1915, week 33 Wat men in Duitschland voor de verminkten doet

De gruwelen van de Eerste Wereldoorlog zorgden wel voor een snelle ontwikkeling van protheses en plastische chirurgie. Met allerlei praktische en technische toepassingen kregen verminkte soldaten een nieuwe kans in het leven. Allemaal onder het motto „Gij zijt niet invalide wanneer gij het niet wilt”. De Tijd geeft een inkijkje in de hernieuwde mogelijkheden voor de Duitse oorlogsinvaliden.

Een medewerker te Berlijn schrijft ons: Hoofdzaak van het onderwijs aan verminkten in Duitschland is, dezen in te prenten, dat zij door de ontwikkeling hunner wilskracht ieder lichamelijk gebrek kunnen leeren overwinnen. Precentsgewijs zal het aantal verminkten, dat na dezen oorlog niet meer in staat is het vroeger beroep uit te oefenen, niet zoo groot wezen, als men wel denkt. Reeds wordt bij het eerste verband en de wondbehandeling alles in het werk gesteld om te verhinderen, dat de gewrichten stijf worden en is dit toch het geval, dan doet een verdere behandeling met massage, verhitte lucht, electriciteit en gymnastiek in speciale inrichtingen vaak nog wonderen.

Reeds in de lazaretten wordt het telkens en telkens herhaald tot de gewonden: ‘Gij zijt niet invalide wanneer gij het niet wilt.’ Een linkshandig onderwijzer leert de menschen, die hun rechter arm of hand verloren hebben met de linker te schrijven, allerlei knutselwerkjes worden met één hand geprobeerd, de mannen wennen er aan zich te wasschen, aan te kleeden en zelf te eten. Een Berlijnsche tandarts heeft zelfs een instrument uitgevonden waarmede een man, die beide armen heeft verloren kan schrijven door het tusschen zijn tanden te nemen. Voor de geamputeerde ledematen moet een vervanger gevonden. Dit bestaat niet in een kunstarm, die er zoo natuurgetrouw mogelijk uitziet, want daarmee zou de man in de meeste gevallen niet veel kunnen beginnen. Wel krijgt hij zulk een arm, doch als zoogenaamde ‘Zondagsarm’, voor feesten en vrije uren, waarin hij niet werkt. De ‘werkarm’ of ‘werkklauw’ (waar dit instrument werkelijk nog het meest op lijkt) ziet er heel anders uit en beantwoordt slechts aan de eischen der doelmatigheid.

De voornaamste inrichtingen, waar de éénarmigen of op andere wijze invalide geworden soldaten worden geschoold, zijn het Hindenburghuis in Köningsberg, het Oskar Helene-Heim in Zehlendorf bij Berlijn en de scholen der Phenix- en Florawerken in Dusseldorf Smeden, timmerlui, boekbinders, kleeremakers, mandenvlechters en stoelmakers leeren daar hun vroeger bedrijf weer uit te oefenen. Zoo is in Dusseldorf een speciale cursus ingericht voor vroegere staalwerkers. De Florawerken vervaardigen zelf de kunstmatige armen, die als werkklauw of Jagenbergarm (zoo naar den uitvinder genaamd) den kreupele helpen een graad van volkomenheid bij zijn arbeid te bereiken, die hem de concurrentie van anderen mogelijk maakt. Het bovenste gedeelte van zulk een arm bestaat uit leder, waaraan een buigzame stang van staal bevestigd is, die den onderarm vervangt. Deze arm eindigt in een soort houvast, waaraan het werktuig: hamer, zaak, boor of anderszins wordt vastgeschroefd. En het lijkt haast een wonder, wanneer men den man zoo bezig ziet. Doch het is een nog grooter wonder, wanneer hij na gedane arbeid, met twee kunstbeenen en twee kunstarmen op… een fiets springt en wegrijdt.

Natuurlijk is het niet mogelijk alle invaliden weer in hun vroeger beroep werkzaam te doen zijn. En juist dit aanleeren van iets anders op gevorderden leeftijd is uiterst moeilijk. Men tracht den man dan werk te verschaffen in een techniek, waarmee hij reeds door zijn vroeger beroep vertrouw is geraakt. Niet alleen de Staat, de orthopedie en de techniek werken mee, om het lot der oorlogsinvaliden in Duitschland dragelijk te maken. Het sociale geweten der maatschappij spreekt eveneens. De arbeiders hebben het als een eereplicht verklaard, hun kreupel geworden makkers van vroeger weer tegen hetzelfde volle loon, buiten en behalve de staatsrente, naast zich te laten werken, en de patroons betalen gaarne bedoeld loon. De vereeniging van Duitsche ingenieurs neemt een werkzaam aandeel in de zaak, de leiders der sociale politiek wijzen er met klem op, hoe het physiek en zedelijk voor den invalide noodig is te voelen, dat hij ook in zijn tegenwoordigen toestand een wezenlijk en noodzakelijk element vormt van het groote organisme van den Staat.

Bron: De Tijd, 14 augustus 1915

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl.

overzicht: