1914, Week 29 "Deze Week In de Grote Oorlog"

Franse landsverdediging in deplorabele toestand

In juli 1914 waren er grote zorgen over de staat van de Franse landsverdediging, zeker in vergelijking met die van de Duitsers. In niets leek het erop dat het land klaar was voor een grote oorlog. Humbert, rapporteur van een Franse onderzoekscommissie, bracht met zijn bevindingen de regering in verlegenheid. De Nieuwe Rotterdamsche Courant plaatste een uitgebreid verslag van een roerige senaatszitting.

„Parijs, 13 juli. De Senaat is heden begonnen met de behandeling van het wetsontwerp waarin den ministers van oorlog en marine buitengewone kredieten worden verleend voor de benoodigdheden der landsverdediging.

 

Humbert, de rapporteur, heeft uiteengezet dat de wet op den driejarigen dienstplicht het land ‘t noodige aantal soldaten heeft gegeven; thans moeten echter nog groote geldelijke offers worden gebracht om de uitrusting der troepen te verbeteren. Spreker oefende scherpe krietiek op de leger-administratie en het materiaal, dat de Fransche nijverheid aan het leger levert en dat minderwaardig is, vergeleken bij het materieel dat zij aan het buitenland levert. Hij betoogde verder dat de Fransche veldartillerie allengs minder goed uitgerust wordt dan de Duitsche.

 

Zoo heeft het Fransche leger gebrek aan houwitsers; ook de approviandeering en de aanschaffing van kanonnen en munitie is onvoldoende. Er zijn twee millioen paar schoenen te kort, het materieel om den Moezel en den Rijn over te trekken ontbreekt. De versterkingen van de vestingen tusschen Toul en Verdun zijn ten eenen male onvoldoende.

 

Aan het slot van zijn rede zeide Humbert dat de aan het parlement gevraagde millioenen voor de landsverdediging weggesemeten geld zijn (beweging en groote ontroering), als de organisatie van het leger niet gewijzigd wordt en de geest in de luiden de diensten niet verandert (toejuichingen),

 

De rede van Humbert, in een bijna voltallige vergadering van den Senaat uitgesproken, heeft diepen indruk gemaakt.

Minister Messimy verklaarde, Humbert niet te kunnen beantwoorden, daar deze hem over ‘t geen hij ging zeggen niet te voren heeft ingelicht. Hij erkende intusschen dat de meeste door Humbert genoemde feiten juist zijn, zooal niet op de wijze waarop zij zijn voorgesteld, dan toch als uitzonderingen.

 

In de zaal werd het na deze woorden zeer rumoerig, zoodat de minister niet kon voortgaan. Messimy verzocht den Senaat de voorstellen der regeering goed te keuren, opdat men zoo spoedig mogelijk met den bouw van kazernes en ‘t aanschaffen van benoodigdheden kan beginnen. Hij beloofde zoo streng mogelijk te zullen toezien op de uitvoering van het program om de landsverdediging zoo sterk mogelijk te maken.

 

Clemenceau verklaarde, sedert 1870 niet zoo’n benauwde en beangstigende parlementszitting te hebben bijgewoond. Wij hebben - zeide hij - geen regeering en geen verdediging. Er zijn heden zeer ernstige feiten aan het licht gekomen en de minister van oorlog moet den toestand van het oogenblik geheel blootleggen en de middelen tot verbetering aanwijzen. Daarna stelde Clemenceau voor, de stemming over het ontwerp te verdragen en het parlement over enkele dagen bijeen te roepen.
Nadat Viviani nog enkele woorden had gesproken en gezegd dat hij door de rede van Humbert was overvallen, is de zitting tot morgenmiddag verdaagd.”

Bron: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 14 juli 1914

Bekijk de volledige krant op www.delpher.nl

overzicht: