alsof iemand me totaal onverwacht een enorme klap gaf. De meest vreselijke gedachten kwamen in mij op en het gehele weekend werd ik door angst voor de consequenties geplaagd.”

De minister-president van Servië, zijn minister van educatie en zijn minister van Buitenlandse Zaken en andere ministers, waren dus wel degelijk op de hoogte van de komende aanslag en deden niets om de aarshertog te waarschuwen. De Servische regering was derhalve wel degelijk verantwoordelijk of in elk geval medeverantwoordelijk voor de moord op de aartshertog.

Ook Seton Watson, groot verdediger van de Servische belangen en van de Groot-Servische gedachte stelde een onderzoek in. In zijn boek „Serajevo” (p.156), beschrijft hij dat hij Pasitch (toen nog steeds minister-president van Servië) onmiddellijk om opheldering vroeg. Die antwoordde dat de regering spoedig een „blue book” zou publiceren over deze kwestie. Dat „blue book” is er echter niet gekomen en Seton Watson publiceerde daarop in de London Times een artikel waarin hij schreef:

„Eight months have passed and nothing more has been heard of the Blue Book. It seems probable that the announcement was merely tactical, intended to appease the critics until the whole agitation should die down. Unfortunately , the Yougoslav Government, instead of demonstrating its innocence by a detailed statement of the facts, shrouded itself in mystery.

4) Van Rossum stelt (op blz. 13) dat het niet verlengen van het herverzekeringsverdrag met Rusland gebaseerd was op de overweging dat een oorlog met dat land op den duur zowel onvermijdelijk als noodzakelijk was en trekt dan de conclusie daaruit dat Duitsland streefde naar continentale hegemonie in Europa.

Kritiek:

De beslissing om het herverzekeringsverdrag met Rusland niet te verlengen was niet gebaseerd op de overtuiging dat oorlog met Rusland op den duur zowel onvermijdelijk als noodzakelijk was. Dat is hindsight! Caprivi, de opvolger van Bismarck moest beslissen of Duitsland dit verdrag moest gaan verlengen en besloot de keizer te adviseren dat niet te doen. Zijn reden was dat hij na bestudering van het verdrag tot de conclusie kwam dat het in strijd was met het verdrag tussen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije en tevens dat het herverzekeringsverdrag enkele geheine clausules bevatte die, zou Rusland ze openbaar maken, zeer nadelig voor Duitsland zouden uitwerken. In verband met de verslechterende verhoudingen tussen beide landen achtte hij de kans dat Rusland deze clausules zou laten ‘lekken’ niet onwaarschijnlijk.

Zo schreef Caprivi aan vorst Hohenlohe:

„Wir hätten Ruszland freie Hand in Bulgarien und Konstantinopel garantiert gegen die russische Verpflichtung in einem deutsch-französischen Kriege neutral zu bleiben”.(Reventlow.p.25)

en Holstein schreef:

Wen wir die Meerenengenklausel jetzt verlängeren, so muten wir den Russen zu, eine Tatsache geheim zu halten, die, wenn vertraulich den Engländern mitgeteilt, den Keil des Misstrauens zwischen England und Deutschland schieben würde”.(Enthoven. P.68)

Niet de beweerde onvermijdelijkheid en noodzakelijkheid maar een bewuste politieke keuze, gebaseerd op de actuele situatie en de wens van de nieuwe kanselier de Duitse politiek meer op samenwerking en goede verhoudingen met Engeland te richten, waren er de oorzaak van dat hij besloot van koers te veranderen. Indien hij van mening was geweest dat oorlog met Rusland onvermijdelijk zou zijn geweest, dan was het niet verlengen van het herverzekeringsverdrag wel de meest onlogische stap geweest die hij ooit had kunnen zetten.

5) Op blz. 14 stelt de auteur dat de Belgische neutraliteit door Engeland gegarandeerd was waardoor automatisch het von Schlieffenplan een dwingende invitatie aan Engeland werd om te gaan deelnemen aan het komende conflict.

Kritiek:

Dat is niet juist en de auteur verzuimt voorts te vermelden dat:

a) Er slechts een verdrag was gesloten waarin België verplicht werd neutraal te blijven en de ondertekenaars van dat verdrag garandeerden die neutraliteit niet te zullen schenden.

b) De ondertekenaars echter niet beloofden de Belgische neutraliteit ook gewapenderhand te zullen verdedigen en van een verplichting daartoe was dan ook geen sprake. Dat was ook de reden waarom Engeland in 1870 zowel met Frankrijk als met Duitsland aparte verdragen sloot waarin werd bepaald dat indien of Frankrijk of Duitsland de Belgische neutraliteit zouden schenden, Engeland dat niet zou accepteren en gewapenderhand zou ingrijpen.

Voorts wordt nu toch wel algemeen erkend dat de de Britse deelname aan de oorlog aan de kant van de Fransen een totaal andere reden had, nl een economische reden alsmede de angst voor een verschuiving van de machtsbalans in Europa ten nadele van de Britse positie en daarmede had het Schlieffenplan maar weinig te maken. Het was de Britse minister van Buitenlandse zaken Grey die, tegen de wil van de meeste Britse ministers en van het Britse parlement in, een politiek heeft gevoerd die uiteindelijk tot deelname van Engeland aan de oorlog heeft geleid maar het von Schlieffenplan had daar niets mee van doen.

6) Op blz 16 geeft van Rossum als verklaring voor de Britse weigering zich in een Europees conflict neutraal te zullen houden omdat dit de Duitse machtspositie enorm zou versterken.

Kritiek: Tijdens de Haldane besprekingen in 1912 werd de facto wel overeenstemming bereikt.. Overeengekomen werd dat Engeland neutraal zou blijven „ingeval van een niet door Duitsland geprovoceerde oorlog met Frankrijk in 1912” (Kraft, Lord Haldane’s zending nar Berlijn p233, Fay, vol 1, p.305), maar terug in Londen bleek dat Grey weigerde de overeenkomst te tekenenomdat hij zich reeds in het geheim en zonder medeweten van de ministerraad en het parlement gebonden had aan militaire samenwerking met Frankrijk waardoor hij de handen niet meer vrij had. Haldane was daar al bang voor geweest toen hij schreef:

„I did not go to Berlin with power to make a treaty. These affairs are to vast for that. But I went to investigate and discuss whether one could be made.

What may be possible with English public opinion in the view of the Cabinet remains to be seen. But my work up to this point has been attended with a measure of success that was neither foreseen nor expected.” (Morris.A., Radicalism against War.p.310-311)

Later beloofde Grey de Fransen dat in geval van oorlog met Duitsland, Engeland haar vloot uit de Middellandse Zee zou terugroepen en de kust van Frankrijk zou beschermen terwijl dan de Franse vloot in de Middellandse zee gestationeerd zou worden en zo geschiedde het ook in 1912 toen Engeland een marineverdrag met Frankrijk sloot. Churchill zag hierin een groot gevaar en schreef:

„From the moment that the Fleets of France and Britain were disposed in this new way our common naval interests became very important. And the moral claims which France could make upon Great britain if attacked by Germany), whatever we had stipulated to the contrary,were enormously extended. Indeed my anxiety was aroused to try to prevent the necessary recall of our ships from tying us too tightly with France and depriving us of that liberty of choice on which our power to stop a war might well depend”. (Churchill, War Memoirs, vol 1.p.112)

Gey, als Brits minister van Buitenlandse Zaken, had zijn land, zonder medeweten van het merendeel van de ministers en van het parlement, moreel reeds geheel met de Franse zaak verbonden en van het begin af aan een anti-Duits beleid gevoerd.

7) Voorts stelt van Rossum dat Engeland niets voelde voor een formele alliantie met Duitsland.

Kritiek: Maar de auteur verzuimt te vermelden dat de Britten verschillende keren wel degelijk getracht hebben tot een formele alliantie met Duitsland te komen zoals in 1897 toen Chamberlain aan von Bülow voorstelde een geheim verdrag van wederzijdse bijstand te sluiten (Gp.XIV p.199-202) en na de Boerenoorlog toen keizer Wilhelm en zijn rijkskanselier von Bülow een bezoek brachten aan Londen.en de Britse minister van Koloniën wederom een poging deed en op 30 november 1899 zelfs bekend maakte dat er een detente met Duitsland was en er kans was op een nieuwe triple entente tussen Engeland, Duitsland en de USA. (Gooch, Before the War, Vol 1.p.221)

8) Van Rossum stelt verder dat de mislukking van het Duitse vlootbouwprogramma het gevolg was van de Frans-Britse samenwerking ter zee.

Kritiek: De Frans-Britse samenwerking ter zee had niets maar dan ook niets te maken met de mislukking van het Duitse vlootbouwprogramma. Veranderende inzichten bij de Duitse politieke leiding en het feit dat het programma financieel niet meer vol te houden was waren de juiste redenen waarom het vlootbouwprogramma werd beëindigd en er de voorkeur aan werd gegeven de achterstand bij de landstrijdkrachten weer voorrang te geven.(Fischer,F., Germany’s Aims in the First World War, p.19,20 noot 1, Jarausch,K., The Enigmatic Chancellor…p.96, Berghahn,V., Germany and the Approach of War in 1914,p,141.)

9) De Duitse angst voor omsingeling (einkreisung) acht hij een obsessie die op niets gebaseerd was (blz. 18) en hij stelt dan vast dat als de Duitsers maar ijverig doorgewerkt en rustig afgewacht hadden, hun economische succes vanzelf op vredige wijze geleid zou hebben tot die Europese hegemonie (blz. 19)

Kritiek: Dat is toch nergens op gebaseerd. Ze werden in dat vreedzame streven toch overal tegengewerkt! En voorts; zelfs Duitslands tegenstrevers dachten over de Duitse angst voor omsingeling toch echt anders en gaven de Duitse leiding volstrekt gelijk in hun bezorgdheid. Zo schreef Sir Arthur Nicolson, de Britse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in maart 1914 dat:

„Duitsland wel bevreesd moest zijn voor de mogelijkheid, ja zelfs de waarschijnlijkheid, dat ze zich binnen niet al te lange tijd volledig geïsoleerd- en in een kritieke situatie zou bevinden”.(Koch, The Origins of the First World War , p.193)

George Buchanan, de Britse ambassadeur in Rusland legde een duidelijk verband tussen de Duitse verwachting dat haar politieke invloed in Europa zou afnemen en de onweerstaanbare groei van de Russische militaire macht. Op 19 maart schreef hij aan genoemde Nicolson dat Duitsland ondanks de vehoging van haar recente legerbegroting, binnen drie jaar in een kritieke situatie terecht zou komen. Hij schreef:

„Als ze hun legerbegroting nog verder verhogen dan zal Rusland daar bovenuit gaan en deze race kan Duitsland niet winnen. Kan Duitsland zich echter nog wel veroorloven om te wachten tot Rusland de dominante macht in Europa is geworden of zal ze toeslaan zolang er voor haar nog een mogelijkheid tot overwinning is” ? (idem.p.142)

Sir Henry Wilson, toenmalig Chief Operations van de Britse generale staf schreef, nadat hij een rapport ontving over de groei van de Russische strijdkrachten:

„Het is gemakkelijk te begrijpen waarom Duitsland zo bevreesd is voor de toekomst en waarom ze denkt dat er sprake is van een ‘nu of nooit’ situatie”. (idem)

10) Volgens de auteur dachten de politieke en militaire elite van Duitsland helemaal niet in termen van vreedzame economische competitie maar werden ze slechts gestuurd door strikt militair strategische overwegingen.

Kritiek: Ook hier lijkt een persoonlijke mening weer te prevaleren boven de werkelijke situatie. Het is juist dat de militaire leiding van Duitsland een preventieve oorlog voorstond om redenen van militair strategische aard. De politieke leiding daarentegen met keizer Wilhelm II aan het hoofd was tot het allerlaatst tegen oorlog en heeft zich hier ook daadwerkelijk zo lang mogelijk tegen verzet.. Wilhelm II sprak zich herhaaldelijk uit tegen oorlog, hij was er tegen en tijdens bijvoorbeeld de beide Marokkocrises maar ook tijdens andere gebeurtenissen bewees hij dat ook. (Wolff,T., Das Vorspiel, p.157, GP, XXIV,8282, Enthoven,p.119)

11) Op p.20 komt de auteur dan tot de vaststelling dat om die hegemonie te bereiken de Duitse leiding bereid was een oorlog te riskeren.

Kritiek: Om een oorlog te riskeren teneinde de hegemonie in Europa te bereiken is nooit het doel van de Duitse politieke leiding geweest. De Duitse buitenlandse politiek was niet altijd evenwichtig en verstandig, soms kwam ze agressief over maar zowel Wilhelm als zijn kanselier Bethmann Hollweg waren tegen oorlog en streefden naar economische expansie op vreedzame wijze. Het is onmogelijk om het gehele proces voorafgaande aan de Duitse beslissing over te gaan tot de inval in België hier in een paar zinnen neer te zetten maar ook in dit geval is de stelling van de auteur op niets gebaseerd en maakt hij dat ook op geen enkele manier hard.

12) Eveneens op blz. 20 meent hij dan dat alles voorkomen had kunnen worden als Duitsland maar geluisterd zou hebben naar de bemiddelingsvoorstellen van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken , Edward Grey.

Kritiek: Het wordt vrij eentonig maar ook dit is geen juiste voorstelling van zaken.

Op 20 juli deed Grey zijn eerste bemiddelings voorstel. Dit overigens logische voorstel werd met kracht van de hand gewezen, niet door Duitsland, maar door Poincaré, de Franse president welke, zodra hij het hoorde, onmiddellijk telegrafeerde dat hij het voorgestelde gesprek tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije zeer gevaarlijk achtte en afwees.(Buchanan to Grey, July 22, B.D. 76, Fay. Vol.2, p.365)

Tussen 24 en 25 juli zond Grey zijn tweede bemiddelingsvoorstel, ditmaal aan St.Petersburg. Hij stelde daarin voor dat Engeland, Frankrijk, Italië en Duitsland samen een bemiddelingspoging zouden ondernemen. Dit voorstel echter werd wederom verworpen, wederom niet door Duitsland (BD.145)maar ditmaal door St.Petersburg. en Frankrijk (Grey to Buchanan, July 25, Fay. Vol.2 p.376) Duitsland accepteerde het voorstel (ibid)

Het is echter maar de vraag hoe serieus het voorstel van Grey is geweest want op diezelfde dag (25 juli), de dag dat de Russische regering het besluit nam te gaan mobiliseren) produceerde zijn ministerie een memorandum waarin te lezen stond:

„The moment has passed when it might have been possible to list French support in an effort to hold back Russia. It is clear that France and Russia are decided to accept the challenge thrown out to them. What ever we may think of the merits of the Austrian charges against Serbia, France and Russia consider that these are the pretext and that the bigger cause of Triple Alliance versus Triple Enente is defenitively engaged…..I think it would be impossible, not to say dangerous for England to attempt to controvert this opinion or to endeavour to obscure the plain issue by any representation at St.Petersburg and Paris….Our interssts are tied up with those of France and Russia in this struggle, which is not for the posession of Serbia, but one beween Germany aiming at the dictatorship in Europe, and the Powers who desire to retain individual freedom”.(B.D. 101)

Op 25 juli vernam Grey dat de tsaar de mobilisatie had goedgekeurd en wist hij dat de oorlog niet meer tegen te houden zou zijn.

Zijn voorstel van 26 juli was dan ook merkwaardig. Hij stelde een conferentie voor van ambassadeurs. Dat kwam neer op het vormen van een tribunaal van Engeland, Frankrijk en Italië, drie landen die niet echt vriendelijk Duits gezind waren, tegen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. De uitkomst van zo’n tribunaal mag duidelijk zijn en het is dus niet zo onlogisch dat het ditmaal Duitsland was dat weigerde.

Grey’s bemiddelingsvoorstellen bleken steeds voor een van de partijen niet acceptabel en dus vanaf het begin weinig kans te maken.

Op 28 juli liet Grey weten dat hij het eerder reeds door Duitsland geaccepteerde voorstel tot rechtstreekse besprekingen tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije nu ondersteunde en dat het beter was dan zijn eigen voorstel tot het houden van een ambassadeursconferentie. Maar hij wist dat juist dat voorstel al door de Franse president was afgewezen. Op 29 juli adviseerde Grey Oostenrijk-Hongarije nu om Belgrado dan maar te bezetten maar dan haar militaire acties te staken om zodoende de grootmachten in de gelegenheid te stellen tussen beide landen te bemiddelen.(Barnes p.203-218) Dat was nu precies het advies dat Duitsland op de 28e juli had gegeven toen het werd afgewezen.

De bemiddelingsvoorstellen van Grey zijn derhalve zeer discutabel en het is ook onjuist te beweren dat Duitsland die voorstellen steeds heeft gesaboteerd.

13) Op blz. 21 stelt van Rossum vast dat Rusland zeker bereid was geweest om een flinke corrigerende tik voor Servië te accepteren maar een militaire vernietiging van Servië onaanvaardbaar achtte.


Kritiek:
Als dat juist was geweest dan was er geen oorlog ontstaan want de Oostenrijk-Hongaarse regering had reeds verklaard geen territoriale eisen te hebben en dat het zich na haar ‘politionele’ actie weer uit Servië zou terugtrekken.

Dat dit ook inderdaad de bedoeling is geweest blijkt uit de ministerraadvergadering van 14 juli 1914 waarin door de voltallige ministerraad bepaald werd dat, met uitzondering van enkele kleine grenscorrecties, geen Servisch territorium blijvend bezet zou worden. Hiermede werd Russisch ingrijpen onnodig. (Fay,vol.2, p.239-240)

14) De auteur geeft als zijn mening dat de Russen op 30 juli tot de algemene mobilisatie besloten maar daarmede geen signaal afgaven bereid te zijn tot een grote oorlog, maar dat deze mobilisatie slechts gezien mocht worden als een poging Oostenrijk-Hongarije onder druk te zetten.

Kitiek: Een onjuiste vaststelling. De Russische algemene mobilisatie was integendeel de meest beslissende oorlogsdaad.

Het was tijdens de besprekingen voorafgaand aan het sluiten van de geheime militaire conventie tussen Frankrijk en Rusland, dat de Russische generaal Obruchev aan zijn minister van oorlog een nota schreef waarin hij stelde dat:

Succes op het slagveld is afhankelijk van wie het snelst de grootste hoeveelheid manschappen op het slagveld kan brengen. Derhalve kan mobilisatie niet langer gezien worden als een handeling om de vrede te bewaren maar moet ze integendeel beschouwd worden als de meest duidelijke oorlogsdaad. Mobilisatie is het begin van de feitelijke oorlogshandelingen en zodra tot mobilisatie is besloten zullen diplomatieke activiteiten uitgesloten moeten worden. De minister moet zich dan ook realiseren dat, gezien de huidige spanningsvelden in Europa, het onmogelijk zal zijn de oorlog op het continent nog gelokaliseerd te houden.”( Kennan,G.F., p182, Fay I, p.120, Doc.de Lálliance Franco Russe. P.56)

De Franse generaal Boisdeffre vertelde de tsaar o.a „mobilisatie is het zelfde als een oorlogsverklaring”. (Kennan.p 182, DDF.nr 461, p.672-682)

En tsaar Nicolas liet dan ook op 11 april 1912 een order uitgaan waarin we lezen:

Het telegrafisch bevel tot uitvoering van de mobilisatie in de Europese militaire districten wegens politieke verwikkelingen aan de westgrenzen, moet tegelijk als bevel tot de opening der vijandelijkheden tegen Duitsland en Oostenrijk worden opgevat”.(Frantz.S., p.236, Snijder & Duffour, p.24)

Met andere woorden, het bevel tot de algemene mobilisatie van Rusland moet beschouwd worden als een oorlogsverklaring en niet als een signaal om Oostenrijk slechts onder druk te zetten.

De Nederlandse opperbevelhebber generaal Snijders schreef destijds in zijn boek ‘De mobilisatiën der grote mogendheden’:

„algemeen heeft het denkbeeld gegolden dat als de regering van een grote mogendheid de algemene mobilisatie afkondigt, dit oorlog betekent”.

15) Als argument voor de gedachte dat Rusland met de mobilisatie niet aantoonde dat het bereid was een grote oorlog te gaan voeren, voert hij dan aan; ” het zou immers nog vele weken duren voordat de Russische mobilisatie voltooid zou zijn!”.

Kitiek: Er was geen sprake van vele weken ! Dat had Duitsland misschien wel gehoopt maar het is inmiddels toch al lang bekend dat de Russen reeds gereed waren en binnen 14 dagen mobiliseerden en direct ook tot de aanval overgingen! Die snelle Russische mobilisatietijd tastte nu juist het hele von Schlieffenplan tot in de wortel aan en dat was ook de bedoeling zoals uit de notulen van de besprekingen tussen de Franse en Russische generale staven is gebleken. (zie ook Dobrorolski)

16) Op blz. 21 vraagt hij zich vol onbegrip af waarom Duitsland de oorlog aan Frankrijk verklaarde en België binnenviel; „Frankrijk noch België hadden toch ook maar iets te maken met de ververwijderde Balkancrisis?” roept hij uit.

Kritiek: Het valt moeilijk om op dit soort vragen serieus in te gaan. Kent de auteur dan de bedoeling en de inhoud van de Frans-Russische conventie van 1894 dan niet?

17) Op blz. 22 zegt de auteur dat Wilhelm II en zijn rijkskanselier op het laatste moment nog aarzelden of Servië wel een oorlog waard was maar zo meldt hij dan; „Die aarzelingen op de rand van de afgrond werden door de militaire leiding gedecideerd vermorzeld.”

Kritiek: Inderdaadaarzelden Wilhelm en zijn kanselier of Servië wel een oorlog waard was maar dat de militairen die aarzeling gedecideerd zouden hebben vermorzeld, is weer een van die stellingen die misschien wel een persoonlijke voorkeur van de aueur aangeven maar die voorbij gaan aan het feit dat de militaire leiding niets vermorzelde omdat er niets te vermorzelen viel. Von Moltke kreeg op een gegeven moment zelfs opdracht om de opmars naar Luxemburg af te blazen en alleen nog tegen Rusland op te trekken waarop de man prompt een zenuwinzinking kreeg waarvan hij nimmer is hersteld. Als er op dat moment al iets vermorzeld werd, dan was het de geestkracht van de militaire leiding i.c. von Moltke maar het was Wilhelm en zijn kanselier die de baas waren en niet de legerleiding.

Als van Rossum nu gesteld had dat de Tsaar op het laatste moment aarzelde maar dat die aarzeling door zijn militaire staf werd vermorzeld dan had hij volstrekt gelijk. De druk op de Tsaar was enorm zoals uit zijn eigen telegram aan Wilhelm II wel blijkt ;

Op 29 juli antwoordde de tsaar verheugd te zijn over Wilhelms aanbod tot bemiddeling en hij verzocht de keizer alles te doen om Oostenrijk-Hongarije van een aanval op Servië te weerhouden. Hij deelde mede dat de druk van de militairen op hem zeer groot was en dat hij vreesde spoedig aan die druk te zullen moeten toegeven en dan maatregelen zou moeten nemen die tot oorlog zouden leiden. (telegram tsaar aan Wilhelm II 29 juli 1914 te 0100 pm)

Dat vermeldt van Rossum helaas niet.

18) Op die zelfde pagina komt van Rossum tot de conclusie dat het uitbreken van de oorlog helemaal niet onvermijdelijk is geweest maar dat de hoofdschuldige aan het conflict toch echt Duitsland is geweest.

Kritiek: een achterhaalde stelling die o.i. zo langzamerhand geen toelichting meer behoeft.

 

19) Van Rossusm zegt dan dat de bewering dat het alliantiesysteem een conflict welhaast onvermijdelijk maakte, onzin was.

Kritiek: Ook hier onderbouwt hij deze bewering nergens en hij kan dat ook niet want niet
de bewering dat het alliantiesysteem een conflict welhaast onvermijdelijk maakte was onzin maar de bewering dat dit onzin zou zijn is onzin!

20) Hij stelt voorts op blz. 23 vast dat het feit dat de Russische mobilisatie binnen enkele dagen tot oorlog leidde, aan het von Schlieffenplan lag. Immers geen van de ententemogendheden wilde oorlog!

Kritiek: Wij adviseren de auteur nog eens goed te kijken naar het door ons onder punt 16 en 17 gestelde over de Russische mobilisatie, de bedoeling daarvan en de order van de tsaar van 11 april 1912 luidende

„Het telegrafisch bevel tot uitvoering van de mobilisatie in de Europese militaire districten egens politieke verwikkelingen aan de westgrenzen, moet tegelijk als bevel tot de opening der vijandelijkheden tegen Duitsland en Oostenrijk worden opgevat”.

Verder zou van Rossum er goed aan doen nog eens de diplomatieke handelingen tussen Frankrijk, Rusland en Engeland er op na te slaan gedurende de jaren vanaf het moment dat Grey minister van Buitenlandse Zaken werd en Poincaré president van Frankrijk. Dan zal hij ook de bewering dat geen van de ententemogendheden oorlog wilde niet langer kunnen volhouden.

Conclusie:

Het is jammer dat een historicus van de statuur van van Rossum die toch zijn sporen op historisch gebied zeker heeft verdiend, zich in dit boek zo nonchalant en met zo weinig kennis van zaken afmaakt van de geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog.

Juist iemand die een belangrijke functie bekleedt in het academisch onderwijs zou toch voorzichtiger moeten zijn bij het uiten van beweringen die niet door feiten worden onderbouwd maar die door de jeugdige student mogelijk voor waarheid worden aangenomen. Zo houdt hij de mythe in stand en dat kan toch niet de bedoeling zijn van een serieus historicus? Ook het afwezig zijn van enige bronvermelding alsmede de uiterst beperkte bibliografie maakt de geloofwaardigheid van e.e.a. er bepaald niet beter op. Het is te hopen dat de inhoud van zijn colleges niet van het zelfde niveau zijn als het eerste deel van zijn boek „Drie Oorlogen”.

Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog

J.H.J. Andriessen

overzicht: