1916, week 30 Militaire klachten

Het Nederlandse leger was dan weliswaar niet in oorlog en het ging er hier dan ook een stuk rustiger aan toe dan bij de oorlogvoerende buitenlandse collega-soldaten aan de fronten. Maar dat wil niet zeggen alles van een leien dakje ging in het Nederlandse leger. Er waren klachten over verspilling van het overgebleven voedsel, de lengte van het haar van de soldaten en over het vele ongedierte op de slaapplekken van de soldaten.

Men schrijft ons uit Arnhem: Een bataljon is sinds bijna een maand gelegerd op ongeveer een half uur afstand van de stad. Nu bestaat er een order, dat het overgeschoten eten moet geworpen worden in een spoelington. Deze wordt door een dichtbijwonenden boer, voor, als ik mij niet vergis, een gulden daags weggehaald. Vele vrouwen en kinderen komen elken dag uit Arnhem met een emmertje, om iets van dat eten mee te krijgen, wat dan door de jongens altijd werd gegeven. Dit werd dan ook altijd door officieren van den dag en schildwachten oogluikend toegelaten. Maar de boer werd ontevreden en beklaagde zich bij den officier van den dag. Deze moest ingrijpen, want de kapitein van de week stond in de nabijheid. Alle vrouwen en kinderen werden toen weggejaagd, tot groote ontevredenheid van de manschappen. Zou het nu niet beter zijn, vroeg ons een van de soldaten, als dat eten werd verstrekt aan die arme menschen, wijl er zooveel honger wordt geleden in Arnhem, dan het als beestenvoer te gebruiken, tot groot profijt van den boer?

Men schrijft ons uit Haarlem: Onze nieuwe kompagnieskommandant had een order gegeven, waarbij het aan de manschappen verboden was, om hun haar langer dan 3 m.m. te dragen. Nu was dit tot op heden, bij ons bataljon nog niet bekend; het is dus blijkbaar geen bataljonsorder. Donderdag is er inspektie geweest en de meesten hadden eenvoudig hun haar laten inkorten. Dat was blijkbaar niet voldoende, wand er werd bekend gemaakt, dat de kompagnie verstoken was van gunsten, zoolang men niet aan het bevel der 3 m.m. had voldaan. Dat beteekent dus voor ieder: geen avondpermissie en geen 24 uur verlof Zondags. Dat de goede geest niet bevorderd wordt, als men, na 1½ jaar aan de grenzen te zijn geweest, zich zijn eenigste gunsten ontnomen ziet, is duidelijk.

Men schrijft ons uit Woudenberg: Donderdagmiddag werd hier in Scherpenzeel ingekwartierd een bataljon jagers voor een nacht, om dan weer verder te gaan naar de Harskamp. Hiervan moesten er 100 man slapen in een schuur van Joh. Schimmel onder Woudenberg. Enkele dagen gelden was hier ook inkwartiering geweest en ook in die schuur. Toen hebben die manschappen den geheelen nacht er niet kunnen slapen van de stank en het ongedierte uit de hooizolder. Ofschoon het voldoende bekend was, moesten deze menschen er weer in. Toen het tijd van slapen werd, werd men gewaar in welk een verblijf men vertoefde. Al heel spoedig hadden er enkele de bulten op hun lichaam van het ongedierte; aan slapen was niet te denken. De manschappen kwamen allen naar buiten en gaven hun toestand te kennen. Al heel spoedig was er een massa burgers op den been, die volkomen instemden met de soldaten. Dit scheen den hoogen oomes te ver te gaan, waarop de wacht in ’t geweer moest komen om de burgers uit elkander te jagen. De soldaten werden als beesten de schuur ingedreven, maar van slapen kwam natuurlijk niets. Dit heeft zoo voort geduurd tot over middennacht, waarop de dokter verscheen en het kwartier afkeurde. Omstreeks één uur moesten de soldaten nog aan ’t werk om nieuw kwartier in orde te maken, wat spoedig gevonden was met behulp van een paar ingezetenen van Scherpenzeel, die te middernacht nog koffie voor die manschappen zetten. Hierna keerde de rust terug.

Is het niet treurig dat zulke menschen na marschen van 30 à 40 kilometer zulke nachten moeten doormaken. Dat van hoogerhand toch eens een einde gemaakt worde aan zulke toestanden.

Bron: Het Volk, 1 augustus 1916

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl

overzicht: