1914-1918, The History of the First World War

Door J.H.J. Andriessen,
Voorzitter Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog.

 

Dit is een reeks analyses van boeken geschreven door bekende Angelsaksische historici die in de laatste jaren zijn verschenen en waarin  naar mijn mening de werkelijkheid over de Eerste Wereldoorlog, het ontstaan daarvan en de schuldvraagkwestie bewust of onbewust geweld wordt aangedaan.

Naast de stellingen van deze Angelsaksische historici wordt getracht aan de hand van duidelijke documentatie en primair bronnenmateriaal  aan te tonen dat met name hedendaagse vooral ook Britse historici nog steeds een visie onderhouden die op veel punten het gevolg is van generaties lange indoctrinatie waarbij kennis van de werkelijkheid ondergeschikt is gemaakt aan chauvinistische en nationalistische argumenten. Deze Angelsaksische visie is zo dominant en had- en heeft nog steeds zo’n grote invloed op met name ook  Nederlandse historici en binnen Nederlandse onderwijsinstellingen, dat het de vraag is of een realistischer visie wel ooit in dit land zal doordringen.

 

De vierde analyse betreft het boek van David Stevenson, 1914-1918, The History of the First World War.

 

1914-1918, The History of the First World War.

Auteur: David Stevenson
Isbn: 0-713-99308-5
Uitever: Penguin Group
729 pagina’s hard cover.

 

Voorbeschouwing:

Ook hier een auteur die werkelijkheid met fictie mengt en op een aantal punten zijn fantasie de vrije loop laat. Een auteur ook die het niet zo nauw neemt met de bewijsvoering en die in een aantal gevallen zelfs geweld aan doet.

Het is opvallend, als men de recente Angelsaksische literatuur over de Eerste Wereldoorlog er op na leest, op hoeveel punten men elkaar naspreekt daarmede een tendens creërend om bepaalde zaken als waarheid te verkopen door elkaar domweg maar na te praten en aldus een mythe creërend die door de argeloze lezer al snel als werkelijkheid wordt aangenomen. “Iedereen zegt het toch?”.

Ik begin het ietwat gênant te vinden dat ik me telkens gedwongen voel zo negatief te moeten reageren op auteurs die toch algemeen als briljante schrijvers en hooggeleerde specialisten worden beschouwd maar die helaas door de mand vallen als men ze op kennis van zaken en op zo objectief mogelijke interpretaties controleert. Doordat dit niet of nauwelijks gebeurt kunnen zij hen ‘misleidende’ werk inzake de rol van de geallieerde landen bij het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog onverdroten voortzetten en het wordt tijd dat daar eens een eind aan komt en men zich tot feiten gaat beperken.

 

Stelling Stevenson: (over de ‘blanco cheque.)

“Hoyos conveyed a memorandum from Berchtold and a letter from Franz Joseph, both  which strongly hinted at War with Serbia  without being explicit. But when the German Emperor Wilhelm II  met Hoyos on 5 july, he responded that Austria Hungary must march into Serbia, with Germany’s backing  even if War with Russia resulted”.

 

Commentaar:

Deze bewering van Stevenson zet de toon voor de rest van zijn boek.

 

Wat hij hier zegt is niet noodzakelijkerwijs bezijden de waarheid maar het is wel een duidelijk eigen interpretatie met als achtergrond de demonisering van Wilhelm II als de man die uiteindelijk de schuld aan de oorlog had en daar als oorlogshitser ook voor ijverde.

 

Allereerst, het is een kleinigheid maar toch, was het niet Hoyos die een bezoek aan de keizer bracht. Hoyos bracht de boodschap naar Berlijn waar de Oostenrijk-Hongaarse ambassadeur Scögyëny de missie van hem over nam en op zondag 5 juli op audiëntie bij Wilhelm II te Potsdam ging. Hij overhandigde deze de boodschap van Franz Joseph en Berchtold en rapporteerde daar het volgende over:

 

“After I had brought it to the knowledge of Emperor William  that I had an autograph letter to deliver, I received Their Majesties invitation to lunch today at noon in the New Palace. I gave His Majesty the letter and the accompanying letter. He read both documents  in my presence with the greatest attention. At first he assured me  that he had expected an earnest  action on our part against Serbia, but at the same time he must confess that the statements of our Majesty raised the prospect of a serious European complication, and he therefor wished to give no definite answer until he had consulted with the Chancellor.”

 

Even een opmerking tussendoor: Hieruit blijk dat Wilhelm II niet zomaar in het wilde weg beslissingen nam en terecht terug viel op de mening van zijn Kanselier. Dit element wordt door de meeste Angelsaksische auteurs altijd volstrekt genegeerd die eensgezind de keizer een volstrekt onverantwoorde beslissing in de schoenen willen schuiven. Maar het rapport van de ambassadeur gaat dan verder;

 

“After luncheon, when I again emphasized the seriousness of the situation, HisMajesty authorized me to report that in this case also we could reckon on Germany’s full support. He must. as he said before, first hear what the Imperial Chancellor had to say, but he did not doubt at all that Bethmann Hollweg would agree with him completely”

 

Ook hier blijkt duidelijk dat Wilhelm nog steeds een slag om de arm houdt en er voor de tweede keer de nadruk op legt dat het laatste woord bij zijn Kanselier ligt en dat die de uiteindelijk beslissing neemt.

Het rapport gaat dan weer verder:

 

“as regards any action on our part against Serbia, he thought such action ought not to be delayed. Russia’s attitude would doubtless be hostile, but he had been prepared for that for years, and even if it would come to a war between Russia and Austria , we could be convinced that Germany would stand by our side with her accustomed faithfulness as an ally.”.

 

Hier doelt Wilhelm op het feit dat hij, de voortdurende agressie van Servië tegen de Habsburge monarchie erkennende, het wenselijk achtte dat men niet te lang wachten zou met actie tegen Servië omdat de wereld op dat moment nog  niet bekomen was van de schok die de moord op de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote, internationaal teweeg had gebracht. Hij hoopte dat met een snelle actie een wereldoorlog voorkomen zou kunnen worden terwijl uitstel de internationale mening wel eens tot andere gedachten zou kunnen brengen.

 

Dat Wilhelm II een lokalisering mogelijk achtte blijkt uit zijn volgende woorden:

“Russia,  furthermore, he thought, as things stand today, was in no way ready for war and would certainly ponder very seriously before appealing to arms. But she would stear up the other Powers of the Triple Entente against us and blow up fire in the Balkans.”.(Szögyény to Berchtold, July 5, 19.35 p.m, Austr.Red Book 1;6)

 

Aldus een toch wat andere weergave van het gesprek tussen Wilhelm IIen de Oostenrijkse ambassadeur waaruit blijkt dat e.e.a.geen soloactie van Wilhelm is geweest. Wilhelm heeft dé facto zelf geen ‘blanco cheque’ heeft afgegeven maar steun aan Oostenrijk-Hongarije afhankelijk gesteld van de goedkeuring van zijn Kanselier zoals zijn constitutionele rol hem ook voorschreef. (die deze toestemming de volgende dag schriftelijk afgaf waarmede de blanco cheque een feit werd) Er werden trouwens meer ‘blanco cheques’uitgedeeld o.a door Rusland toen het de Serven volledige steun toezegde en door Frankrijk toen het Rusland volledige steun toezegde.

Stevenson haalt zijn verkorte weergave van het gesprek ook uit de context , verzuimt een juiste weergave- en  tevens de omstandigheden rondom dit gesprek te schetsen en in de context te plaatsen.

 

Stelling Stevenson (p.19)

Continental security was now no longer enough and Wilhelm and his advisers ostentatiously asserted Germany’s right to a voice in the Ottoman Empire were he claimed to be the protector of the Muslims, in China where Germany took a lease on the port of Jiaozhou and South Africa were he supported  the Afrikaners against British attempts to control hem sending a telegram of support to the president of the Transvaal, Paul Kruger, in 1896”

 

Commentaar:

Ziehier, een schoolvoorbeeld van halve waarheden en volstrekt uit de context gehaalde argumenten

 

Wat was de werkelijkheid?

 

Wilhelms bezoek aan Tanger waar hij de verklaring (dat hij zichzelf zag als de protector van de Marokkaanse integriteit) uitsprak had niets maar dan ook niets te maken met de gedachte zich te bemoeien met de interne zaken van dat land maar alles met de schending van het door Duitsland mede ondertekende verdrag van Madrid waarin de verhouding met Marokko door veertien staten werd geregeld. Toen Frankrijk echter trachtte haar invloed na Algerije nu ook in Marokko verder uit te breiden en  afspraken maakte met Spanje en Gr.Brittannië over de verdeling van Marokko zonder Duitsland daarover in te lichten, riep de Sultan van Marokko de hulp van o.a Duitsland in dat zich, om haar moverende redenen, eveneens verzette tegen deze Franse machtsuitbreiding en protesteerde. Om dat protest kracht bij te zetten bezocht de keizer, op verzoek van zijn Kanselier von Bülow, in 1905 Tanger alwaar hij zijn verklaring aflegde daarmede een duidelijk signaal afgevende dat Duitsland  niet zo maar zondermeer akkoord kon gaan met deze Franse machtspolitiek en schending van de conventie van Madrid.  Voorts had Duitsland grote commerciële belangen in Marokko en die belangen dreigden nu in het geding te komen als Frankrijk daar het monopolie zou krijgen.(Gr.Politik, XX, ch.145)

Duisland had dus zeker redenen en ook het recht zich tegen deze eenzijdige Franse actie, waarbij het Duitsland totaal had genegeerd, te protesteren en Stevenson haalt ook hier de zaak volledig uit haar context en verzuimt de werkelijke feiten objectief weer te geven.

 

Ook de claim dat Duitsland een haven in China huurde komt weer uitermate Angelsaksisch over. Alsof de huur van een haven een illegale daad was. Toen Duitsland eind 19e eeuw trachtte kolen en handelsposten te stichten in Aden, Yemen, aan de Perzische kust en op de route naar India, op de Philippijnen, de Salomons eilanden en in China, werd het daarin overal tegengewerkt. Duitsland had die posten nodig voor haar economische expansie maar dat werd haar niet gegund en in dat opzicht moet ook de Britse kritiek op het huren van de haven van Jiaozhou worden gezien. Kritiek nb door een land dat zelf bijna de helft van de wereld gekolonialiseerd had en nu dat recht aan een ander niet gunde.

Nog bonter maakt Stevenson het met zijn bewering van Wilhelm’s bemoeienis met; “South Africa were he supported  the Afrikaners against British attempts to control them sending a telegram of support to the president of the Transvaal, Paul Kruger, in 1896”

 

en hij verwoordt daarmede de Angelsaksische visie bij uitstek!.

 

Niemand vraag zich af of dat ‘onder controle brengen van de Afrikanen door de Britten’ nu wel zo legaal was en of daar nu geen sprake was van Britse koloniale overheersingpolitiek en machtsuitoefening ten opzichte van onafhankelijke  Afrikaanse Boerenstaten? Maar nee, als iemand daar tegen protesteerde dan was de wereld te klein en voelde de Britten zich diep beledigd! De gotspe over het zg Kruger telegram dat de keizer naar president Kruger verzond is een geheel eigen (Brits) leven gaan leiden en een der meest gebruikte Angelsaksische argumenten om de slechte verhouding tussen England en Duitsland vanuit de Britse visie te verklaren.

Ook hier zijn toch een aantal argumenten te vinden die in een geheel andere richting wijzen. 

 

Allereerst was de keizer niet de enige die zich tegen de Britse poging “to control the Afrikaners” verzette. Bijna elke beschaafde natie was tegen de wijze waarop Engeland in Afrika trachtte de Boeren naar haar hand te zetten waarbij ze de inzet van concentratiekampen waarin duizenden vrouwen en kinderen door verwaarlozing stierven, niet schuwden. Ze vertrapten daarmede het Internationale Recht en de wetten van oorlogsvoering met voeten en er was zeker sprake van oorlogsmisdaden tegen civiele bevolkingsgroepen.

 

Terug nu naar de werkelijkheid.

Op 29 december 1895 trok Dr.leander Starr Jameson, administrateur van Rhodesië voor de British South Africa Company met een groep gewapende mannen op naar Johannesburg waar hij hoopte een revolutie teweeg te brengen tegen de positie van de Boeren in Transvaal. Jameson kwam van een koude kermis thuis en werd op 1 januari 1896 bij Krugersdorp met zijn hele strijdmacht door die zelfde Boeren in de pan gehakt. Dit succes werd overal met stille sympathie ontvangen al wachtte men zich om dat te duidelijk tot uiting te brengen en daardoor de gramschap van Engeland op te wekken.

Zo niet echter Duitsland. De Keizer, die toch al geladen was door een z.i. onheuse behandeling door Lord Salisbury, riep op 2 januari zijn Kanselier en enkele adviseurs bijeen. Tijdens deze zitting werd besloten de Boerenpresident een felicitatietelegram te sturen.

De inhoud daarvan luidde: 

 

“I express my sincere congratulations that, supported by your people, without appealing for help of friendly Powers, you have succeeded by your own energetic action against armed bands which invaded your country as disturbers of the pace and have thus been enabled to restore peace and safeguard the independence of the country against attacks from the outside. Wilhelm II I.R”.

(German Diplomatic Documents 1871-1914, Vol.2, Ch.24, p.387, The Holstein Papers, Vol.1, p .170, n.1)

 

De uitwerking van dit telegram werd en wordt overal beschreven als desastreus.Het was natuurlijk een onhandig telegram dat vooral bedoeld was de Britten tegen de schenen te schoppen. Die ontkenden nl elke betrokkenheid bij deze raid hetgeen de vraag doet rijzen waarom ze dan zo gebelgd waren over dit telegram. (Trouwens, naar later bleek waren de Britten wel degelijk op de hoogte)

Het telegram had tot gevolg dat de verhouding tussen Engeland en Duitsland inderdaad enige tijd aanzienlijk verkoelde en koningin Victoria verweet Wilhelm II in een brief zijn onvriendelijke telegram.

Overigens moet worden opgemerkt dat de Britse houding tegenover de onafhankelijke Boerenrepublieken in geheel Europa tot grote verontwaardiging leidde  en dat Duitsland dan ook beslist niet alleen stond toen de Keizer zijn  felicitatietelegram zond. Ook de Nederlandse regering zond, onder druk van de verontwaardigde  openbare mening, een protesttelegram naar Engeland.

 

Dat het Krugertelegram zou hebben geleid tot de toenadering tussen Engeland en Frankrijk en een blijvende invloed heeft gehad op de verhouding tussen Engeland en Duitsland is een onjuiste stelling want slechts een viertal jaar later was het leed al weer volledig geleden. Dat was ook niet onlogisch want direct na het uitbreken van de Boerenoorlog stelde Duitsland zich loyaal op tegenover Engeland en dat kon niet van veel andere landen worden gezegd. De Franse ambassadeur in  Berlijn benaderde de Duitse regering met een voorstel om een Frans-Duits front te vormen tegen de Britse expansiepolitiek in Z.Afrika en ook de Russische ambassadeur deed een soortgelijk verzoek maar beide verzoeken werden door Duitsland geweigerd (Gooch.G.P., Before the War, p.270). Het Duitse argument was dat, om de Britten tegen te kunnen houden, men een grote vloot nodig zou hebben en de realiteit gebood te zeggen dat Duitsland die (nog) niet had.

 

Het gaat dan ook veel te ver om te beweren dat het Krugertelegram de hoofdreden was dat Engeland zich tegen Duitsland keerde en toenadering tot Frankrijk zocht en zo het centrum werd van het anti-Duitse kamp, zoals sommige auteurs ons willen doen geloven. Het was eigenlijk eerder andersom want de Britten trachtten enkele jaren later tot een defensieve alliantie met Duitsland te komen zoals we verderop zullen zien. Ook hier geven de officiële documenten een geheel ander verhaal.

 

De loyale houding van Duitsland tijdens de Boerenoorlog werd door de Britten, die gebukt gingen onder de scherpe kritiek uit alle delen van de wereld inzake haar beleid in Z.Afrika, dan ook zeer gewaardeerd en was aanleiding voor de Britse regering om te proberen alsnog tot een soort alliantie met Duitsland te komen.

Men nodigde de Duitse keizer en zijn Kanselier uit voor een bezoek aan Londen en trachtte hem te interesseren voor een ‘defensieve alliantie. ‘Dit Britse voorstel aan Duitsland om te komen tot een defensieve alliantie zullen we niet gauw tegenkomen bij Angelsaksische auteurs maar het was toch echt zo. (German Diplomatic Documents 1914-1918, vol.3, p.140-152 en ‘British Documents on the Origins of the War 1898-1914, Vol.2„Ch.10’.)  De Britse Lord Landsdowe, minister van Koloniën, verklaarde dat Engeland Duitsland nodig had en- zo zei hij- omgekeerd zou er een moment kunnen komen dat Duitsland ook Engeland nodig zou kunnen hebben. Von Bülow antwoordde dat dit op het moment in elk geval nog niet zo was en hij wees er op dat de scherpe kanten van de Frans-Duitse verhouding waren afgesleten.

 

“Vandaag de dag denkt men in Frankrijk niet meer zo veel aan de nederlaag van Sedan en de revanche gedachte neemt eveneens niet meer zo’n allesbepalende plaats in de harten van de Fransen in.

Maar de vernedering van Fashoda leeft daarentegen heden ten dage nog zeer sterk”

 

Dat was natuurlijk pijnlijk voor de Britten want in de kwestie Fashoda, waarover bijna oorlog was ontstaan tussen beide landen en waarbij Frankrijk aan het kortste eind had getrokken, stonden de Britten en Fransen nog steeds lijnrecht tegenover elkaar.

Uiteindelijk is er van een alliantie niets meer gekomen omdat de publieke opinie in Duitsland daar niet voor te winnen leek. Wel werd duidelijk dat in tegenstelling tot wat dus vaak wordt beweerd, de verhouding tussen Engeland en Duitsland vier jaar na het Krugertelegram weer aanzienlijk verbeterd was en er geen grote problemen tussen beide landen meer waren. Men kan dus niet stellen dat het Krugertelegram een der oorzaken was van de blijvend verstoorde verhoudingen tussen beide landen zoals ook Stevenson suggereert.

 

Stelling Stevenson: (p.18)

In the first Maroccan Crisis, the Germans tried to separate London and Paris by obstructing France’s efforts to establish control over Marocco”.

 

maar wederom verzuimt Stevenson er bij te vertellen wat de reden was van deze ‘obstructie’ en doet het voorkomen alsof deze Franse poging om een ander onafhankelijk maar zwak land op slinkse wijze in bezit te krijgen waarbij het haar gelukt was om Gr.Brittannië voor haar karretje te spannen, een volstrekt logische en eerbare zaak was. Wel, dat was het dus niet en het Duitse protest daartegen had men derhalve toch wel mogen verwachten.

 

Stelling Stevenson; (p.20)

Richard Burdon Haldane visited  Berlin in 1912 but the Haldane Mission reached no agreement on the naval race and the British refused to jeopardize their ententes with France and Russia by pledging unconditional neutrality in a future conflict”.

 

Commentaar;

Het wordt zo langzamerhand eentonig. Ook Stevenson hanteert hier deze bewering over de zogenaamde ‘unconditional neutrality’ met een gemak alsof hier van een onweerlegbaar feit sprake is.

Helaas voor Stevenson CS is ook deze bewering weer bezijden de waarheid, dus onjuist en wat erger is; Stevenson zou dat ook moeten weten want de officiële documenten geven dat duidelijk aan..

 

Ik kan niet anders dan maar weer mijn argumenten ter zake herhalen , zoals ik dat ook al in de voorgaande recensies heb gedaan, op gevaar af dat e.e.a eveneens eentonig wordt.

Wat was het geval?

 

Commentaar:

Op verzoek van Duitsland werden in 1912 besprekingen gevoerd met Engeland over een mogelijke vermindering van de spanning tussen beide landen als gevolg van de Britse ‘bezorgdheid’ voor het Duitse scheepsbouwprogramma.

De Britse regering zond haar minister van Oorlog, Haldane, naar Berlijn en die voerde besprekingen met de Keizer,Tirpitz en met de Rijkskanselier Bethmann Hollweg. Samen met de Rijkskanselier werd daarop een formule uitgewerkt die volgens beide partijen zou leiden tot een oplossing van de problemen.

 

Deze formule luidde:

 

1)     The high contracting Powers assure each other mutually of their desire for Peace and friendship.

2)     They will not either of them make any unprovoked attack upon the other or join in any combination or design against the other for purposes of aggression or become party to any plan or naval or military combination alone or in conjunction with any other Power directed to such an end.

3)     If either of the high contracting parties become entangled in a war of which it cannot be said to be the aggressor, the other will at least towards the Power so entangled, a benevolent neutrality and use its utmost  to endeavour for the localization of the conflict.

4)     The duty of neutrality which arises from the preceding articles has no application in so far as it may not be reconcilable with existing agreements  which the high contracting parties have already made. The making of new agreements which render it impossible to observe neutrality towards the other beyond  what is provided in the preceding limitation, is excluded in conformity with the provision contained in article 2.

5)     The high contracting Powers declare that they will do all in their power to prevent differences and misunderstanding between either of them and other Powers (British Documents. Vol.VI, no 506 Appendix 1 en Grosse Politik, band 31 no 11362)

 

Zoals we zien, er was geen sprake van “unconditional neutrality”om Duitsland de gelegenheid te bieden op elk gewenst moment een “war at will” tegen Frankrijk te gaan voeren. Er staat slechts dat al een van beide landen in oorlog zou komen waarbij duidelijk blijkt dat men zelf niet de agressor is, dan zal de ander een “benevolent neutrality’ in acht nemen.

Met de hiervóór genoemde  formule op zak  ging Haldane teug naar Londen, de Keizer en  Rijkskanselier achterlatend in de stellige overtuiging dat de overeenstemming met Engeland zo goed als zeker bereikt was.

 

Haldane vond dat zelf klaarblijk ook gezien zijn uiting dat;

 

“zich hier een historische gebeurtenis afspeelde zoals in meer dan 50 jaar niet was voorgekomen”. (Gr.Pol. 31 no 11358)

 

en hoewel hij later schreef:

“I did not go to Berlin with power to make a Treaty. These affairs are to fast for that. But I went to investigate and discuss whether one could be made. What may be possible with English public opinion in the view of the Cabinet remains to be seen. But my work up to this point has been attended with a measure of success that was neither foreseen nor expected”.(Morris,p.310-311)

 

Haldane nu lichtte de minister-president Asquith in over zijn succesvolle besprekingen met de Duitsers. Deze op zijn beurt informeerde zijn collegae enthousiast  dat:

 

“Haldane’s mission had ‘completely realised’ the anticipations it had aroused” (Hansard. Parliamentary Debates, 4th and 5th series, Morris.A., Radicalism against War 1914-1918, p,311)

 

Het is duidelijk, Duitsland had z’n goede wil getoond en zich behoorlijk vastgelegd terwijl Engeland dé facto aan het langste eind trok maar helaas, het mocht niet zo zijn.

Toen Haldane’s rapport de minister van Buitenlandse Zaken, Grey had bereikt trad er een grote stilte in. De reden was dat Grey zich al had vastgelegd in geheime militaire besprekingen met Frankrijk waarin hij zich had verbonden om zich, samen met dat land, in een komende oorlog tegen Duitsland te zullen keren . De resultaten van de  ‘Haldane’ besprekingen verraste hem zeer en aangezien hij zich in het geheim en zonder zijn collega-ministers in te lichten reeds aan Frankrijk had gecommitteerd, begon hij het behaalde resultaat nu te saboteren en uiteindelijk kwam er van een getekend verdrag niets meer terecht.

Dat was de werkelijke gang van zaken. Stevenson, Mombauer en hun Angelsaksische collega-historici tonen een verbazingwekkende onkunde in hun beschrijving van de werkelijke feiten. Duitsland was zeer ver gegaan. Het beloofde geen ‘unprovoked attack’ op Engeland te zullen uitvoeren en vroeg diens neutraliteit, niet bij een ‘attack at will’, maar slechts een ‘benevolent neutrality’ indien het buiten haar schuld (unprovoked) met Frankrijk of Rusland in oorlog zou komen. Het is duidelijk dat het de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Grey, is geweest en niet Duitsland die een overeenstemming over dit uitermate belangrijke punt in de verhouding tussen de twee landen in de weg stond en heeft gesaboteerd.   Als hij een andere houding had aangenomen dan was de situatie volkomen veranderd en had de toekomst van de wereld er waarschijnlijk heel anders uit gezien.

Dat Grey de geheime militaire overeenkomst met Frankrijk inderdaad zelfs voor zijn collega ministers verborgen had gehouden blijkt o.a (maar niet alleen) uit de mededeling van Lloyd George die schreef:

 

“Nearly all of us, even Cabinet ministers, were kept sedulously in the dark about our Foreign conversations and commitments. None of these were placed at the disposal of the Cabinet. They were passed to the prime-minister and perhaps to one or two other ministers, the rest of us were kept in the dark”.

“When Grey, six years after they have entered into, communicated these (secret) negotiations and agreements to the Cabinet, the majority of its members  were aghast. Hostility scarcely represents the strength of the sentiment which the revelations aroused. It was more akin to consternation”(Lloyd George, War Memoirs,Vol.1, p.50)

 

Conclusie:

Ook hier toont Stevenson weer een gebrek aan kennis en praat hij, mede gezien zijn bonvermelding, zijn Angelsaksische collegae na zonder zich van de waarheid van hun argumenten te overtuigen.

Helaas moet ik constateren dat Stevenson’s “History of the First World War” wemelt van onjuistheden, eigen theorieën en foutieve interpretaties zodat het ondoenlijk is om in de ruimte die mij ter beschikking staat al deze beweringen te ontzenuwen. Het is derhalve in mijn ogen weer een van die onbetrouwbare en veelal onjuiste Angelsaksische bronnen die met een ‘korreltje zout’ genomen moeten worden en waaraan men dan ook niet te veel waarde moet hechten.

overzicht: