1916, week 39 Het (Engelse) schoolkind en de oorlog

In Groot-Brittannië verscheen een zorgwekkend rapport over de gezondheid van de Britse kinderen tijdens de oorlog. Omdat veel vaders waren uitgezonden naar het front en veel moeders werden ingezet in de (munitie- en wapen)fabrieken, werden ook veel kinderen ingezet om te werken op het land of in de fabrieken. Uiteraard hield het ministerie toezicht op ongeoorloofde kinderarbeid, maar veel ouders en plaatselijke autoriteiten lapten de regels aan hun laars, in het belang van de inkomsten van het gezin en de plaatselijke economie. Dit alles ging uiteraard ten koste van goed onderwijs. Daarnaast liet ook de voeding van de schoolkinderen ernstig te wensen over.

Over het verslag van den gezondheidsdienst bij het Engelsche Ministerie van Onderwijs, waarop Vrijdagavond reeds in een „Van Dag tot Dag” werd gewezen, schrijft onze Londensche correspondent nog het volgende:
Ik zal er mij toe bepalen uit het verslag enkele mededeelingen te geven omtrent de voeding van schoolkinderen gedurende den oorlog en den arbeid door school-gaande kinderen sedert het uitbreken van den oorlog verricht. Wat de voeding op school betreft bevestigt het verslag ten volle hetgeen eenigen tijd geleden de toenmalige Minister van Onderwijs mij in een interview mededeelde, n.l. dat deze sedert het begin van 1915 belangrijk verminderd is.

Het hoofd van den hygiënischen dienst schrijft, dat het medisch toezicht tot de wetenschap was gekomen dat gemiddeld 10 % der schoolgaande kinderen te lijden hebben onder onvoldoende voeding en dus gevoed moeten worden, door wie dan ook, wil het eenig nut kunnen hebben hun onderwijs te geven.

Vóór het uitbreken van den oorlog ontvingen niet minder dan 195.000 der kinderen, die de openbare lagere scholen in Engeland en Wales bezochten, dagelijks een maal eten. Sedert December 1914 begon dit getal af te nemen en in de week, eindigende 22 Juli 1916, was het aantal niet meer dan 22.615. De oorzaak daarvan is te zoeken in het feit dat vele vaders der kinderen in militairen dienst gingen, waardoor hun vrouwen en kinderen recht kregen op geldelijken onderstand van rijkswege, en anderzins doordat de loonen overal aanmerkelijk waren gestegen. In het jaar 1913/14 werden gevoed 156,531 kinderen, die kregen 14,525,593 maaltijden; in 1914/15 waren die cijfers repectievelijk 422,401 en 29,560,316 en in 1915/16 117,863 en 9,914,095, en terwijl in 1914/15 de gemiddelde prijs voor elken maaltijd was 1.16 stuiver, was die in 1914/15 1.51 stuiver en in 1915/16 gestegen tot 2.29 stuiver, verband houdende natuurlijk met het in prijs omhoog gaan van alle levensmiddelen, zoodat de totale kosten van al die maaltijden in de drie genoemde jaren repectievelijk bedroegen 150,000, 310,000 en 170,000 pond sterling.

Wanneer wij nu naslaan welken invloed de oorlog gehad heeft op het schoolbezoek en den kinder-arbeid, dan lezen wij dat in het najaar van 1914 de commissies, die arbeid poogden te verschaffen aan jeugdige personen, de grootste moeite hadden voor kinderen passenden arbeid te vinden, doch al heel spoedig keerde het blaadje en was het onmogelijk aan alle aanvragen van hen, die jeugdigen personen arbeid konden geven, te voldoen. Immers, de snelheid, waarmede mannen werkzaam in het landbouw-bedrijf en bij handels- en nijverheidsondernemingen, aan hun arbeid werden onttrokken, en de groote vraag naar werkkrachten in de ammunitie-fabrieken, was oorzaak, dat niet alleen de arbeid gevraagd werd van kinderen, die van onderwijs mochten worden vrijgesteld, doch ook van diegenen, die wettelijk nog een of twee jaren de school hadden te bezoeken.

In vele gedeelten des lands waren de plaatselijke autoriteiten vaak te gul met het toestaan van uitzonderings-bepalingen, waardoor schoolgaande kinderen aan het onderwijs mochten worden onttrokken om op het land werk te gaan verrichten, en vaak moest het ministerie van Onderwijs handelend optreden om te voorkomen, dat van de aan de plaatselijke autoriteiten toegestane vrijheid misbruik werd gemaakt.
Het verslag van den hygiënischen dienst zegt dan ook, dat op dit oogenblik door véél meer kinderen arbeid wordt verricht dan gedurende 1915 het geval is geweest, doch er zijn geen juiste cijfers te geven omtrent het aantal kinderen, dat de sohool verliet om arbeid te gaan geven.

Gemiddeld verlaten ongeveer 450.000 kinderen van 14-jarigen leeftijd de lagere school, doch gedurende de laatste 18 maanden heeft zeker een abnormaal hooger aantal zulks gedaan. Ook het aantal kinderen tusschen den 12- en 15-jarigen leeftijd, dat aan de schoolbanken onttrokken werd, om op het land te arbeiden, is beslist zéér groot geweest, en het verslag betreurt het vooral, dat sommige plaatselijke autoriteiten vergunning voor landarbeid gaven voor kinderen onder den 12-jarigen leeftijd.

„Het is hoogst twijfelachtig”, zegt het verslag, „of kinderen van dien leeftijd, die toestemming kregen om op het land te gaan arbeiden, ooit weder naar school terug zullen keeren — zeker zullen zij daar niet terugkomen voor langen tijd, en het is betreurenswaardig èn voor die kinderen zelven èn voor het algemeen belang van den Staat en van den landbouw, dat zulks het geval zal zijn. Het zou een ernstige ramp wezen, wanneer in landbouwdistricten een groot aantal kinderen onder den 12-jarigen leeftijd voorgoed hun onderwijs afgebroken zagen.
Het Ministerie van Onderwijs heeft dan ook als zijn meening uitgesproken, dat bijaldien de mannen in die districten en de vrouwen in Engeland in ‘t algemeen, zich meer aan landbouw-arbeid wijdden, de opoffering van kinderen van zoo jeugdigen leeftijd onnoodig zou wezen.”

De onttrekking van kinderen aan de school ten bate van de nijverheid is niet zóó beduidend geweest. In vele nijverheids-districten hadden de plaatselijke autoriteiten gevraagd toe te staan, dat knapen van 13-jarigen leeftijd de school zouden mogen verlaten om in fabrieken en werkplaatsen dienst te doen. Wanneer die toestemming gegeven werd, stelde het Ministerie van Onderwijs echter als voorwaarde, dat de arbeid, door die jongens te verrichten, in verhouding moest staan tot hun lichamelijke gesteldheid en zij werden daarom éérst geneeskundig onderzocht, en door den dokter beslist of zij geschikt waren den arbeid te praesteeren, welke men in de werkplaatsen van hen zou vorderen.

Bron: Algemeen Handelsblad, 25 september 1916

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl

overzicht: