1915, week 14 Handhaving der neutraliteit

Was Nederland verplicht om, in het geval een andere natie ons grondgebied zou binnenvallen, dat land dan ook meteen als vijand te beschouwen? De Tribune verwijst naar een artikel van Generaal Rooseboom uit 1895, waarin deze kwestie aan de orde werd gesteld. De Tribune neemt stelling tegen Roosenboom. Een gewapende reactie zou immers een einde van de neutraliteit betekenen. Duidelijk wordt uit onderstaand artikel dat het handhaven van neutraliteit beslist geen eenvoudige een eenduidige kwestie was.

Het lijkt wel eens een uitgemaakte zaak, dat in geval een vreemde macht door Nederland zou willen trekken, onze burgerij in elk geval verplicht zou zijn, dengene die zoodoende met zijn troepen het eerst Nederlandsch gebied betreedt, als vijand te beschouwen. Wij zeggen met opzet ‘onze burgerij’, want het spreekt voor ons vanzelf dat het proletariaat in geen enkel opzicht een dergelijke plicht heeft. Toch staat het, of althans stond het, in werkelijkheid ook voor de bourgeoisie niet altijd vast, dat de neutrale staat ‘de vreemde indringer met kracht van wapenen de doortocht zou moeten beletten, en ongeacht het groote verschil in sterkte, de aanval op het doortrekkende leger zou moeten doen.’

Integendeel, een partijgenoot wees ons op het volgende: In de Vragen des Tijds van April 1895, toenmaals onder Redaktie o.a. van Borgesius en de latere minister Veegens, komt een artikel voor van Generaal Rooseboom, eenmaal Kommandant van de stelling Amsterdam en Gouverneur-Generaal van Ned. Indië, dus niet de eerste de beste verdediger van de militaire en imperialistische belangen van het nationale kapitalisme. Het artikel handelt over de Handhaving der Neutraliteit, en daarin wordt het door ons in de vorige alinea aangehaalde onder de oogen gezien. En wat is nu de meening van Generaal Rooseboom? Wij geven zijn eigen woorden: ‘Wanneer er iets is, dat er o.i. toe zou kunnen leiden, dat alsdan (nl. ingeval een vreemde macht door Nederland zou willen trekken) niet de juiste weg zal worden ingeslagen, dan zou het zijn dit, dat bij zoo velen de meening bestaat, dat hij, die het eerst met zijn troepen ons gebied betreedt, per se onze vijand is.

Ons komt deze stelling ten eenemale onaannemelijk voor. Aan hen, die het tegendeel vol zouden willen houden, zouden wij de vraag willen onderwerpen: is dit ook het geval, hoe klein het gebied dat betreden wordt, ook zij; zullen wij altijd gewapenderhand tegen zulk een poging optreden? … Ook in de onderstelling, die ons bezig houdt, mag nooit de eerste vraag zijn: ‘welke zijn de internationale verplichten van een neutrale staat?’ maar: ‘wat eischt het waarachtig landsbelang?’ … Wij beweren alleen, dat de oprecht en te goeder trouw afgelegde verklaring, dat de Staat neutraal wenscht te blijven en ook onpartijdig wil zijn, nooit voor die Staat de verplichting kan medebrengen om zich in elk geval te werpen op de eerste de beste troepenmacht, die de grenzen overschrijdt, indien nuttelooze vernietiging van het eigen leger en wellicht de ondergang van de staat daarvan het gevolg dreigt te worden.’

Wat ons het belangrijkst toescheen in de verklaringen van Gen. Rooseboom hebben wij vet laten drukken. Maar men bedenke dat men hier niet te doen heeft met iemand, die het doortrekken van een vreemde legermacht door Nederland voor een utopie houdt, maar met een generaal, die zich wel degelijk rekenschap ervan geeft, dat het ‘aan gegronde twijfel onderhevig’ is, ‘of, wanneer bij de generale staf van een der beide legers de overtuiging bestond, dat gewichtige militaire voordeelen zouden worden verkregen, als de weg door het neutrale gebied werd gevolgd, de verplichte neutraliteit (dit zegt hij ten opzichte van België en Luxemburg) dier landen hen voor een doortocht der aanvallende legers zou beschermen’. Als de verplichte neutraliteit al niet voor de doortocht van een vreemd leger beschermt, hoeveel te minder dan de onverplichte van Nederland. Welnu, wij hebben de verklaringen van Gen. Rooseboom hier niet afgedrukt, omdat wij het met deze militarist en imperialist eens zijn in datgene wat hij voor het ‘waarachtig landsbelang’ of voor de ‘ondergang van de staat’ houdt.

Integendeel, omdat wij hierin absoluut van hem verschillen, klemt het voor ons des te meer, als wij ons o.a. in deze 2 dingen van Gen. Rooseboom eens verklaren:
1. Wie met zijn troepen het Ned. Gebied betreedt, behoeft door het Ned. Volk volstrekt nog niet beschouwd te worden als een vijand waartegen het Ned. Leger gewapenderhand zou moeten optreden.
2. En dit aan het adres van de Albarda’s, Troelstra’s en andere verdedigers van het standpunt der Ned. Regeering, dat nooit de eerste vraag mag zijn: welke zijn de internationale verplichtingen van een neutrale staat? maar: wat eischt het waarachtig belang van het volk? Dat ons antwoord op de laatste vraag moet luiden: In geen enkel geval oorlog – zal elk revolutionair stijder met ons inzien.

Bron: De Tribune, 31 maart 1915

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl.

overzicht: