1914, week 37 Verklaring van rijkskanselier Theobald von Bethmann Hollweg

De rijkskanselier von Bethmann Hollweg heeft aan de Associated en aan de United Press de volgende verklaring gezonden uit het groote hoofdkwartier:

Ik weet niet, wat men in Amerika over den oorlog denkt. Ik neem echter aan, dat daar nu de telegrammen, gewisseld tusschen den Duitschen keizer en den Tsaar en den Koning van Engeland, bekend zijn geworden, welke onweerlegbaar getuigen, hoe de Duitsche keizer tot het allerlaatst pogingen in het werk heeft gesteld om den vrede te bewaren. Deze pogingen moesten echter vergeefsch blijven, omdat Rusland onder alle omstandigheden tot den oorlog besloten was en omdat Engeland, dat tien jaren lang het aan Duitschland vijandige nationalisme in Rusland en Frankrijk had aangemoedigd, de schitterende gelegenheid onbenut heeft laten voorbijgaan, welke zich aanbood om de zoo vaak betuigde liefde voor den vrede te bewijzen. Anders had ten minste de oorlog van Duitschland met Frankrijk en Engeland vermeden kunnen worden.

 

Als eenmaal de archieven geopend zullen worden, zal de wereld bemerken, hoe dikwijls Duitschland aan Engeland de vriendenhand heeft toegestoken, maar Engeland heeft de vriendschap met Duitschland niet gewild. Naijverig op de ontwikkeling van Duitschland en gevoelende, dat het door de energie en den vlijt van Duitschland op velerlei gebied overvleugeld zou worden, heeft Engeland Duitschland met ruw geweld willen neerdrukken, gelijk het vroeger Spanje, Nederland en Frankrijk heeft neergeslagen.

 

Dit oogenblik achtte Engeland thans gekomen, en het binnentrekken van de Duitsche troepen in België bood dat land een welkom voorwendsel om aan den oorlog deel te nemen. Tot den marsch door België was Duitschland echter gedwongen, daar het den voorgenomen Franschen opmarsch vóór moest zijn en België daarop slechts wachtte om zich bij Frankrijk aan te sluiten. Dat het voor Engeland slechts een voorwendsel was, bewijst het feit, dat Sir Edward Grey reeds op 2 Augustus des middags, dus vóór de schending van de Belgische neutraliteit door Duitschland, den Franschen gezant de hulp van Engeland zonder voorbehoud had toegezegd voor het geval de Duitsche vloot een aanval zou doen op de Fransche kust. Moreele overwegingen kent de Engelsche politiek echter niet, en zoo heeft dan het Engelsche volk, dat zich altijd voordoet als voorvechter voor vrijheid en recht, zich verbonden met Rusland, den vertegenwoordiger van het vruchtbare despotisme, met het land, dat geen geestelijke, geen godsdienstige vrijheid kent en dat de vrijheid der volkeren zowel als die der individuen met voeten treedt. Reeds begint Engeland in te zien dat het zich heeft misgerekend en dat Duitschland zijn vijanden de baas wordt.

 

Daarom tracht het met de kleingeestigste middelen Duitschland ten minste zooveel mogelijk in zijn handel en zijn koloniën nadeel toe te brengen, waarbij het, zonder zich om de gevolgen voor de beschaving en het blanke ras te bekommeren Japan tot een rooftocht tegen Kino-tsjou beweegt, de negers in Afrika tegen de Duitschers in de koloniën ten strijde voert en, nadat het de Duitsche nieuwskanalen in de geheele wereld heeft afgesneden, een veldtocht van leugens tegen ons onderneemt.

 

Zoo als het zijn landgenooten vertellen, dat Duitsche troepen Belgische steden en dorpen in brand hebben gestoken, hun daarbij echter onthouden, dat Belgische meisjes weerlooze gewonden op het slagveld de oogen hebben uitgestoken. Ambtenaren in Belgische steden hebben onze officieren ten eten genoodigd en over de tafel heen doodgeschoten. In strijd met het volkenrecht werd de geheele Belgische burgerlijke bevolking tot tegenstand opgeroepen. Die bevolking is in den rug van onze troepen, na hen eerst vriendschappelijk ontvangen te hebben, met verborgen wapenen en op de meest wreede wijze strijdend opgestaan. Belgische vrouwen hebben soldaten, die, ingekwartierd, zich ten ruste hadden begeven, den hals afgesneden.

 

Engeland zal ook niets van de dum-dum-kogels vertellen, die door de Engelschen en Franschen in strijd met alle overeenkomsten en de gehuichelde humanitaire gevoelens der bondgenooten zijn gebezigd en die gij hier in origineele verpakking kunt bezien in den staat, waarin zij bij Engelsche en Fransche gevangenen zijn gevonden.

 

Zijne Majesteit de Keizer heeft mij gemachtigd dit alles te zeggen en te verklaren, dat hij geheel vertrouwt op het rechtvaardigheidsgevoel van het Amerikaansche volk, dat zich door den leugenoorlog, dien onze tegenstanders tegen ons voeren, niet om den tuin zal laten leiden.

 

Wie na het uitbreken van dezen oorlog in Duitschland heeft vertoefd, heeft de groote zedelijke volksverheffing der Duitschers, die, van alle zijden in het nauw gebracht, tot verdediging van het recht op hun volksbestaan welgemoed te velde trokken, zelf kunnen waarnemen. Hij weet, dat dit volk tot geen onnoodige wreedheid, tot geen ruwheid in staat is.

 

Wij zullen overwinnen, dank zij de moreele kracht, die de zaak der rechtvaardigheid aan onze troepen verleent, en ten slotte zullen ook de grootste leugens onze overwinningen evenmin kunnen verdonkeremanen als ons recht.

Bron: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 7 september 1914

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl.

overzicht: