1916, week 29 Engeland en de Nederlandsche visscherij

De handel in Nederlandse vis naar Duitsland gedurende de oorlog was de Engelsen een doorn in het oog. Circa 90 procent van de Nederlandse haring werd verhandeld naar Duitsland. De Britten zochten naar middelen om de Nederlandse handel aan banden te leggen, zoals een beschuldiging van het vissen in verboden wateren.

Door het officieuze Engelsche Reuter-bureau wordt het volgende uit Londen geseind: Reuter verneemt, dat de uitgebreide mate, waarin de Nederlandsche visscherijvloot er toe heeft bijgedragen Duitschland van voorraden te voorzien, sinds eenigen tijd ernstig de aandacht van de Britsche regeering heeft getrokken. Het is bekend, dat ongeveer 90 pCt. van de haringen en een aanzienlijk deel van de andere visch, welke door Hollandsche visschervaartuigen gevangen is, rechtstreeks aan Duitsche handelaren is verkocht.

 

De Britse regeering heeft het derhalve noodzakelijk gevonden een aantal Hollandsche visschersvaartuigen voor het Prijzenhof te brengen en heeft ook een aantal aangehouden, wegens het visschen in verboden wateren, een praktijk welke door Hollandsche visschers voortdurend toegepast werd, niettegenstaande de door de eigen regeering gegeven waarschuwingen.

 

Het wordt door de Britsche regeering erkend dat door deze handelwijze, eenig ongerief wordt veroorzaakt en zij heeft haar bereidwilligheid te kennen gegeven, om met vertegenwoordigers van belanghebbenden bij de Nederlandsche visscherij te konfereeren, ten einde de middelen te beramen, om wijziging te brengen in den toestand.

Bron: Het Volk – 25 juli 1916

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl

overzicht: