1914, week 34 Aan het station

Aan het station

De Nieuwe Rotterdamsche Courant doet op 17 augustus 1914 uitgebreid verslag van de toestand op een niet nader genoemd station in het Duitse Rijnland.

„Hedenmiddag ben ik weder aan het station geweest, waar de polsader van den oorlog voelbaar klopt. Want in de stad is het rustig, zelfs zeer stil. ’s Middags zijn de zaken gesloten, ook het warenhuis van Tietz. Kalm gaat het burgerlijke leven voort, de gaten zijn gevuld, de tijdelijke storingen verwijderd en men richt zich in om, op kleinen voet levend, het verloop, het einde van den oorlog af te wachten.

De perrons half vol, bezet met wachtenden, alle voorzien van koffertje of kartonnen doos. Naast het laatste perron een lange trein uit de richting Dusseldorp, leege wagens, derde, tweede klasse, met een enkele D-wagen vermengd. Op de wagons half uitgewischte opschriften met krijt: Express Paris-Petersburg, humoristische teekeningen en spotverzen. Droge, nu verdorde takken aan alle wagens.

Na zijn vertrek, na nauwelijks tien minuten, een nieuwe, leege trein met bagagewagens. De deuren wijd open, de vloer met stroo bedekt, hier en daar een paar omgeworpen banken. De wagens ook weer met nu verdorde takken versierd. Een andere volgt, met vlakke wagens, waarop nog de blokken hout liggen, om de kanonnen te stutten. En terwijl we wachten, rollen steeds die leege treinen af en aan, vertrekken naar Hagen, om gevuld terug te keeren.

Aan onze Dusseldorper zijde komen langzaam een paar treinen, volgepropt met reservisten, voorbij, op weg naar hun garnizoen. Ze hangen uit de ramen, wuiven met hoeden en zakdoeken en beantwoorden de hoera’s. Dan volgt een nieuwe trein uit de richting Hagen en van verre hooren we reeds het geschreeuw uit de omliggende straten. Als de trein stilhoudt, zien we hier en daar Duitsche helmen met grijs doek bedekt, punten van geweren en daarnaast broederlijk tal van vreemde gezichten met platte petten, die eenigszins aan de Duitsche herinneren. Ze lachen en schreeuwen ons toe, bedelen om sigaren. Een transport Donsche kozakken dat naar Dusseldorp onderweg is. En ginds, aan de rechterzijde, staan twee lange treinen stil. Ze wachten buiten het station en aan het hoera-geroep hoort men, dat ook daar wat gaande is.


Het kozakken-transport rijdt langzaam voorbij, de wachtende treinen komen even langzaam binnen. Uit de ramen van elken wagon hangen weer wuivende fuseliers, vier in elk voertuig. Maar verder blijft het stil in de wagons. Door de geopende ramen ziet men Belgische krijgsgevangenen. En terwijl de Duitsche troepen in overvolle wagons naar de grenzen vertrekken, zitten deze Belgen netjes met vijf personen op een bank in derde klasse wagons. Allerlei uniformen door elkaar, donkerblauwe, roode, roodgestreepte met breede blauwe en donkerroode opauletten. Carabiniers, guides, chasseurs, broederlijk vermengd. Donkere typen, meestal zwartharig, bedeesd naar de menigte kijkend, die op het helm-wuiven der soldaten die de krijgsgevangenen vergezellen, met luide hoera’s antwoorden.

Voort rolt de trein en kort daarop volgt een nieuw transport, waar enkele zich aan de vensters wagen. Maar dan worden hier en daar vuisten opgestoken, nijdige woorden gehoord. Maar tot meer manifestaties komt het niet en de militaire stationscommandant voorkomt ze door geen Belgisch transport in het station te laten wachten. De stemming tegen de Belgen is zoo bitter, dat de jonge dames geweigerd hebben aan deze treinen ververschingen te verdeelen. Het gewoon rantsoen van de troepen is goed genoeg voor hen!


Intusschen is het voller geworden op de perrons. De tweede afdeling politieagenten, die naar het front gaan om er met de gendarmes de slagvelden te bewaken, zijn aangekomen. Voorop de gemengde kapel uit de scholen gevormd met het omkranste vaandel. Daarachter onze agenten. En terwijl zij afmarcheeren, rolt een nieuwe trein langzaam voorbij, een met veldartillerie. De grijsgeverfde kanonnen, zorgvuldig in doeken gepakt en met groene takken omkranst. Op de voorwagens grijze artilleristen.

Wagen op wagen rolt gestadig voorbij, steeds weer kanonnen vervoerend. Dan komen de geopende goederenwagons met de paarden en begeleiders en door de open deuren wuiven de artilleristen veelzeggend met hun zweepen.

De muziek zet een daverend meegezongen “Wacht am Rhein” in en als het eerste couplet uit is, komt een nieuwe trein binnen, weer artillerie, weer talloze wagens met geschut. Alles naar de grens en aan de andere zijde van het station rollen steeds de leege treinen terug naar het binnenland, gereed om weer volgeladen te worden met honderden manschappen.

De trein naar Keulen laat nog steeds op zich wachten. De onverwachte transporten der Luiksche bezetting hebben het zoo precies ingericht vervoer der troepen in de war gestuurd en eerst na drie kwartier komt de verwachte trein binnen, volgeladen met dienstplichtigen.

Eerste of derde klasse bestaat niet meer. Waar een staanplaatsje is, een enkel gaatje, komt iemand te staan. Coupe’s met twintig lui zijn er. Maar het doet er niet toe! Er zijn er wel, die tot Leipzig hebben moeten staan. Hoofdzaak is, dat men meegaat. Als alle dienstplichtigen een “plaatsje” gevonden hebben, komen de enkele reizigers aan de beurt.

Handen wringen zich door de volte aan het venster om familie nog eens goeden dag te zeggen. Het vaandel wuift. De muziek speelt “Deutschland, Deutschland über Alles” en langzaam verdwijnt de volgepropte trein naar Keulen.

Op het leeger wordend perron blijf ik nog wat staan. Aan de overzijde komen en gaan de ledige treinen. Aan de onze de volgeladen troepentransporten van alle wapens, aan de eene zijde van de grens, aan de andere naar de grens. En met stille ontzetting ziet men dat stadig beweeg van die duizenden en duizenden soldaten, dien stortvloed van menschen, dag en nacht voortrollend naar de grens.”


Bron: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 17 augustus 1914

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl.

overzicht: