1916, week 52 Over vrede voetbal en nog wat

Voetbal en oorlog zijn in de geschiedenis onlosmakelijk met elkaar verbonden. De reactie van de Nederlandsche Voetbalbond op de vredesvoorstellen van president Woodrow Wilson in december 1916, vielen niet bij iedereen in goede aarde. De kritiek van De Telegraaf richtte zich op het feit dat de Nederlandse sportbonden en -verenigingen in de voorgaande jaren zo afzijdig was geweest en geen medeleven had getoond met de voetballende zuiderburen.

Van de 7256 bonden en vereenigingen, die Nederland rijk is, hebben ongeveer dertien aan president Wilson geseind, dat zijn stap tot vredesbemiddeling hun goedkeuring wegdraagt. Wij ontvingen bezoek van een der vrienden van het voetbal, wier bond ook tot de dertien behoort. Onze bezoeker bleek met het geval een weinig verlegen. „Ik ben natuurlijk,” zei hij, „geen minder warm voorstander van den vrede dan president Wilson, al was het alleen maar, omdat het leder zoo geweldig duur is, maar er is iets, dat mij hindert.

Voor zoover ik weet, is dit de eerste maal, dat de Nederlandsche Voetbalbond een openbaar getuigenis aflegt met betrekking tot den oorlog. Niemand zal meenen, dat deze bond in de eerste plaats tot het uitbrengen van zulk een getuigenis geroepen was. Maar nu het is gebeurd, nu vraagt men zich af, waarom ditmaal wel en niet eerder en dan moeten de gedachten van iederen voetballer gaan naar België. Hoe dikwijls zijn wij gastvrij ontvangen in Antwerpen en elders? Hoe dikwijls is ons elftal daar gehuldigd met die gulle hartelijkheid, die de Belgische vrienden zoo goed stond en nu zijn er ook van onze voetbalmakkers naar Duitschland in de slavernij gevoerd met duizenden hunner landgenooten. Wij verroerden geen vin. Hadden wij niet beter gedaan het oordeel over het voorstel-Wilson dan ook maar aan de Belgen over te laten.”

Wij konden ons zeer wel in deze gevoelens verplaatsen, maar hadden toch eenigen troost voor den mismoedigen voetballer. Al deze telegrammen aan Wilson gaan immers alleen uit van de besturen der bonden en vereenigingen. Geen enkel hunner beeft het noodig geoordeeld eerst zijn leden te raadplegen. Waartoe zou dat dienen? Zoo hebben die besturen blijkbaar gedacht. Het spreekt, immers vanzelf, dat onze leden voor den vrede zijn.
Welnu, juist daarom hebben deze betoogingen in ons oog maar weinig waarde. Het zijn niets dan de eenigszins onbenullige uitlatingen van de Vereinsmeiers van Nederland. Nauwelijks hooren deze het woord „vrede” of ze gaan met de witte vlag zwaaien zonder zich af te vragen of Wilson’s stap den waren en duurzamen vrede zal bevorderen, die de vrijheid en het recht zal doen zegevieren.
Het zijn niet de afschaffers en de Christelijke onderwijzers, de voetballers en de mannen der staatspensionneering, die aan president Wilson hebben geseind, maar slechts hunne besturen. Eenige dozijnen heeren van het officieels Nederland, die als kuddetjes den Anti-Oorlogsraad achterna geloopen zijn.

Waarom al deze menschen over de mishandeling van België hardnekkig hebben gezwegen? Wij herinneren ons hier het woord uit den mond van een der hoogstgeplaatste Nederlanders bij den inval der Duitschers in België, toen ‘t officieele Nederland even welsprekend zweeg als nu: „Zeg maar gerust omdat wij een troep lafbekken zijn.” Dat was een hard woord maar het is thans nog even verdiend als het toen was. Over België’s lijden zwijgt men uit lafhartigheid, uit dien onbestemden angst voor Duitschland, die de regeering en vele kranten hier van den aanvang af hebben aangewakkerd.

Gelukkig is er ook nog een ander Nederland, daartoe behooren de 3500 mannen en vrouwen, die gehoor gaven aan den oproep van den Raad van Neutrale Landen en zich in ongeveer 90 zelfstandige adressen tot de regeering hebben gewend om haar aan te sporen tot een gemeenschappelijken stap der neutralen tegen de deportaties het initiatief te nemen. Die adressanten hebben persoonlijk moeite moeten doen en daarom beteekent het slagen dezer adresbeweging voor ons meer dan alle telegrammen aan Wilson samen. Het besef, de eer van Nederland op dit stuk te hebben gehandhaafd, moge dezen mannen en vrouwen tot voldoening strekken.

Het is mogelijk, dat de regeering die adressen naast zich neerlegt: datzelfde deed de Tweede Kamer met het duurteadres haar voor ettelijke maanden door het dagblad „De Courant” toegezonden en dat 45.000 onderteekeningen droeg. Op zulke stemmen uit het volk wordt in Nederland weinig acht geslagen. Een antwoord worden zij niet waardig gekeurd. Regeering en Kamer vertegenwoordigen immers zelf den volkswil. Wat heeft het volk zich dan nog verder te uiten en in denzelfden geest is het, dat de Vrijzinnig-Democratische Bond een telegram naar Washington zendt, maar op zijn brochure over de duurte nog altijd laat wachten en zich zoo min als eenige andere politieke vereeniging iets van het lot van België heeft aangetrokken.

Is het eenmaal vrede dan zal ook het Nederlandsche volk aan een gevoel van katterigheid niet ontsnappen en voor sommige leiders zal loontje dan om zijn boontje komen.

Bron: De Telegraaf, 31 december 1916

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl

overzicht: